Samenstelling

AvonexBiogen Idec International bv
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
60 microg/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,5 ml (6 milj. IE), pen 0,5 ml (6 milj. IE)
Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Sterkte
30 microg/ml
Verpakkingsvorm
met solvens (water voor injectie) 1 ml (6 milj. IE)
RebifMerck bv
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
44 microg/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,5 ml (6 milj. IE), patroon 1,5 ml, startverpakking
Bevat per verpakking: 6 wegwerpspuiten 8,8 microg/0,2 ml (2,4 milj. IE) + 6 wegwerpspuiten 22 microg/0,5 ml (6 milj. IE).
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
88 microg/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,5 ml (12 milj. IE), patroon 1,5 ml, startverpakking
Bevat per verpakking: 3 wegwerpspuiten 8,8 microg/0,1 ml (2,4 milj. IE) + 3 wegwerpspuiten 22 microg/0,25 ml (6 milj. IE). De injectievloeistoffen bevatten benzylalcohol.
Toedieningsvorm
Sterkte
Verpakkingsvorm
AvonexBiogen Idec International bv
Injectievloeistof60 microg/mlwegwerpspuit 0,5 ml (6 milj. IE), pen 0,5 ml (6 milj. IE)
Poeder voor injectievloeistof30 microg/mlmet solvens (water voor injectie) 1 ml (6 milj. IE)
RebifMerck bv
Injectievloeistof44 microg/mlwegwerpspuit 0,5 ml (6 milj. IE), patroon 1,5 ml, startverpakking
Bevat per verpakking: 6 wegwerpspuiten 8,8 microg/0,2 ml (2,4 milj. IE) + 6 wegwerpspuiten 22 microg/0,5 ml (6 milj. IE).
Injectievloeistof88 microg/mlwegwerpspuit 0,5 ml (12 milj. IE), patroon 1,5 ml, startverpakking
Bevat per verpakking: 3 wegwerpspuiten 8,8 microg/0,1 ml (2,4 milj. IE) + 3 wegwerpspuiten 22 microg/0,25 ml (6 milj. IE). De injectievloeistoffen bevatten benzylalcohol.
  • Uitleg symbolen
    Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS).
    Over the counter, dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel. Aan de vergoeding van bepaalde zelfzorgmedicatie zijn nadere voorwaarden verbonden. Deze zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
    Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op de indicaties, de duur van de behandeling en het voorschrijven volgens een richtlijn/protocol.
    Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Voor interferon β is aangetoond dat het bij ambulante patiënten met 'relapsing remitting' multipele sclerose de frequentie en de ernst van de exacerbaties vermindert. Gepleit wordt voor een zorgvuldige toepassing van interferon β bij multipele sclerose, omdat de effecten op het ziekteverloop onvoldoende bekend zijn en de kosten hoog. Van interferon β-1a bestaan twee producten. Bij equivalente dosering (IE) is de biologische beschikbaarheid van interferon β-1a na subcutane of intramusculaire toediening gelijk. Op basis hiervan spreekt de Commissie geen voorkeur uit voor één van de twee preparaten. Interferon β-1a kan de progressie van de invaliditeit vertragen.

Voor interferon β-1a is voor toepassing na een enkele periode van demyelinisatie bij een toegenomen kans op ontwikkeling van klinisch definitieve multipele sclerose geen advies vastgesteld, over de plaats in de medicamenteuze behandeling.

Aan de vergoeding van interferon β zijn voorwaarden verbonden, zie Besluit zorgverzekering en Regeling zorgverzekering, Bijlage 2, horende bij de Regeling zorgverzekering achter punt 27.

Indicaties

Multipele sclerose:

Avonex:
  • 'Relapsing remitting' multipele sclerose (RRMS), gekenmerkt door ten minste twee exacerbaties gedurende de voorafgaande drie jaar, zonder aanwijzingen voor continue progressie tussen de exacerbaties in.
  • Een enkele periode van demyelinisatie met een actief ontstekingsproces, dat ernstig genoeg is om behandeling met intraveneuze corticosteroïden te rechtvaardigen, waarbij alternatieve diagnosen zijn uitgesloten en wanneer is vastgesteld dat de kans op de ontwikkeling van klinisch definitieve multipele sclerose is toegenomen.
Rebif:
  • RRMS, gekenmerkt door ten minste twee exacerbaties in de afgelopen twee jaar.
  • Een enkele periode van demyelinisatie met een actief ontstekingsproces, waarbij andere diagnosen zijn uitgesloten en wanneer is vastgesteld dat de kans op het ontwikkelen van klinisch definitieve multipele sclerose is toegenomen.

Dosering

Vóór injectie van Avonex of Rebif en 24 uur erna een antipyretisch analgeticum toedienen om de bijwerking griepachtige verschijnselen te verminderen.

De optimale behandelduur is nog niet vastgesteld. Ten minste om de 2 jaar beoordelen of behandeling moet worden voortgezet.

  • Multipele sclerose:

    Volwassenen en kinderen > 16 jaar:

    Avonex: i.m.: aanbevolen dosering: 30 microg (6 milj. IE) 1×/week. Titratie: om de ernst van de griepachtige bijwerkingen te verminderen starten met 1/4 dosis en deze telkens met 1/4 dosis/week te verhogen tot 30 microg 1×/week na 4 weken. Eventueel kan gestart worden met 15 microg (3 milj. IE) 1×/week. De injectieplaats dient iedere week te worden gewisseld.

    Volwassenen en kinderen > 12 jaar:

    Rebif: s.c.: begindosering week 1 en 2: 8,8 microg (2,4 milj. IE) 3×/week; week 3 en 4: 22 microg (6 milj. IE) 3×/week; vanaf week 5: aanbevolen dosering: 44 microg (12 milj. IE) 3×/week. Indien patiënten volgens de behandelend arts deze dosering niet verdragen: een lagere dosis van 22 microg (6 milj. IE) 3×/week. Bij elke toediening een andere injectieplaats kiezen.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): leukopenie, lymfopenie, anemie, neutropenie, trombocytopenie, voorbijgaand griepachtig beeld met algehele malaise (bij 70% binnen 6 mnd.), reacties of ontsteking op de injectieplaats (bij 30%), hoofdpijn, asymptomatische transaminase verhoging.

Vaak (1-10%): pijn op de injectieplek, koorts, ernstige toename aminotransferasen, rillingen, transpiratie, artralgie, spierpijn/spasmen, nekpijn, rugpijn, moeheid, rigor, jeuk, huiduitslag, alopecia, diarree, overgeven, misselijkheid, depressie, slapeloosheid, gebrek aan eetlust, hypo-esthesie, blozen.

Soms (0,1-1%): necrose, abces, infectie of knobbel op de injectieplek, meer zweten, schildklierfunctiestoornis, hepatitis met of zonder geelzucht, toevallen, retinaal vasculaire aandoening, dyspneu, trombo-embolie, urticaria, metrorragie, menorragie.

Zelden: anafylactische reactie, nefrotisch syndroom, glomerulosclerose. Trombotische microangiopathie waaronder (fataal) trombotische trombocytopenische purpura/hemolytisch uremisch syndroom, pancytopenie, leverfalen, poging tot zelfmoord, angio-oedeem, op erythema multiforme gelijkende huidreactie, lupus erythematosus, Stevens-Johnsonsyndroom, cellulitis op de injectieplaats.

Verder: voorbijgaande neurologische symptomen (als paresthesie, moeilijkheden met lopen), cardiomyopathie, toename van psoriasis. Ernstige leverbeschadiging kan optreden (net als bij andere interferon β's) vooral in de eerste zes maanden. Verder zijn interferonen in verband gebracht met duizeligheid, angst, hartkloppingen, pijn op de borst, vaatverwijding, psychose, migraine, aritmieën, hartfalen. Pulmonale arteriële hypertensie. Toename in de aanmaak van autoantilichamen. Voorbijgaande verhoging van kalium en ureum.

Interacties

Op grond van de reductie van CYP-afhankelijke enzymen is voorzichtigheid geboden bij combinatie met geneesmiddelen met een smalle therapeutische breedte die door dit enzym worden gemetaboliseerd zoals anti-epileptica.

Zwangerschap

Farmacologisch effect: Vanwege meer kans op een spontane abortus is starten van de behandeling tijdens de zwangerschap gecontra-indiceerd.
Advies: Bij patiënten met een hoge relapsfrequentie die tijdens de behandeling zwanger (willen) worden, het risico van een ernstige relaps na staken afwegen tegen de toegenomen kans op spontane abortus.
Overige: Een vruchtbare vrouw dient adequate anticonceptieve maatregelen te nemen vanwege de mogelijk abortieve eigenschappen van interferon β.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend.
Advies: Gebruik ontraden of tijdens gebruik geen borstvoeding geven.

Contra-indicaties

  • overgevoeligheid voor een natuurlijk of recombinant interferon β of humaan albumine;
  • ernstige depressie en/of zelfmoordneiging.

Waarschuwingen en voorzorgen

Het gebruik van interferon β-1a samen met andere immunomodulatoren dan corticosteroïden of ACTH is vanwege de geringe klinische ervaring niet aan te raden.

Controle van de leverfunctie (ALAT-waarde), bloedplaatjes en volledig en gedifferentieerd aantal bloedcellen is aanbevolen aan het begin van de behandeling, na 1, 3 en 6 maanden en daarna periodiek; wanneer wordt begonnen met Rebif 44 is een frequentere controle aanbevolen.

Wees voorzichtig bij leveraandoeningen (in anamnese, alcoholmisbruik, verhoogd ALAT (> 2½× ULN), ernstige nierfunctiestoornis, eerdere depressie met name bij antecedenten als zelfmoordneiging, (anamnese van) epilepsie (met name die onvoldoende reageert op de behandeling), beenmergdepressie in de anamnese en hartstoornissen. Bij geelzucht of andere klinische symptomen van leverfunctiestoornissen de behandeling staken.

In het begin van de behandeling de schildklierfunctie controleren; indien deze afwijkend is deze elke 6–12 maanden blijven controleren.

Circa 24% ontwikkelt na 24–48 maanden met Rebif, blijvende serumantilichamen; dat is in verband gebracht met een verminderde invloed op klinische en MRI-parameters. Uit gegevens tot twee jaar lijkt 8% bij gebruik van Avonex, antilichamen te ontwikkelen.

Bij klinische kenmerken van trombotische microangiopathie (TMA) testen op bloedplaatjesniveau, serum serumlactaatdehydrogenase (LDH), bloeduitstrijkjes en nierfunctie. Vroege klinische kenmerken van TMA zijn trombocytopenie, nieuw ontstane hypertensie, koorts, symptomen van het centrale zenuwstelsel (bv. verwardheid en parese) en verminderde nierfunctie. Bij optreden van TMA de behandeling direct staken en TMA snel behandelen (eventueel met plasma-uitwisseling). Laboratoriumbevindingen die wijzen op TMA; verlaagde trombocytentelling, verhoogd LDH en schistocyten op een bloeduitstrijkje.

Met name bij patiënten met meer kans op nierziekte, periodiek controleren op vroege symptomen van nefrotisch syndroom (oedeem, proteïnurie en verminderde nierfunctie). Bij optreden van nefrotisch syndroom overwegen de behandeling te staken en snel behandelen.

Gegevens over veiligheid en werkzaamheid zijn bekend over een behandelperiode langer dan 4 jaar (Avonex). Bij niet-ambulante patiënten zijn er over de veiligheid en werkzaamheid beperkt gegevens. De werkzaamheid is niet aangetoond bij secundair progressieve multipele sclerose (SPMS) zonder manifeste relaps activiteit; als een progressieve vorm van MS ontstaat de behandeling staken. Rebif niet toepassen bij primair progressieve multipele sclerose vanwege het ontbreken van onderzoeksgegevens. Avonex niet toepassen bij kinderen jonger dan 12 jaar vanwege beperkte ervaring; bij jongeren tussen 12–16 j. is de veiligheid en werkzaamheid onvoldoende vastgesteld en is er geen dosisaanbeveling. Rebif niet toepassen bij kinderen jonger dan 2 jaar vanwege beperkte ervaring; bij jongeren tussen 2–16 j. is de veiligheid en werkzaamheid onvoldoende vastgesteld; bij gebruik van de voor volwassenen aanbevolen dosering zag men een vergelijkbaar veiligheidsprofiel als bij volwassenen.

Overdosering

Neem voor informatie over een vergiftiging met interferon β-1a contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Behoort tot de familie der cytokinen. Geglycosyleerd eiwit bestaande uit 166 aminozuren, identiek aan humaan interferon β, bereid door genetische manipulatie van hamstercellijnen. Het heeft zowel immunomodulerende, antiproliferatieve als antivirale eigenschappen. Het werkingsmechanisme bij MS is nog niet opgehelderd. Het onderdrukt onder andere de werking van γ-interferon en bevordert de suppressoractiviteit van perifere mononucleaire bloedcellen. Het verlaagt van de frequentie van klinische exacerbaties. Werkingsduur: 10 uur (Avonex); twee dagen (Rebif). Avonex: s.c. toediening kan i.m. toediening niet vervangen. Rebif: s.c. of i.m. toediening gelijkwaardig bij equivalente dosering in IE.

Kinetische gegevens

F40% bij i.m. toedienen, dit is 3× hoger dan s.c. (Avonex).
Fi.m. = s.c. (Rebif).
T max5–15 uur antivirale activiteit na i.m. (Avonex).
T max8 uur (Rebif).
Metabolisering in lever en nieren.
Eliminatiemet urine en feces.
T 1/2schijnbaar 50–60 uur (Avonex).
OverigBiologische halfwaardetijd van antivirale activiteit = 10 uur (Avonex).
  • Uitleg afkortingen
    F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
    T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
    V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
    T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
    T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd