Samenstelling

ArixtraGlaxoSmithKline bv
(Na-zout)
Toedieningsvorm
Oplossing voor injectie
Sterkte
5 mg/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,3 ml, wegwerpspuit 0,5 ml
Toedieningsvorm
Sterkte
Verpakkingsvorm
ArixtraGlaxoSmithKline bv
(Na-zout)
Oplossing voor injectie5 mg/mlwegwerpspuit 0,3 ml, wegwerpspuit 0,5 ml
  • Uitleg symbolen
    Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS).
    Over the counter, dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel. Aan de vergoeding van bepaalde zelfzorgmedicatie zijn nadere voorwaarden verbonden. Deze zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
    Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op de indicaties, de duur van de behandeling en het voorschrijven volgens een richtlijn/protocol.
    Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

In het algemeen is fondaparinux bij de preventie van veneuze trombo-embolie even effectief als de laagmoleculaire heparinen. Een nadeel van fondaparinux is het niet kunnen couperen van bloedingen. Voorzichtigheid is geboden bij ouderen.

Voor fondaparinux voor de behandeling van acute symptomatische spontane oppervlakkige veneuze trombose en voor instabiele angina of myocardinfarct met of zonder ST–elevatie is geen advies vastgesteld over de plaats in de medicamenteuze behandeling.

Indicaties

Preventie van veneuze trombo-embolie (VTE) bij volwassenen bij een belangrijke orthopedisch operatieve ingreep aan de onderste ledematen zoals een ingreep voor een heupfractuur, heupprothese of een ingrijpende knieoperatie. Preventie van VTE bij volwassen patiënten die een abdominale operatieve ingreep ondergaan en die meer kans hebben op trombo-embolische complicaties, zoals patiënten die de behandeling wegens een maligniteit ondergaan. Preventie van VTE bij volwassen patiënten bij wie veel kans op VTE bestaat en die geïmmobiliseerd zijn vanwege een acute ziekte zoals hartinsufficiëntie en/of acute ademhalingsstoornissen, en/of acute infectieuze of inflammatoire ziekte. Behandeling van instabiele angina (IA) of myocardinfarct zonder ST–elevatie (non–STEMI) bij volwassenen voor wie een urgente percutane coronaire interventie (PCI) niet is geïndiceerd. Behandeling van myocardinfarct met ST–elevatie (STEMI) bij volwassenen die trombolytica krijgen of aanvankelijk geen andere vorm van reperfusietherapie krijgen. Behandeling van volwassenen met acute symptomatische spontane oppervlakkige veneuze trombose van de onderste ledematen van ten minste 5 cm lang, zonder bijkomende diepveneuze trombose.

Dosering

  • Preventie VTE, postoperatief:

    de eerste injectie niet eerder dan 6 uur na het sluiten van de wond, mits hemostase is bereikt: 2,5 mg diep subcutaan 1×/dag totdat de patiënt ambulant is, maar gedurende ten minste 5 tot 9 dagen. Bij patiënten die een ingreep voor heupfractuur ondergaan kan de kans op VTE langer dan 9 dagen na de operatie bestaan; bij deze patiënten kan de behandelduur met 24 dagen worden verlengd. Bij ernstige tot matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring 20–50 ml/min) de dosis reduceren tot 1,5 mg 1×/dag.

  • Bij veel kans op trombo-embolische complicaties:

    2,5 mg diep subcutaan 1×/dag gedurende 6 tot 14 dagen.

  • Behandeling van instabiele angina of myocardinfarct zonder ST–elevatie (non–STEMI):

    Volwassenen:

    2,5 mg diep subcutaan 1×/dag zo spoedig mogelijk na diagnose beginnen en gedurende maximaal 8 dagen of tot ontslag uit het ziekenhuis. Indien toch PCI nodig is, fondaparinux stoppen tijdens PCI (vervangen door heparine) en ten minste 2 uur na verwijderen van de katheterschacht fondaparinux weer toedienen. Bij patiënten die coronair arterie 'bypass-graft' (CABG) moeten ondergaan, indien mogelijk fondaparinux 24 uur voorafgaand aan de operatie staken; 48 uur na de operatie kan fondaparinux worden hervat.

  • Behandeling van myocardinfarct met ST–elevatie (STEMI):

    Volwassenen:

    eenmalig 2,5 mg intraveneus vervolgens 2,5 mg diep subcutaan 1×/dag zo spoedig mogelijk na diagnose beginnen en gedurende maximaal 8 dagen of tot ontslag uit het ziekenhuis. Indien PCI nodig is, fondaparinux vóór en tijdens PCI stoppen (vervangen door heparine) en ten minste 3 uur na verwijdering van de katheterschacht fondaparinux weer toedienen. Bij patiënten die coronair arterie 'bypass-graft' (CABG) moeten ondergaan, indien mogelijk fondaparinux 24 uur voorafgaand aan de operatie staken; 48 uur na de operatie kan fondaparinux worden hervat.

  • Behandeling van oppervlakkige veneuze trombose:

    2,5 mg diep subcutaan 1×/dag gedurende minimaal 30 dagen, bij patiënten met veel kans op trombo–embolische complicaties tot maximaal 45 dagen. Indien bij deze patiënten een operatie of invasieve ingreep nodig is, 24 uur vóór de ingreep geen fondaparinux toedienen. Na de ingreep minimaal 6 uur wachten met toedienen, op voorwaarde dat hemostase is bereikt. Bij ernstige tot matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring 20–50 ml/min) de dosis reduceren tot 1,5 mg 1×/dag.

Indien de behandeling wordt voortgezet met (laagmoleculair) heparine, de eerste injectie in het algemeen één dag na de laatste fondaparinuxinjectie toedienen. Indien een vervolgbehandeling met een vitamine K-antagonist nodig is, de behandeling met fondaparinux voortzetten totdat de gewenste INR-waarde is bereikt.

De subcutane injectie toedienen terwijl de patiënt ligt en de injectieplaats afwisselen tussen de linker en rechter antero- en posterolaterale buikwand.

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): anemie, bloeding (bloedneus, tandvleesbloeding, hematurie, hemoptoë, hematoom, zelden intracranieel of retroperitoneaal), postoperatieve bloeding.

Soms (0,1-1%): trombocytopenie, trombocytemie, abnormale bloedplaatjes, purpura. Misselijkheid, braken, stijging van leverenzymwaarden, abnormale leverfunctie. Huiduitslag, jeuk. (Perifeer) oedeem, koorts, wondafscheiding.

Zelden (0,01-0,1%): allergische reactie (waaronder zeer zeldzame meldingen van angio–oedeem, anafylactische/anafylactoïde reacties). Postoperatieve wondinfectie. Angst, verwardheid, slaperigheid, hoofdpijn, (draai–)duizeligheid. Hypotensie. Pijn op de borst, vermoeidheid, opvliegers, pijn in het been, genitaal oedeem, blozen, syncope. Dyspneu, hoesten. Dyspepsie, gastritis, obstipatie, diarree, bilirubinemie. Hypokaliëmie.

Verder bij IA/non–STEMI of STEMI: atriumfibrilleren, ventriculaire tachycardie.

Interacties

Bij gebruik ter preventie van VTE niet gelijktijdig toepassen met middelen die een groter bloedingsrisico veroorzaken zoals fibrinolytica, GPIIb/IIIa-receptorantagonisten, (laagmoleculaire) heparine, heparinoïden; ter behandeling van oppervlakkige veneuze trombose of instabiele angina of myocardinfarct met of zonder ST–elevatie de combinatie alleen met voorzichtigheid toepassen. Voorzichtigheid is tevens geboden bij gelijktijdig gebruik van andere plaatjesremmers of NSAID's.

Zwangerschap

Teratogenese: Zowel bij de mens als bij dieren, onvoldoende gegevens.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Lactatie

Overgang in moedermelk: Onbekend (bij de mens), ja (bij dieren).
Advies: Alhoewel orale absorptie bij het kind onwaarschijnlijk is, wordt het geven van borstvoeding ontraden.

Contra-indicaties

Actieve klinisch significante bloeding. Acute bacteriële endocarditis. Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 20 ml/min).

Waarschuwingen en voorzorgen

Voorzichtig bij een groter bloedingsrisico zoals bij ouderen (verminderde nierfunctie), congenitale of verworven bloedingsstoornissen (bv. plaatjesaantal < 50.000/mm³), een actieve ulcererende maag-darmbloeding, recente intracraniële bloeding of kort na een hersen-, ruggenmerg- of oogoperatie. Bij preventie van VTE en voor de behandeling van IA/non–STEMI en STEMI tevens voorzichtig bij: lichaamsgewicht < 50 kg (afnemende uitscheiding met het gewicht), ernstige leverinsufficiëntie (deficiëntie in bloedstollingsfactoren) vanwege een toegenomen bloedingsrisico. Voor de preventie van VTE voorzichtig toepassen bij matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 50 ml/min) en bij IA/non–STEMI of STEMI bij creatinineklaring van 20–30 ml/min. Overweeg controle van de bloedplaatjes aan het begin en het eind van de behandeling, vooral bij een vervolgtherapie met (laagmoleculair) heparine. Bij gebruik van spinale/epidurale anesthesie of spinale punctie tijdens behandeling is er kans op epidurale of spinale hematomen met het risico van langdurige of permanente verlamming. Er is meer kans op deze complicaties bij gebruik van post-operatieve epidurale verblijfskatheter of gelijktijdig gebruik van andere geneesmiddelen die de hemostase beïnvloeden. Ter behandeling van acute symptomatische spontane oppervlakkige veneuze trombose is de veiligheid en werkzaamheid van fondaparinux niet vastgesteld bij oppervlakkige veneuze trombose binnen 3 cm van de saphenofemorale verbinding, veneuze trombose na sclerotherapie, of door een complicatie van een intraveneuze lijn; tevens zijn er geen gegevens over het gebruik bij patiënten met oppervlakkige veneuze trombose in de afgelopen 3 maanden, veneuze trombo–embolische ziekte in de afgelopen 6 maanden, een bijkomende diepveneuze trombose (DVT), een actieve vorm van kanker, een ernstige leverinsufficiëntie of een lichaamsgewicht < 50 kg. De beschermkap van de injectiespuit bevat rubber en kan aanleiding geven tot een allergische reactie bij patiënten die overgevoelig zijn voor latex. De veiligheid en werkzaamheid bij leeftijd < 17 jaar is niet onderzocht.

Overdosering

Neem voor informatie over een vergiftiging met fondaparinux contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Selectieve remmer van geactiveerd factor X (Xa). Door selectieve binding aan antitrombine III (ATIII) potentieert het (ca. 300×) de intrinsieke neutralisatie van factor Xa door ATIII. De neutralisatie van factor Xa onderbreekt de bloedstollingscascade en remt zowel de trombinevorming als de trombusformatie. Fondaparinux inactiveert trombine (geactiveerd factor II) niet en heeft geen effect op de bloedplaatjes. Het heeft geen effect op de routine coagulatietesten zoals geactiveerde partiële tromboplastinetijd (aPTT), geactiveerde stollingstijd (ACT) of protrombinetijd (PT)/International Normalised Ratio (INR)-testen in plasma, noch op bloedingstijd of fibrinolytische activiteit.

Kinetische gegevens

Resorpties.c. volledig.
OverigF = 100%.
T maxs.c. ca. 2 uur.
V d0,1–0,2 l/kg.
Metaboliseringgeen aanwijzingen voor metabolisering of actieve metabolieten.
Eliminatie64–77% onveranderd met de urine.
T 1/2el17 uur bij gezonde, jonge personen; 21 uur bij gezonde ouderen; 29 uur bij matig verminderde nierfunctie (creatinineklaring 30–50 ml/min); 72 uur bij ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min).
  • Uitleg afkortingen
    F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
    T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
    V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
    T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
    T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd