Rijksoverheid

Farmacotherapeutisch Kompas

propranolol

C07AA05, Dit geneesmiddel valt onder: Bèta-receptorblokkerende sympathicolytica


Samenstelling

Propranolol Capsules/tabletten [Diverse fabrikanten]

(hydrochloride)
Capsule met gereguleerde afgifte 'Retard' 80 mg, 160 mg.
Tablet, omhuld 10 mg, 40 mg, 80 mg.

Propranololdrank FNA [Formularium der Nederlandse Apothekers]

(hydrochloride)
Drank 1 mg/ml. Conserveermiddel: methylparahydroxybenzoaat. Bevat tevens propyleenglycol.

Terug naar boven

Let op

Advies

Door een gunstiger bijwerkingenprofiel en daarmee een grotere toepasbaarheid gaat de voorkeur in het algemeen uit naar een selectieve bètablokker. Bètablokkers lijken qua effectiviteit bij angina pectoris en hypertensie onderling vergelijkbaar.

Bij de behandeling van hypertensie met geneesmiddelen gaat op grond van effectiviteit (aangetoonde verbetering van de prognose) en prijs in eerste instantie de voorkeur uit naar monotherapie met een thiazide of een bètablokker. Voor de voorkeur bij specifieke patiëntengroepen zie Therapie bij specifieke patiëntengroepen. Bij ouderen boven de 60 jaar heeft een thiazide de voorkeur.

Bij angina pectoris en ritmestoornissen kan een preparaat met gereguleerde afgifte worden overwogen gezien het belang van een continue bloedspiegel.

De Commissie beschouwt propranolol als één van de voorkeurmiddelen bij de onderhoudsbehandeling van migraine.

Terug naar boven

Eigenschappen

Sterk lipofiele niet-selectieve bètablokker zonder intrinsieke sympathicomimetische activiteit (ISA) met membraanstabiliserende eigenschappen. Van het racemisch mengsel is de S(-)-isomeer de actieve vorm. De R(+)-vorm is verantwoordelijk voor de remming van de omzetting van thyroxine in tri-joodthyronine en remming van de plaatjesaggregatie. Het vermindert de invloed van adrenerge prikkels op het hart. Het hartminuutvolume en het cardiale zuurstofverbruik nemen af. Tevens wordt de AV-geleiding vertraagd en treedt een antihypertensief effect op. Verder wordt de plasmarenine-activiteit onderdrukt.

Kinetische gegevens

F = gering en variabel door first-pass-effect. Tmax = 1–2 uur (tablet), 5 uur (capsule met gereguleerde afgifte). Vd = ca. 6 l/kg. Plasma-eiwitbinding: 80–95%. Metabolisering: ca. 90 % door de lever deels via CYP2D6, ten minste 1 metaboliet (4–OH–metaboliet) is farmacologisch actief. Eliminatie: > 90 % via de nieren (metabolieten), 1–4% met de feces en urine (onveranderd). T1/2 = oraal 3–6 uur (tablet; propranolol en actieve metaboliet), 10–20 uur (retardcapsule).

Terug naar boven

Indicaties

Hypertensie. Profylaxe van bloedingen in het bovenste gedeelte van het gastro-intestinale stelsel bij portale hypertensie en varices ter hoogte van de oesophagus. Secundaire profylaxe na doorgemaakt myocardinfarct bij een aanzienlijk toegenomen kans op een re-infarct of plotselinge dood. Onderhoudsbehandeling van stabiele angina pectoris. Supraventriculaire ritmestoornissen: profylaxe en behandeling van paroxismale supraventriculaire tachycardie, atriumfibrilleren of atriumflutter indien digoxine onvoldoende effectief of gecontra-indiceerd is, en tachycardie of atriumfibrilleren of atriumflutter bij hyperthyroïdie. Ventriculaire tachycardie: profylactisch en therapeutisch bij kamerextrasystolie ten gevolge van verhoogde sympathicusactiviteit, profylactisch bij kamertachycardie en -fibrilleren met name door verhoogde sympathicusactiviteit. Feochromocytoom: alleen in combinatie met een alfa-blokkerende stof. . Hypertrofische obstructieve cardiomyopathie (musculaire subvalvulaire aortastenose. Onderhoudsbehandeling van migraine. Tremor simplex.

Terug naar boven

Contra-indicaties

Sick-sinussyndroom, tweede- en derdegraads AV-blok, cardiogene shock. Astma en andere obstructieve longaandoeningen. Onbehandeld hartfalen. Ernstige hypotensie. Onbehandeld feochromocytoom. Metabole acidose. Langdurig vasten.

Terug naar boven

Zwangerschap/Lactatie

Teratogenese: Bij de mens ( weinig gegevens) en bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid. Farmacologisch effect: Contractie van de uterus, verminderde uterus- en placentadoorbloeding, intra-uteriene groeivertraging, remming van foetale autonome reflexen, intra-uteriene dood. Bij gebruik tijdens zwangerschap en partus kunnen bij foetus en neonaat o.a. nog optreden: hypoglykemie, hypotensie en bradycardie; het pasgeboren kind strikt controleren. De kans op cardiale en pulmonale complicaties bij de neonaat is toegenomen. Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Overgang in de moedermelk: Ja. Advies: Het gebruik van dit geneesmiddel in combinatie met het geven van borstvoeding afwegen.

Terug naar boven

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): slaapstoornissen, nachtmerries. Bradycardie. Koude handen en voeten, fenomeen van Raynaud. Kortademigheid. Vermoeidheid, traagheid (meestal voorbijgaand). Soms (0,1-1%): diarree, misselijkheid, braken. Zelden (0,01-0,1%): trombocytopenie. Verergering van hartfalen, optreden van hartblok, orthostatische hypotensie, syncope. Angio-oedeem. Hallucinaties, psychosen, stemmingswisselingen. Verwardheid, geheugenverlies, duizeligheid, paresthesie. Visusstoornissen, droge ogen. Verergering van claudicatio intermittens. Bronchospasme (bij astmatische klachten in de anamnese). Huiduitslag (psoriasisachtige huidreacties, purpura), verergering van psoriasis, alopecia. Zeer zelden (< 0,01%): verergering van angina pectoris of myasthenia gravis, op myasthenia gravis lijkend syndroom. Hyperhidrose. Toename van antinucleaire antilichamen (ANA) is waargenomen; de klinische relevantie hiervan is onduidelijk. Verder zijn gemeld: agranulocytose. Maskeren van de adrenerge symptomen van thyrotoxicose. Verandering in vetmetabolisme, hypoglykemie (in ernstige gevallen leidend tot toevallen of coma. Depressie. Hoofdpijn. Conjunctivitis. Obstipatie, droge mond. Artralgie. Verminderde renale bloeding en GFR. Impotentie.

Terug naar boven

Interacties

Er dient rekening mee te worden gehouden dat inhalatie-anesthetica het negatief-inotroop effect van bètablokkers kunnen versterken. Bètablokkers en andere negatief-chronotrope en -dromotrope stoffen (bv. anti-aritmica) kunnen elkaars effect versterken. De eliminatie van lidocaïne kan worden vertraagd. Combinatie met calciumantagonisten die voornamelijk een negatief-inotroop, -chronotroop en -dromotroop effect uitoefenen (zoals verapamil en in mindere mate diltiazem) moet wegens de kans op hypotensie, AV-geleidingsstoornissen en insufficiëntie van de linkerventrikel – vooral bij gestoorde hartfunctie – worden vermeden. Cimetidine, hydralazine, fluvoxamine en alcohol verhogen de bloedconcentraties van bètablokkers, die in de lever worden gemetaboliseerd. Rifampicine en barbituraten verlagen de bloedconcentraties. Chloorpromazine en propranolol remmen elkaars metabolisme. Propranolol kan het metabolisme van lidocaïne remmen. Verder zijn interacties mogelijk met kinidine, propafenon, theofylline en dihydropyridinecalciumantagonisten, waardoor dosisaanpassing nodig kan zijn. Hartglycosiden en bètablokkers vertragen de AV-geleiding, zodat bij gelijktijdig gebruik AV-dissociatie kan optreden. Door de combinatie met alfablokkers is er meer kans op (orthostatische) hypotensie, tachycardie en palpitaties. Gelijktijdig gebruik van andere stoffen met eveneens een hoge eiwitbinding, zoals digoxine, kan leiden tot een farmacokinetische interactie. Prostaglandinesynthetaseremmers kunnen het bloeddrukverlagend effect verminderen. De kans op rebound-hypertensie bij staken van clonidinetoediening neemt toe; daarom eerst de bètablokker stoppen, clonidine nog enige dagen gebruiken. Bètablokkers kunnen door ergotaminegebruik veroorzaakte doorbloedingsstoornissen in de extremiteiten versterken. Het bloedglucoseverlagende effect van insuline en orale bloedglucoseverlagende middelen kan worden versterkt. Niet-selectieve bètablokkers versterken de alfa-pressorreactie van adrenaline (epinefrine) met hypertensie en bradycardie, omdat het bèta-effect van adrenaline wordt geremd. Fingolimod niet starten bij gelijktijdig gebruik van bètablokkers vanwege het additieve effect op de hartslag. Combinatie met amiodaron kan ernstige sinusbradycardie veroorzaken; dit kan vanwege de extreem lange halfwaardetijd van amiodaron ook nog lang na staken van amiodarongebruik optreden. Kinidine kan door CYP2D6–remming de plasmaspiegel van propranolol verhogen. Propranolol kan de plasmaconcentratie van rizatriptan verhogen.

Terug naar boven

Waarschuwingen en voorzorgen

Voorzichtigheid is geboden bij eerstegraads AV-blok, diabetes mellitus, variant of Prinzmetal-angina pectoris en perifere circulatiestoornissen (M Raynaud). Instelling dient onder controle van de polsslag te geschieden (bv. 1×/w. gedurende 3–4 w.). Indien de hartfrequentie afneemt tot 50–55 slagen/min dient de dosering te worden verlaagd. Bij 'ernstiger' bradycardie (< 50 slagen/min) de toediening staken. Beëindiging – ook tijdelijk – van een behandeling met bètablokkers dient, zo mogelijk, geleidelijk plaats te vinden gedurende 1–2 weken. Plotseling staken kan leiden tot ernstige aritmieën of verergering van angina pectoris. Bètablokkers kunnen de adrenerge symptomen van thyrotoxicose en van hypoglykemie maskeren, terwijl herstel van de glucosespiegel na hypoglykemie kan worden vertraagd, met name door de niet-selectieve bètablokkers. Bij continuering van toediening van een bètablokker tijdens algemene anesthesie dient men rekening te houden met een veranderde hemodynamische respons op stress. Voorzichtigheid is geboden bij gedecompenseerde cirrose. Er zijn aanwijzingen dat propranolol bij portale hypertensie de kans op hepatische encefalopathie vergroot. Voorzichtigheid is geboden bij ernstige overgevoeligheidsreacties in de anamnese en tijdens desensibilisatietherapie, omdat met name niet-selectieve bètablokkers de gevoeligheid voor allergenen en de ernst van anafylactoïde reacties kunnen doen toenemen. Bij lever- of nierfunctiestoornissen kan het noodzakelijk zijn de begindosering te verlagen.

Terug naar boven

Overdosering

Symptomen: bradycardie, hypotensie, acute hartinsufficiëntie, aritmieën, bronchospasmen, braken, ademhalingsdepressie, longoedeem, syncope, slaperigheid, verwardheid, hallucinaties, verwijde pupillen, cyanose, gegeneraliseerde convulsies en coma. Zelden hypoglykemie, hypocalciëmie.

Therapie: Toediening van atropine (tot 3 mg i.v.) bij bradycardie. Bij ernstige hypotensie, hartfalen of cardiogene shock glucagon i.v. geven. Bij onvoldoende effect van glucagon eventueel isoprenalinehydrochloride, dopamine of noradrenaline (norepinefrine) geven. Bij ernstige hypotensie kan inotrope ondersteuning met een bèta-agonist nodig zijn, bijvoorbeeld dobutamine. Salbutamol (verstuiving, eventueel i.v.) indien bronchospasmen optreden. In ernstige gevallen eventueel intraveneus aminofylline.

Terug naar boven

Dosering

De dosering dient individueel te worden ingesteld; het verdient aanbeveling met een zo laag mogelijke dosering te beginnen om eventuele decompensatieverschijnselen of bronchiale moeilijkheden vroegtijdig te kunnen opmerken; dit geldt m.n. voor ouderen, verminderde nierfunctie en verminderde leverfunctie.

Hypertensie en Angina pectoris: begindosering 1 tablet à 40 mg twee tot driemaal per dag of 1 retardcapsule à 80 mg per dag; bij onvoldoende effect telkens na 1 week de dosis met 40–80 mg verhogen; gebruikelijke onderhoudsdosering 120–240 mg per dag, max. 320 mg per dag; bij de tabletten de dosering verdelen over 2–3 giften per dag, bij de retardcapsules in één dosis geven. Het verdient aanbeveling na ieder jaar succesvolle therapie te proberen de dosering te verlagen.

Portale hypertensie: Volwassenen: Tablet: De dosering titreren zodat er een reductie van 25% van de hartfrequentie in rust wordt bereikt: begindosering 1 tablet à 40 mg 2×/dag; eventueel verhogen tot 1 tablet à 80 mg 2×/dag. Zo nodig in stappen verhogen tot max. 160 mg 2×/dag.

Secundaire profylaxe na myocardinfarct Volwassenen: Tablet: Zodra de patiënt hemodynamisch stabiel is 1 tablet à 40 mg 2–3x/dag gedurende 2–3 dagen. Gebruikelijke onderhoudsdosering 80 mg 2×/dag.

Tachycarde aritmieën: Volwassenen: 10–40 mg 2–3 × per dag (tabletten) of 1 retardcapsule à 80 mg eenmaal per dag . Kinderen en adolescenten: richtlijn: 0,25–0,5 mg/kg 3–4 × per dag, aangepast op basis van de respons. Max. 4× per dag 1 mg/kg, max. 160 mg/dag.

Feochromocytoom (in combinatie met een alfa-blokkerende stof): Tablet: preoperatief 60 mg per dag gedurende 3 dagen; inoperabele maligne gevallen: 30 mg per dag, in meerdere giften.

Hypertrofische obstructieve cardiomyopathie: Tablet: 1 tablet à 10–40 mg twee- à viermaal per dag.

Migraine: Volwassenen en kinderen > 12 jaar: begindosering 1 tablet à 40 mg twee- à driemaal per dag of 1 retardcapsule à 80 mg eenmaal per dag; bij onvoldoende effect de dosis verhogen tot 160 mg per dag, bij de tabletten de dosis verdelen over 2–3 giften, de retardcapsules in één dosis geven. Kinderen < 12 jaar: de helft van de dosering voor volwassenen.

Tremor simplex: begindosering 1 tablet à 40 mg twee- à driemaal per dag of 1 retardcapsule à 80 mg eenmaal per dag; gemiddelde onderhoudsdosering 80–160 mg per dag, bij de tabletten de dosis verdelen over 2–3 giften, bij de retardcapsules in één dosis geven.

NB: De retardcapsules ineens 's morgens of 's avonds in hun geheel innemen, telkens op ongeveer hetzelfde tijdstip van de dag; de tabletten in 2–3 giften innemen.

Terug naar boven

Verklaring van de symbolen

  • Icoon

    Aan de aanspraak op dit middel zijn voorwaarden gesteld, zie bijlage 2 horende bij de Regeling zorgverzekering.

  • Icoon

    Dit middel is niet opgenomen in het geneesmiddelenvergoedingssysteem.

  • Icoon

    Dit middel is nog niet beoordeeld, nog in beoordeling of opnieuw in beoordeling.

  • Icoon

    Zelfzorgmiddel ('over the counter').

  • Icoon

    'New chemical entity' - nieuwe chemische stof.

  • Let op icoon

    Dit geneesmiddel wordt door de Commissie Farmacotherapeutisch Kompas op farmacotherapeutische gronden afgewezen.

Bron: website Farmacotherapeutisch Kompas; copyright Zorginstituut Nederland.