romiplostim

Samenstelling

Nplate Bijlage 2 Amgen bv

Toedieningsvorm
Poeder voor oplossing voor injectie met solvens
Sterkte
250 microg, 500 microg

Nplate XGVSBijlage 2 Amgen bv

Toedieningsvorm
Poeder voor oplossing voor injectie zonder solvens
Sterkte
125 microg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

romiplostim vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Romiplostim kan worden toegepast als tweedelijnstherapie bij patiënten met immuun trombocytopenie (ITP) die splenectomie hebben ondergaan en refractair zijn op andere behandelingen (bv. corticosteroïden en immunoglobuline) en romiplostim kan worden overwogen als tweedelijnsbehandeling bij ITP-patiënten waarbij splenectomie is gecontra-indiceerd. Romiplostim heeft een significant effect op het verhogen van de bloedplaatjesaantallen en het gebruik van 'rescue'-medicatie bij chronische refractaire ITP-patiënten. Het voornaamste risico bij de behandeling met romiplostim is een verhoogd niveau reticuline in het beenmerg; dit kan aanleiding geven tot morfologische veranderingen in perifere bloedcellen. Verder dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid op het ontwikkelen van immunogeniciteit en trombotische of trombo-embolische complicaties.

Aan de vergoeding van romiplostim zijn voorwaarden verbonden, zie Regeling zorgverzekering, bijlage 2.

Indicaties

  • Chronische idiopathische (immuun) trombocytopenische purpura (ITP) bij volwassenen en kinderen met een leeftijd ≥ 1 jaar die refractair zijn voor andere behandelingen (bv. corticosteroïden en immunoglobulinen).

Dosering

Bij kinderen iedere 12 weken opnieuw het lichaamsgewicht bepalen voor een eventuele aanpassing van de dosering.

Klap alles open Klap alles dicht

ITP:

Volwassenen en kinderen ≥ 1 jaar:

Begindosering: 1 microg/kg lichaamsgewicht, 1×/w. subcutaan. De dosering 1×/w. verhogen in stappen van 1 microg/kg tot een bloedplaatjesaantal van ≥ 50 × 109/l is bereikt. Bij een stabiel bloedplaatjesaantal (≥ 50 × 109/l) gedurende minstens vier weken zonder aanpassing van de dosering het bloedplaatjesaantal maandelijks bepalen. Deze patiënten kunnen romiplostim zelf toedienen; na 4 weken zelftoediening opnieuw eenmalig onder toezicht toedienen, waarna de patiënt weer door kan gaan met zelftoediening. Zelftoediening is niet geschikt voor kinderen.

Onderhoudsdosering: Bloedplaatjesaantal < 50 × 109/l: verhoog de wekelijkse dosering met 1 microg/kg;> 150 × 109/l gedurende twee weken: verlaag de wekelijkse dosering met 1 microg/kg;> 250 × 109/l: romiplostim niet toedienen. Indien bloedplaatjesaantal gedaald is tot < 150 × 109/l: hervat toediening met wekelijkse dosering verlaagd met 1 microg/kg. De maximale wekelijkse dosering is 10 microg/kg lichaamsgewicht. Wanneer na vier weken toediening van 10 microg/kg het bloedplaatjesaantal niet is gestegen tot een voldoende niveau om bloedingen te voorkomen: de behandeling staken en een splenectomie overwegen. Bij kinderen is een dosisaanpassing gebaseerd op het trombocytenaantal én op veranderingen in het lichaamsgewicht.

Vanwege een interindividuele variatie in trombocytenrespons kan bij sommige patiënten het trombocytenaantal abrupt dalen onder de 50 × 109/l na een dosisafname of staken van de behandeling. Indien klinisch aangewezen in deze gevallen hogere grenswaarden aanhouden voor dosisreductie (200 × 109/l) en onderbreking van de behandeling (400 × 109/l).

Bij een individuele patiëntdosis ≥ 23 microg: reconstitueer het product tot een eindconcentratie van 500 microg/ml. Bij een individuele patiëntdosis < 23 microg: reconstitueer het product tot een concentratie van 500 microg/ml en verdun het vervolgens tot een eindconcentratie van 125 microg/ml.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): hoofdpijn. Bovenste luchtweginfectie. Overgevoeligheid. Bij kinderen tevens: rinitis, orofaryngeale pijn, pijn in de bovenbuik.

Vaak (1–10%): beenmergaandoeningen vooral door toename van reticuline in het beenmerg, trombocytopenie, anemie. Maag- of darmontsteking. Angio-oedeem. Slapeloosheid, vermoeidheid, duizeligheid, migraine, paresthesie, astenie, influenza-achtig ziektebeeld, koorts, rillingen, reacties op de injectieplaats, perifeer oedeem, blozen. Hartkloppingen. Pulmonale embolie. Misselijkheid, dyspepsie, buikpijn, diarree, obstipatie. Jeuk, ecchymose, huiduitslag. Gewrichtspijn, spierpijn, pijn in de ledematen, spierspasmen, rugpijn, botpijn. Bij kinderen tevens: faryngitis, sinusitis, oorinfectie, conjunctivitis, perifere zwelling.

Soms (0,1–1%): aplastische anemie, beenmergfalen, leukocytose, trombocytemie, splenomegalie. Myocardinfarct, versnelde hartslag. Vertigo. Visusstoornissen, conjunctivale bloeding, blindheid, overige oogaandoening, oogpruritus, verhoogde traanproductie, papiloedeem. Gastro–oesofageale reflux, braken, slechte adem, dysfagie, mondbloeding, tandverkleuring, stomatitis, rectale bloeding. Pijn op de borst, malaise, gelaatsoedeem, opvliegers, nervositeit. Poortadertrombose, (diepveneuze) trombose, hypotensie, perifere embolie/ischemie, (oppervlakkige trombo)flebitis, erytromelalgie. Influenza, nasofaryngitis, hoesten, rinorroe, neusverstopping, droge keel, dyspneu, pijnlijke ademhaling. Gewichtsverandering, anorexie, dehydratie, jicht, alcoholintolerantie. Spiertrekkingen, spierzwakte, schouderpijn. Multipel myeloom, myelofibrose. Smaakstoornis (o.a. verminderde smaak), hypesthesie, perifere neuropathie. Depressie, abnormale dromen. Alopecia, abnormale haargroei, fotosensibilisatie, acne, contacteczeem, droge huid, eczeem, erytheem, purpura, en exfoliatieve of papuleuze of jeukende huiduitslag, urticaria, abnormale huidgeur. Eiwit in urine, vaginale bloeding. Verhoging van bloeddruk, lactaatdehydrogenase en transaminasen.

Verder zijn gemeld: reticulinedepositie in het beenmerg, ontwikkeling van romiplostim neutraliserende antistoffen.

Interacties

Door de combinatie met anticonceptiva of hormoonvervangende behandeling neemt de kans op trombo–embolie toe.

Zwangerschap

Romiplostim passeert de placenta (bij dieren).
Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren schadelijk gebleken (vergroot post–implantatieverlies, lichte toename in de incidentie van perinatale mortaliteit van de jongen).
Farmacologisch effect: Bij dieren, verhoogd foetaal trombocytenaantal.
Advies: Gebruik ontraden.
Overig: Een vruchtbare vrouw dient adequate anticonceptieve maatregelen te nemen gedurende de therapie.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend.
Advies: Het gebruik van dit geneesmiddel of het geven van borstvoeding ontraden.

Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor van Escherichia coli afkomstige eiwitten.

Waarschuwingen en voorzorgen

Toename van reticuline in het beenmerg wordt verondersteld een gevolg te zijn van TPO-receptorstimulatie en kan aanleiding geven tot morfologische veranderingen in perifere bloedcellen; voorafgaand aan de behandeling en regelmatig tijdens de behandeling een complete bloedtelling en een perifeer bloeduitstrijkje uitvoeren. Bij een verlies van respons of het onvermogen een bloedplaatjesrespons te behouden verder onderzoek naar de oorzaak daarvan uitvoeren (bv. toename van reticuline of immunogeniciteit).

Overweeg nauwkeurige controle van rode en witte bloedcellen vanwege een mogelijke daling respectievelijk stijging van deze parameters bij romiplostim-gebruik (binnen 4 weken), met name na splenectomie.

Wees voorzichtig bij (extra) risicofactoren voor trombo-embolische complicaties, zoals aangeboren risicofactoren (bv. Factor V-Leiden) of verkregen risicofactoren (AT-III–deficiëntie, antifosfolipidensyndroom), gevorderde leeftijd, langdurige immobilisatie, maligniteiten, hormonale anticonceptiva–gebruik, hormoonsuppletietherapie, chirurgie/trauma, obesitas, roken. Trombo–embolische complicaties, waaronder poortadertrombose, zijn gemeld bij chronische leverziekte en behandeling met romiplostim; romiplostim niet toepassen bij matige tot ernstige leverinsufficiëntie (Child-Pughscore ≥ 7) tenzij het mogelijke voordeel opweegt tegen de risico's. Indien gebruik nodig wordt geacht, voorzichtig toepassen en het trombocytenaantal grondig controleren.

Het is waarschijnlijk dat trombocytopenie opnieuw optreedt na staken van de behandeling met romiplostim. Er is meer kans op bloedingen als de behandeling met romiplostim wordt gestaakt wanneer de patiënt tegelijkertijd wordt behandeld met anticoagulantia of trombocytenaggregatieremmers. Patiënten dienen nauwlettend gecontroleerd te worden op een daling van het trombocytenaantal en een medische behandeling te krijgen om bloedingen na staken van de behandeling met romiplostim te voorkomen. Het wordt aanbevolen om, als de behandeling met romiplostim wordt gestaakt, de ITP-behandeling opnieuw te starten conform de huidige behandelrichtlijn.

Het is mogelijk dat romiplostim de progressie van een myelodysplastisch syndroom (MDS) stimuleert. Andere klinische oorzaken van trombocytopenie dan ITP, met name MDS, vóór de behandeling uitsluiten; gedurende het verloop van de ziekte een beenmergaspiraat afnemen en een beenmergbiopsie uitvoeren, met name > 60 jaar, bij systemische symptomen of afwijkende verschijnselen (zoals een verhoogd aantal perifere blasten).

Romiplostim wordt niet aanbevolen bij kinderen < 1 jaar vanwege onvoldoende gegevens over de veiligheid en werkzaamheid. Voorzichtig toepassen bij ouderen > 65 jaar en bij een gestoorde nierfunctie.

Overdosering

Neem voor informatie over een vergiftiging met romiplostim contact op met het Nationaal Vergiftigingen Centrum, vergiftigingen.info.

Eigenschappen

Trombopoëtine (TPO)-receptor (c-mpI)-agonist bereid door recombinant-DNA-techniek. Het is een Fc-peptidefusieproteïne (peptibody) dat de groei en volwassenheidsfase van megakaryocyten stimuleert door binding aan de TPO-receptor, resulterend in een toename van bloedplaatjesproductie. Romiplostim vertoont geen homologie met endogeen trombopoëtine.

Kinetische gegevens

T max7–50 uur (mediaan 14 uur).
Overigna absorptie vindt vooral verdeling plaats over cellen die een TPO–receptor hebben zoals trombocyten en megakaryocyten. De serumspiegels zijn omgekeerd evenredig met de trombocytaantallen.
T 1/21–34 dagen (mediaan 3½ dag).

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

romiplostim hoort bij de groep trombopoëtine agonisten.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Externe links