Samenstelling

Humira 40Abbvie bv
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,8 ml, voorgevulde pen 0,8 ml
Toedieningsvorm
Injectievloeistof voor kinderen
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 0,8 ml
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,4 ml, voorgevulde pen 0,4 ml
Toedieningsvorm
Sterkte
Verpakkingsvorm
Humira 40Abbvie bv
Injectievloeistof50 mg/mlwegwerpspuit 0,8 ml, voorgevulde pen 0,8 ml
Injectievloeistof voor kinderen50 mg/mlflacon 0,8 ml
Injectievloeistof100 mg/mlwegwerpspuit 0,4 ml, voorgevulde pen 0,4 ml
  • Uitleg symbolen
    Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS).
    Over the counter, dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel. Aan de vergoeding van bepaalde zelfzorgmedicatie zijn nadere voorwaarden verbonden. Deze zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
    Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op de indicaties, de duur van de behandeling en het voorschrijven volgens een richtlijn/protocol.
    Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Bij patiënten ≥ 18 jaar met actieve reumatoïde artritis is de DMARD methotrexaat het middel van eerste keus, eventueel met prednison. Bij onvoldoende respons op methotrexaat in een optimale dosering kan worden gekozen voor combinatie met een andere DMARD of met een TNF-α-blokker. Die keuze kan ook worden gemaakt bij een contra-indicatie of intolerantie voor methotrexaat.

Bij artritis psoriatica moet er sprake zijn van onvoldoende respons op DMARD's in optimale dosering.

Bij spondylitis ankylopoetica komt behandeling met adalimumab in aanmerking bij een ernstige actieve spondylitis ankylopoetica (BASDAI ≥ 4) en indien er sprake is van onvoldoende respons op ten minste twee prostaglandinesynthetaseremmers in maximale dosering en andere conventionele behandeling; bij perifere artritis dient eerst sulfasalazine te zijn geprobeerd.

Indien bij deze aandoeningen behandeling met een TNF-α-blokker in aanmerking komt, geeft de Commissie op grond van de ervaring de voorkeur aan adalimumab, etanercept of infliximab; praktische overwegingen kunnen het verschil in toediening zijn.

Adalimumab kan bij voorkeur in combinatie met methotrexaat worden toegepast bij kinderen van 4–17 jaar met polyarticulaire juveniele idiopathische artritis met onvoldoende respons op een of meerdere antireumatische middelen. Bij toepassing van een TNF-α-blokkerend middel bij polyarticulaire juveniele idiopathische artritis (pJIA) wordt de voorkeur gegeven aan etanercept, omdat daarmee meer ervaring is en omdat er meer gegevens over beschikbaar zijn.

Behandeling met de biological adalimumab is geïndiceerd in de tweedelijnszorg bij patiënten met matige tot ernstige chronische plaque-psoriasis, indien foto(chemo)therapie en conventionele systemische behandelingen ontoereikend of gecontra-indiceerd zijn of niet worden verdragen.

Bij volwassenen met de ziekte van Crohn, die onvoldoende respons op maximale inzet van corticosteroïden en immunosuppressiva hebben, is bij een deel van de patiënten adalimumab werkzaam gebleken in het bereiken en handhaven van een remissie. Het effect bij chronisch gebruik (> 56 weken) is nog niet bekend. Bij de ziekte van Crohn dient het gebruik van adalimumab te worden gereserveerd voor patiënten, die niet gereageerd hebben op een volledige en adequate behandeling met corticosteroïden en/of immunosuppressiva; of die dergelijke behandelingen niet verdragen of bij wie hiertegen een contra-indicatie bestaat. Voor inductiebehandeling zou adalimumab in combinatie met corticosteroïden gegeven moeten worden, tenzij corticosteroïden niet worden verdragen of wanneer behandeling met corticosteroïden niet aan de orde is. Adalimumab kan een remissie induceren bij een klein deel van de patiënten (21%) die eerder op infliximab reageerden, maar daarna dat niet langer deden of daar intolerant voor zijn geworden.

Adalimumab dient alleen te worden voorgeschreven door of op aanwijzing van een arts met ervaring in het voorschrijven van TNF-α-blokkerende middelen.

Verschillen in toedieningsvorm en/of –frequentie kunnen van invloed zijn op de keuze van het TNF-α-blokkerende middel.

Voor dit geneesmiddel is geen advies vastgesteld over de plaats in de medicamenteuze behandeling met adalimumab bij: axiale spondylartritis; hidradenitis suppurativa; uveïtis; kinderen ≥ 6 jaar met actieve enthesitis-gerelateerde artritis, kinderen van 6–17 jaar met de ziekte van Crohn en kinderen met plaquepsoriasis.

Indicaties

  • Matige tot ernstige actieve reumatoïde artritis bij volwassenen waarbij de respons op 'disease modifying antirheumatic drugs' (DMARD's) inclusief methotrexaat ontoereikend is gebleken. Behandeling van ernstige actieve en progressieve reumatoïde artritis bij volwassenen die niet eerder behandeld zijn met methotrexaat. Voor maximale werkzaamheid adalimumab in combinatie met methotrexaat gebruiken. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is kan adalimumab als monotherapie worden toegepast;
  • In combinatie met methotrexaat: actieve polyarticulaire juveniele idiopathische artritis, bij kinderen en adolescenten van 2–17 jaar die een ontoereikende respons hebben gehad op één of meerdere antireumatische middelen. Adalimumab kan als monotherapie worden gebruikt in geval van intolerantie voor methotrexaat of wanneer voortgezette behandeling met methotrexaat ongewenst is;
  • Actieve enthesitis-gerelateerde artritis bij patiënten vanaf 6 jaar die een ontoereikende respons hebben gehad op conventionele therapie of die conventionele therapie niet verdragen;
  • Ernstige spondylitis ankylopoetica bij volwassenen bij wie de respons op conventionele therapie onvoldoende was. Behandeling van ernstige axiale spondylartritis zonder röntgenologisch bewijs van spondylitis ankylopoetica, maar met objectieve tekenen van ontsteking door verhoogde CRP en/of MRI, bij volwassenen met een inadequate respons op of intolerantie zijn voor non-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s);
  • Actieve en progressieve artritis psoriatica bij volwassenen, bij wie de respons op eerdere DMARD-therapie onvoldoende is gebleken;
  • Matige tot ernstige plaquepsoriasis bij volwassenen met onvoldoende respons op, intolerantie of een contra-indicatie voor andere systemische therapie waaronder ciclosporine, methotrexaat of PUVA. Behandeling van ernstige chronische plaquepsoriasis bij kinderen en adolescenten ≥ 4 jaar met onvoldoende respons op, of die niet geschikt zijn voor, lokale behandeling en lichttherapie;
  • (Matig) ernstige, actieve ziekte van Crohn bij volwassenen of kinderen van 6 t/m 17 jaar met onvoldoende respons op een volledige en adequate behandeling met een primaire voedingstherapie (bij kinderen), corticosteroïd en/of immunosuppressivum; of die dergelijke behandelingen niet verdragen of bij wie hiertegen een contra-indicatie bestaat;
  • Matig tot ernstig actieve colitis ulcerosa bij volwassenen met onvoldoende reactie op, contra-indicatie voor of niet verdragen van conventionele therapie met inbegrip van corticosteroïden en azathioprine of 6-mercaptopurine;
  • Actieve matige tot ernstige hidradenitis suppurativa (HS, acne inversa) bij volwassenen met onvoldoende respons op conventionele systemische HS-behandeling;
  • Niet-infectieuze intermediaire of posterieure uveïtis of panuveïtis bij volwassenen die een ontoereikende respons hebben gehad op corticosteroïden, bij patiënten die minder corticosteroïden moeten gebruiken of voor wie een corticosteroïde behandeling niet geschikt is.

Dosering

  • Reumatoïde artritis:

    Volwassenen:

    40 mg s.c. eenmaal per 2 weken; in combinatie met methotrexaat. Glucocorticoïden, salicylaten, niet-steroïde anti-inflammatoire middelen of analgetica kunnen worden gecontinueerd.

    Bij gebruik zonder methotrexaat (monotherapie) kan bij afname van de respons de toedieningsfrequentie worden verhoogd tot 40 mg elke week.

    Bij onvoldoende reactie na 12 weken de behandeling zorgvuldig heroverwegen.

  • Polyarticulaire juveniele idiopathische artritis:

    Kinderen en adolescenten van 13 t/m 17 jaar:

    40 mg s.c. eenmaal per 2 weken; in combinatie met methotrexaat. Bij onvoldoende reactie na 12 weken de behandeling zorgvuldig heroverwegen.

    Kinderen 2–12 jaar:

    S.c. 24 mg/m² lichaamsoppervlakte, max. 20 mg (2–4 j.) of 40 mg (4–12 j.) eenmaal per 2 weken; in combinatie met methotrexaat. Bij onvoldoende respons na 12 weken de behandeling zorgvuldig heroverwegen.

  • Enthesitis-gerelateerde artritis:

    kinderen ≥ 6 j.

    S.c. 24 mg/m² lichaamsoppervlakte, max. 40 mg eenmaal per 2 weken.

  • Artritis psoriatica, spondylitis ankylopoetica en axiale spondylartritis:

    Volwassenen:

    40 mg s.c. eenmaal per 2 weken. Bij onvoldoende reactie na 12 weken de behandeling zorgvuldig heroverwegen.

  • Plaque psoriasis:

    Volwassenen:

    Begindosering 80 mg s.c., na een week gevolgd door 40 mg s.c. eenmaal per 2 weken. Bij onvoldoende reactie na 16 weken de behandeling zorgvuldig heroverwegen; eventueel verhogen naar 40 mg s.c. 1×/week, als de respons voldoende is de frequentie weer verlagen naar eenmaal per 2 weken.

    Kinderen ≥ 4 jaar:

    Begindosering 0,8 mg/kg lichaamsgewicht (maximaal 40 mg) s.c, na een week dezelfde dosis eenmaal per 2 weken. Bij onvoldoende respons na 16 weken de behandeling zorgvuldig heroverwegen. De dosering op basis van gewicht: 13–16 kg: 10 mg; 17–22 kg: 15 mg; 23–28 kg: 20 mg; 29–34 kg: 25 mg; 35–40 kg: 30 mg; 41–46 kg: 35 mg; > 47 kg: 40 mg.

  • Ziekte van Crohn:

    Volwassenen, kinderen 6 t/m 17 jaar en > 40 kg lichaamsgewicht:

    Schema inductiedosering: in week 0: 80 mg s.c. (als 2 injecties op 1 dag of als 1 injectie/dag op 2 opeenvolgende dagen), en in week 2: 40 mg. Wanneer een snellere respons noodzakelijk is kan een dubbele dosis gegeven worden (160 mg in eens, of twee dagen 1× 80 mg/dag, gevolgd door 80 mg na 2 weken).

    Onderhoudsdosering: 40 mg s.c. eenmaal per twee weken. Bij onvoldoende respons kan de toedieningsfrequentie worden verhoogd naar 40 mg elke week. Bij onvoldoende reactie na 12 weken, de behandeling zorgvuldig heroverwegen. Eventuele herbehandeling is mogelijk; met herbehandeling na 8 weken na de laatste dosis is weinig ervaring. Tijdens de onderhoudsbehandeling kan de behandeling met corticosteroïden volgens klinische richtlijnen geleidelijk worden afgebouwd.

    Kinderen 6 t/m 17 jaar en < 40 kg lichaamsgewicht:

    Schema inductiedosering: in week 0: 40 mg s.c. en in week 2: 20 mg. Wanneer een snellere respons noodzakelijk is kan een dubbele dosis gegeven worden (80 mg als 2 injecties op 1 dag) in week 0, gevolgd door 40 mg in week 2).

    Onderhoudsdosering: 20 mg s.c. eenmaal per twee weken. Bij onvoldoende respons kan de toedieningsfrequentie worden verhoogd naar 20 mg elke week. Heroverweeg de behandeling indien in week 12 nog geen respons wordt vertoond.

  • Colitis ulcerosa:

    Volwassenen:

    Schema inductiedosering: in week 0: 160 mg s.c. (als 4 injecties op 1 dag of als 2 injecties/dag op 2 opeenvolgende dagen), en in week 2: 80 mg. Onderhoudsdosering is 40 mg s.c. eenmaal per twee weken, bij een verminderde respons eventueel verhogen naar 40 mg subcutaan elke week. Gewoonlijk wordt een klinische respons binnen 2–8 weken bereikt, bij geen respons de behandeling niet voortzetten. Tijdens de onderhoudsbehandeling kan de behandeling met corticosteroïden volgens klinische richtlijnen geleidelijk worden afgebouwd.

  • Hidradenitis suppurativa:

    Volwassenen:

    Begindosering: 160 mg op dag 1 (4×40 mg op één dag, of 2×40 mg op twee achtereenvolgende dagen), gevolgd door 80 mg op dag 15. Daarna 40 mg op dag 29, vervolgens 1×/week 40 mg. Als in week 12 nog geen respons optreedt de behandeling heroverwegen. Als onderbreking nodig is, de behandeling opnieuw starten met 40 mg/week.

  • Uveïtis:

    Volwassenen:

    Begindosering: 80 mg, gevolgd door 40 mg eenmaal per twee weken vanaf één week na de aanvangsdosis. Er is relatief weinig ervaring met het beginnen van behandeling met uitsluitend adalimumab. Behandeling kan begonnen worden in combinatie met corticosteroïden en/of andere niet-biologische immunomodulerende middelen. Corticosteroïden die gelijktijdig worden toegediend, kunnen worden afgebouwd overeenkomstig de klinische praktijk, te beginnen twee weken na aanvang van de behandeling met adalimumab. Heroverweeg jaarlijks de voortzetting van de behandeling.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): luchtweginfecties (waaronder lagere en hogere luchtweginfecties; zoals. pneumonie, sinusitis, faryngitis, nasofaryngitis en virale herpes pneumonie). Hoofdpijn. Buikpijn, misselijkheid en braken. (Schilferende) huiduitslag. Spierpijn. Leukopenie (waaronder neutropenie en agranulocytose), anemie. Verhoogde lipiden, stijging van leverenzymwaarden. Reacties op de injectieplaats.

Vaak (1-10%): systemische infecties (waaronder sepsis, candidiasis en influenza), intestinale infecties (waaronder virale gastro-enteritis), huid- en onderhuidinfecties (waaronder paronychia, cellulitis, impetigo, fasciitis necroticans en herpes zoster), oorontstekingen, orale infecties (waaronder herpes simplex, orale herpes en tandvleesinfecties), genitale infecties, urineweginfecties (waaronder pyelonefritis), schimmelinfecties, gewrichtsinfecties. Benigne neoplasma, huidkanker (met uitzondering van melanoom) wel bv. basaalcelcarcinoom en epitheelcelcarcinoom. Trombocytopenie, leukocytose. Hypersensitiviteit, allergieën. Dehydratie, hypokaliëmie, verhoogde waarden urinezuur, afwijkende waarde natrium in bloed, hypocalciëmie, hyperglykemie, hypofosfatemie. Stemmingswisselingen (waaronder depressie), angst, slapeloosheid. Paresthesieën (waaronder hypo-esthesie), migraine, zenuwwortelcompressie. Visusstoornis, conjunctivitis, blefaritis, oogzwelling. Draaiduizeligheid. Tachycardie. Hypertensie, blozen. Hoesten, astma, dyspneu. Maag-darmbloeding, dyspepsie, reflux-oesofagitis, siccasyndroom. Recidief of verergering psoriasis, jeuk, urticaria, blauwe plekken, dermatitis (waaronder eczeem), breken van de nagels, overmatig zweten, alopecia. Spierspasmen (waaronder verhoging van de hoeveelheid creatinekinase in het bloed). Hematurie, gestoorde nierfunctie. Pijn op de borst, oedeem, koorts. Stollings- en bloedingsstoornissen (waaronder verlengde APTT), positieve test op auto-antilichamen (waaronder antilichamen tegen dubbelstrengs DNA), verhoogde waarden lactaatdehydrogenase in het bloed.

Soms (0,1-1%): opportunistische infecties en tuberculose (waaronder coccidioïdomycose, histoplasmose en MAC-infectie (Mycobacterium avium complex)), neurologische infecties (waaronder virale meningitis), ooginfecties, bacteriële infecties, diverticulitis. Lymfoom, solide tumoren (waaronder borstkanker, longkanker en schildklierkanker), melanoom. Idiopathische trombocytopenische purpura. Sarcoïdose, vasculitis. Dubbel zien, doofheid, oorsuizen. Aritmieën, congestief hartfalen, myocardinfarct, aneurysma aortae, bloedvatafsluiting, tromboflebitis. CVA, tremor, neuropathie. COPD, interstitiële longaandoeningen, pneumonitis, longembolie, pleurale effusie. Slikklachten, zwelling van het gezicht. Cholecystitis en cholelithiasis, verhoogde waarden bilirubine, hepatische steatose. Pancreatitis. Nachtzweten. Rabdomyolyse. Systemische lupus erythematodes. Nycturie. Erectiele disfunctie.

Zelden (0,01-0,1%): hartstilstand. Anafylaxie, angio-oedeem. Reactivatie van hepatitis B (mogelijk fataal), ernstige leverreacties waaronder (auto-immuun) hepatitis. Pancytopenie. Multipele sclerose, demyeliniserende aandoeningen (bv. neuritis optica, Guillain-Barrésyndroom). Pulmonale fibrose. Intestinale perforatie. (Cutane) vasculitis, erythema multiforme, Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), lupus-achtig syndroom. Leukemie.

Verder zijn gemeld: diverticulitis. Leverfalen. Verergering van symptomen van dermatomyositis. Hepatosplenisch T-cellymfoom, Merkel-celcarcinoom.

Interacties

Er zijn aanwijzingen dat gelijktijdige toediening van methotrexaat de vorming van antilichamen tegen adalimumab vermindert en de plasmaconcentratie van adalimumab verhoogt. Gelijktijdige toediening van andere biologische DMARD's (bv. anakinra, abatacept) met TNF-α-blokkerende middelen wordt afgeraden, vanwege een toename van de kans op ernstige infecties en neutropenie.

Bij combinatie met azathioprine/6-mercaptopurine bij volwassenen met de ziekte van Crohn zijn hogere incidenties van maligne en ernstige infectiegerelateerde bijwerkingen gezien dan met alleen adalimumab.

Pasgeborenen van moeders die adalimumab gebruiken of hebben gebruikt niet vaccineren met levend verzwakte vaccins tot minimaal 5 maanden na de laatste toediening aan de moeder.

Zwangerschap

Adalimumab passeert de placenta.
Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid.
Farmacologisch effect: Gebruik door de moeder kan invloed hebben op de normale immunoresponsen bij de pasgeborene.
Advies: Gebruik ontraden.
Overige: Adviseer een vruchtbare vrouw om adequate anticonceptieve maatregelen te nemen gedurende en tot ten minste vijf maanden na de laatste behandeling met adalimumab.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend. Humane immunoglobulinen worden gewoonlijk in de moedermelk uitgescheiden.
Advies: Minstens vijf maanden geen borstvoeding geven na behandeling met adalimumab.

Contra-indicaties

  • sepsis of risico van sepsis;
  • actieve tuberculose;
  • andere ernstige actieve infecties, met inbegrip van chronische of lokale infecties;
  • matig tot ernstig hartfalen (NYHA-klasse III/IV).

Waarschuwingen en voorzorgen

Patiënten met anti-TNF therapie zijn vatbaarder voor ernstige infecties. Een verminderde longfunctie vermeerdert de kans op het ontwikkelen van infecties. Voorzichtigheid in acht nemen bij een voorgeschiedenis van recidiverende infecties of bij onderliggende aandoeningen die een predispositie voor infecties kunnen vormen (waaronder een verminderde longfunctie). Bij ouderen (> 65 j.) komen ernstige (soms fatale) infecties vaker voor. Vóór, tijdens én tot en met vijf maanden na de behandeling met adalimumab zorgvuldig controleren op infecties, waaronder tuberculose (TBC). Profylactische anti-tuberculose therapie (voor begin van de behandeling met adalimumab) overwegen bij latente of actieve TBC in de voorgeschiedenis waarvan niet zeker is of deze adequaat is behandeld en ook bij de aanwezigheid van meerdere of significante risicofactoren voor TBC en een negatieve uitslag op de test voor latente TBC. Bij blootstelling aan TBC en na het reizen in gebieden met meer kans op TBC of endemische mycosen (zoals histoplasmose, coccidioïdomycose of blastomycose), het risico en de baten van behandeling met adalimumab afwegen, alvorens de therapie te initiëren. Ondanks adequate (profylactische) behandeling kan reactivatie van TBC optreden tijdens behandeling met adalimumab. Bij ontwikkeling van ernstige infecties, sepsis of vermoeden van acute TBC de behandeling staken. De toediening van adalimumab onmiddellijk staken bij de verdenking op een invasieve schimmelinfectie (zoals bij tekenen en symptomen van koorts, malaise, gewichtsverlies, zweten, hoesten, dyspneu en/of pulmonale infiltraten) of andere ernstige systemische ziekte al dan niet gepaard gaand met shock, en een geschikte (antischimmel)therapie starten. Risicopatiënten screenen op hepatitis B voor aanvang van de behandeling. Bij reactivering hepatitis B de behandeling staken; dragers van het virus die behandeling met adalimumab nodig hebben zorgvuldig monitoren op symptomen van actieve ziekte.

Een mogelijke kans op ontwikkeling van lymfomen, waaronder hepatosplenisch T-cellymfoom, leukemie of andere hematopoëtische of vaste maligniteiten door behandeling met adalimumab kan niet worden uitgesloten; wees met name voorzichtig bij COPD en zware rokers vanwege een extra toegenomen kans op maligniteiten. Langdurige behandeling met adalimumab kan het risico van het ontstaan van neoplasmata vergroten. Patiënten – in het bijzonder bij een voorgeschiedenis van behandeling met immunosuppressiva of PUVA – voor en tijdens de behandeling met adalimumab controleren op aanwezigheid van niet melanotische huidkanker. Patiënten met colitis ulcerosa en meer kans op dysplasie (bv. het voorkomen er van in de voorgeschiedenis) of coloncarcinoom regelmatig controleren op dysplasie.

Wees voorzichtig bij demyeliniserende aandoeningen van het centrale zenuwstelsel (waaronder multiple sclerose, optische neuritis) en perifere demyeliniserende aandoeningen, waaronder Guillain-Barrésyndroom en bij mild hartfalen (NYHA-klasse I/II). Bij uitbreiding of verergering van de symptomen de toediening staken.

Tijdens de behandeling kunnen auto-immuunantilichamen zich ontwikkelen; de klinische betekenis hiervan is nog onbekend. Bij optreden van een lupusachtig syndroom in combinatie met anti-DNA-antilichamen de behandeling staken.

Gebrek aan respons op behandeling voor de ziekte van Crohn kan wijzen op een gefixeerde fibrotische vernauwing van de dunne darm, waarvoor operatieve behandeling noodzakelijk is.

Het gebruik van adalimumab bij kinderen < 2 j. is niet onderzocht. De veiligheid en effectiviteit bij hidradenitis suppurativa bij jongeren van 12-17 jaar zijn niet vastgesteld.

Eigenschappen

Adalimumab remt tumor-necrose-factor-alfa (TNF-α), een belangrijk cytokine in de pathogenese van inflammatoire aandoeningen. Uit in vitro onderzoek is gebleken dat de productie van TNF-α verhoogd is in de gewrichten van patiënten met reumatoïde artritis. Adalimumab bindt specifiek aan TNF en neutraliseert de biologische werking door de interactie met p55- en p75- TNF-receptoren aan het celoppervlak te blokkeren.

Kinetische gegevens

Resorptielangzaam vanuit de s.c. injectieplaats.
Fca. 64%.
T maxna 5 dagen.
V d(steady-state) 0,07–0,09 l/kg.
T 1/2elca. 2 weken.
  • Uitleg afkortingen
    F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
    T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
    V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
    T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
    T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd