botulinetoxine A

Samenstelling

Zie voor hulpstoffen de productinformatie van CBG/EMA of raadpleeg een apotheker.

Alluzience XGVS Ipsen Farmaceutica bv

Toedieningsvorm
Oplossing voor injectievloeistof
Verpakkingsvorm
flacon 125 E

Bevat per flacon: 125 Speywood-eenheden. Na reconstitutie in 0,63 ml bevat de dan gebruiksklare oplossing 200 E/ml.

Azzalure XGVS Galderma Benelux bv

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Verpakkingsvorm
flacon 125 E

Bevat per flacon: 125 Speywood-eenheden. Na reconstitutie in 0,63 resp. 1,25 ml bevat de dan gebruiksklare oplossing 10 E/0,05 ml resp. 10 E/0,1 ml.

Bocouture XGVS Merz Pharmaceuticals GmbH

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Verpakkingsvorm
flacon 50 E, 100 E

Bevat per flacon: resp. 50 en 100 eenheden botulinetoxine type A (150 kD). Na reconstitutie in resp. 1,25 ml en 2,5 ml bevat de dan gebruiksklare oplossing 40 E/ml.

Botox Abbvie bv

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Verpakkingsvorm
flacon 100 E

Bevat per flacon: 100 Allergan-eenheden.

Dysport Ipsen Farmaceutica bv

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Verpakkingsvorm
flacon 300 E, 500 E

Bevat per flacon: resp. 300 en 500 Speywood-eenheden.

Vistabel XGVS Abbvie bv

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Verpakkingsvorm
flacon 50 E, 100 E

Bevat per flacon: resp. 50 en 100 Allergan-eenheden.

Xeomin Merz Pharmaceuticals GmbH

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Verpakkingsvorm
flacon 50 E, 100 E, 200 E

Bevat per flacon: resp. 50, 100 en 200 LD 50-eenheden.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

botulinetoxine A vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Vóór gebruik van botulinetoxine A, de voorgeschreven hoeveelheden eenheden controleren. De aanduiding voor de eenheid (E) is specifiek voor elk product. Verwisseling kan ernstige gevolgen hebben. Toediening onder elektromyografie-controle is bij de meeste indicaties noodzakelijk, maar niet bij blefarospasme, sialorroe, hemifacialisspasme of rimpels/lijnen in het gezicht.

Zie de VRA-Richtlijn Cerebrale en/of spinale spasticiteit 2016 van de Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) voor aanbevelingen in de behandeling met Botulinetoxine-injecties bij spasticiteit.

Als profylaxe van episodische migraine zijn metoprolol en candesartan (offlabel) middelen van eerste keus. Vervolgens komt amitriptyline als alternatief in aanmerking en in de tweedelijnszorg ook de anti-epileptica, topiramaat of valproïnezuur (alleen bij mannen, offlabel). Bij profylaxe van chronische migraine in geval van medicatieovergebruikshoofdpijn eerst stoppen met het gebruik van alle hoofdpijnmedicatie gedurende 2–3 maanden (detoxificatie). Herevalueer na detoxificatie de primaire hoofdpijndiagnose en start zo nodig profylaxe voor episodische migraine of, indien toch sprake is van chronische migraine, met topiramaat of valproïnezuur (in de tweedelijnszorg).

Als er geen sprake is van medicatie-overgebruik en ≥ 2 profylactica zijn geprobeerd (na onttrekkingsfase van overgebruik) die niet effectief zijn gebleken en/of gestaakt wegens bijwerkingen, kan botulinetoxine A overwogen worden.

Bij urgency-incontinentie (aandrangincontinentie) is blaastraining eerste keus. Indien deze onvoldoende effect heeft, ondersteun dan de behandeling met een orale muscarineantagonist met gereguleerde afgifte en/of eenmaaldaagse dosering (darifenacine, fesoterodine, solifenacine, tolterodine). Overweeg bij een onacceptabele droge mond als bijwerking een oxybutyninepleister. Overweeg mirabegron bij contra-indicaties voor of onvoldoende effect van een muscarineantagonist. Stop de medicatie en overweeg verwijzing naar de tweedelijnszorg bij uitblijven van verbetering.

Bij persisterende en refractaire urgency-incontinentie kan in de tweedelijnszorg een intravesicale injectie met botulinetoxine A worden overwogen; bespreek vooraf met de patiënt de mogelijke noodzaak van zelfkatheterisatie en het risico op urineweginfecties.

In de tweedelijnszorg kan bij primaire axillaire hyperhidrose, behandeling met botulinetoxine A-injecties worden overwogen bij een patiënt met een hoge ziektelast (HDSS ≥ 3), bij wie behandeling met aluminiumzouten onvoldoende effect heeft of teveel bijwerkingen geeft.

Rimpels: Voor het gebruik van botulinetoxine A voor cosmetische doeleinden, zoals bij matige tot ernstige glabella- en voorhoofdslijnen/rimpels en kraaienpootjes, zie de NVDV-LeidraadBotulinetoxine-therapie voor cosmetische indicaties (2015) of de NVCG-StandaardBotuline toxine type A injectietherapie in de Esthetische Geneeskunde: een Multidisciplinaire Consensus.

Indicaties

Neurologische aandoeningen

  • blefarospasme (Botox, Dysport, Xeomin);
  • hemifacialisspasme (Botox, Dysport, Xeomin);
  • cervicale dystonie (spasmodische torticollis) bij volwassenen (Botox, Xeomin) en patiënten van 12 jaar en ouder (Dysport);
  • focale spasticiteit geassocieerd met spitsvoetmisvorming door spasticiteit bij ambulante kinderen (2 jaar en ouder) met spastische verlamming (cerebrale parese) (Botox, Dysport);
  • focale spasticiteit van pols en hand bij volwassenen (Xeomin, voor Botox alleen indien de spasticiteit door een CVA tot stand is gekomen);
  • focale spasticiteit van de enkel en voet bij volwassenen na een CVA (Botox);
  • spasticiteit van de arm (voor Xeomin incl. de schouderspiergroep, voor Dysport alleen indien de spasticiteit ten gevolge van een CVA tot stand is gekomen);
  • symptoomverlichting bij volwassenen met chronische migraine (≥ 15 dagen/maand hoofdpijn, waarvan ≥ 8 dagen migraine) die onvoldoende heeft gereageerd op migraineprofylaxe of daarvoor intolerant is (Botox);
  • chronische sialorroe bij volwassenen (Xeomin).

Blaasaandoeningen

  • idiopathische overactieve blaas met symptomen van urine-incontinentie, aandrang en frequente mictie bij volwassen patiënten die onvoldoende reageren op of gecontra-indiceerd zijn voor anticholinerge medicatie (Botox);
  • urine-incontinentie bij volwassenen met een neurogene overactiviteit van de detrusor als gevolg van een stabiel subcervicaal ruggenmergletsel of multiple sclerose (Botox) die regelmatig zelfintermitterende katheterisatie toepassen (Dysport).
  • neurogene blaas.

Huidgerelateerde aandoeningen

  • persistente ernstige primaire bilaterale hyperhidrose van de okselklieren die het dagelijks leven verstoort en resistent is tegen een andere plaatselijke behandeling (Botox, Dysport);
  • bij volwassenen < 65 jaar voor de tijdelijke verbetering van het uiterlijk van lijnen in het bovenste deel van het gezicht, wanneer de ernst van deze lijnen een belangrijke psychische invloed heeft op de patiënt (Alluzience, Azzalure, Bocouture en Vistabel):
    • matig-ernstige tot ernstige verticale rimpels tussen de wenkbrauwen (glabellalijnen) bij het fronsen (Alluzience, Azzalure, Bocouture en Vistabel);
    • matig-ernstige tot ernstige laterale periorbitale lijnen (kraaienpootjes) die bij een volledige glimlach zichtbaar zijn (Azzalure, Bocouture en Vistabel);
    • matig-ernstige tot ernstige horizontale voorhoofdslijnen die bij max. contractie zichtbaar zijn (Bocouture en Vistabel).

Gerelateerde informatie

Doseringen

Let op! De gebruikte eenheden zijn géén internationaal erkende. De geduide eenheden van de preparaten staan voor verschillende mate van werkzaamheid, waardoor de preparaten verschillen in sterkte en niet onderling uitwisselbaar zijn. Het toxinecomplex oplossen in 0,9% natriumchloride-oplossing; dit laatste geldt wél voor alle preparaten.

De arts dient ervaring te hebben met de toepassing van botulinetoxine A. De eerste dosis voor een nieuwe patiënt dient de laagste dosis voor een specifieke indicatie te zijn. Omdat geen optimale doseringsniveau's zijn vastgesteld, individueel via titratie de optimale dosering vaststellen. Indien een volwassene met Botox behandeld wordt voor meerdere indicaties, mag de maximale cumulatieve dosis per behandeling 400 E bedragen, met een interval van 12 weken.

Voorkóm intravasculaire toediening door alvorens te injecteren, te aspireren.

Klap alles open Klap alles dicht

Blefarospasme

Volwassenen

Intramusculair in de M. orbicularis oculi: Xeomin: startdosis 1,25–2,5 E (0,05–0,1 ml) per injectieplaats (max. startdosis 25 E per oog); lateraal en mediaal in het bovenste ooglid en lateraal in het onderste ooglid en indien de spasmen daar het gezichtsvermogen belemmeren op extra plaatsen als in gebied van wenkbrauwen; zonodig herhalen na een individueel bepaald behandelinterval van minimaal 12 weken (ca. 3–5 maanden, maar een langer interval is mogelijk). Bij onvoldoende effect bij de eerste behandeling mag bij een herhaalbehandeling de dosis worden verhoogd tot tweemaal de aanvangsdosis (max. 50 E per oog). Er blijkt echter geen extra klinisch voordeel op te treden bij het injecteren van meer dan 5,0 E per injectieplaats.

Intramusculair in de M. orbicularis oculi: Botox: begindosering 3 injecties à 1,25–2,5 E (0,05–0,1 ml): lateraal en mediaal in het bovenste ooglid en lateraal in het onderste ooglid (max. 25 E per oog); telkens na 3 maanden de injecties herhalen. Max. 100 E Botox per 12 weken.

Bij een unilateraal blefarospasme de behandeling beperken tot het aangedane oog.

Volwassenen en kinderen ≥ 12 jaar

Subcutaan Dysport: minimaal effectieve dosis 40 E per oog: 2 injecties in zowel het bovenste als onderste ooglid: mediaal 10 E (= 0,05 ml) en lateraal 10 E (= 0,05 ml). Doses van 80 en 120 E per oog leiden tot een sterker effect en een langer werkingsduur en meer lokale bijwerkingen. Max. dosis: 120 per oog. Dysport niet vaker dan iedere 12 weken herhalen, de dosis evt. verhogen tot 60 E per oog (mediaal 10 E (= 0,05 ml) en lateraal 20 E (= 0,1 ml)), 80 E (20 E zowel mediaal als lateraal, of tot 120 E per oog (mediaal 20 E en lateraal 40 E).

Bij een unilateraal blefarospasme, de behandeling beperken tot het aangedane oog.

Hemifacialisspasme

De behandeling is gelijk aan die van een unilateraal blefarospasme; zie ook de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen.

Cervicale dystonie (spasmodische torticollis)

Volwassenen

Intramusculair: Botox: in de eerste behandelronde in totaal < 200 E in de betrokken spieren, in de volgende rondes de dosis aanpassen op basis van respons; max. 50 E per injectieplaats, max. 100 E in M. sternocleidomastoideus en deze spier niet bilateraal injecteren vanwege kanstoename op bijwerkingen (m.n. dysfagie); per sessie in totaal max. 300 E. Niet herhalen binnen 10 weken.

Volwassenen en kinderen ≥ 12 jaar

Intramusculair: Xeomin: max. 50 E per injectieplaats, de eerste behandeling maximaal 200 E in totaal. Meestal in totaal < 200 E in de betrokken spieren; max. totale dosis: 300 E. Het behandelinterval is afhankelijk van de individuele reactie; opnieuw injectie overwegen als het klinisch effect van de vorige afneemt, maar niet eerder dan na 10 weken, in de regel zal dit na 3–4 maanden zijn. De M. sternocleidomastoideus niet bilateraal injecteren en met max. 100 E vanwege het risico op bijwerkingen, met name dysfagie.

Intramusculair: Dysport: begindosering 500 E verdeeld over de twee of drie meest actieve nekspieren, zo nodig onder elektromyografische controle. Herhalingsinjecties 250–1000 E, als totale dosering; max. 1000 E niet vaker dan elke 12 weken.

Spastische verlamming

Kinderen ≥ 2 jaar

Intramusculair: Botox: in de mediale en laterale kop van de M. gastrocnemius: bij hemiplegie starten met 4 E/kg lichaamsgewicht verdeeld over de aangetaste ledemaat; bij diplegie starten met 6 E/kg lichaamsgewicht verdeeld over beide aangetaste ledematen; max. totaal 200 E. Zonodig na ten minste 3 maanden herhalen; een dosisschema met een interval van ten minste 6 maanden is ook mogelijk.

Intramusculair: Dysport: de dosis bij de eerste en vervolgbehandelingen individueel aanpassen op basis van de grootte van de spieren, het aantal en de locatie van de aangetaste spieren, ernst van de spasticiteit, aanwezigheid van plaatselijke spierzwakte, respons op de vorige behandeling en/of eerder opgetreden ongewenste bijwerkingen. Per behandelsessie totaal maximaal: 15 E/kg voor unilaterale injecties, 30 E/kg voor bilaterale injecties én max. totaal 1000 E. De totale dosis verdelen over de aangetaste spieren, indien mogelijk per spier meerdere injectieplaatsen gebruiken. Maximaal 0,5 ml toedienen op één enkele injectieplaats. Aanbevolen doseringen per spier: in de M. gastrocnemius 5–15 E/kg lichaamsgewicht (max. 4 injectieplaatsen per spier), in de M. soleus 4–6 E/kg (max. 2 injectieplaatsen per spier), in de M. tibialis posterior 3–5 E/kg (max. 3 injectieplaatsen per spier). Maximaal 15 E/kg/lichaamsgewicht verdeeld per aangetaste ledemaat. De behandeling herhalen indien de vorige injectie is uitgewerkt, echter niet eerder dan 12 weken na de vorige injectie. In klinisch onderzoek werden de meeste patiënten opnieuw behandeld tussen 16–22 weken na de vorige injectie.

Focale spasticiteit van de onderste ledematen (m.n. enkel en voet) na een CVA

Volwassenen

Intramusculair: Botox: 300–400 E verdeeld over max. 6 spieren (75 E in zowel de mediane en laterale kop van de M. gastrocnemius, 75 E in zowel de M. soleus en M. tibialis posterior; gebruik in deze spieren 3 injectieplaatsen per spier, 50 E in zowel de M. flexor hallucis longus als M. flexor digitorum longus, gebruik in deze spieren 2 injectieplaatsen per spier, 25 E in de M. flexor digitorum brevis (1 injectieplaats)). Er geldt een maximaal totaal van 400 E per behandeling; indien nodig de behandeling herhalen na ten minste 12 weken.

Spasticiteit van de arm na een CVA

Volwassenen

Intramusculair: Dysport: 500–1000 E verdeeld over de geselecteerde spieren; aanbevolen dosis in de flexor carpi radialis (FCR) 100–200 E, de flexor carpi ulnaris (FCU) 100–200 E, de flexor digitorum profundus (FDP) 100–200 E, de flexor digitorum superficialis (FDS) 100–200 E, de flexor pollicis longus 100–200 E, de adductor pollicis 25–50 E, brachialis 200–400 E, brachioradialis 100–200 E, biceps brachii 200–400 E, pronator teres 100–200 E. Injecteer in de primaire beoogde spiergroep (FDP, FDS, FCU, FCR, brachialis of brachioradialis) en in ten minste 2 van de hierboven genoemde additionele spieren. Injecteer in de regel maximaal 1 ml aan volume op één injectieplaats; de injecties herhalen afhankelijk van de respons van de individuele patiënt, maar niet vaker dan iedere 12 weken.

Spasticiteit van de bovenste ledematen

Volwassenen

Intramusculair: Botox: afhankelijk van omvang, aantal en plaats van de betrokken pols en handspieren, ernst van de spasticiteit, aanwezigheid van lokale spierzwakte en de reactie op eerder behandelingen: maximaal 240 E per behandeling, verdeeld over de aangetaste spieren. Indien nodig de behandeling herhalen na ten minste 12 weken. Voor de aanbevolen behandeldosis (in te injecteren eenheden) per specifieke spier, zie de betreffende tabel in rubriek 4.2 van de productinformatie van de fabrikant CBG/EMA via 'Zie ook'.

Intramusculair: Xeomin: afhankelijk van omvang, aantal en plaats van de betrokken spieren in de pols, hand, arm en schouder, ernst van de spasticiteit, aanwezigheid van lokale spierzwakte en de reactie op eerder behandelingen: in klinisch onderzoek was de maximum totale doses 500 E per behandelsessie, max. 250 E in de schouderspieren. In het algemeen houdt het effect gedurende 12 weken aan, dit kan echter aanzienlijk langer of korter zijn. In het algemeen mag de behandeling niet vaker herhaald worden dan eenmaal per 12 weken. Voor de aanbevolen behandeldosis (in te injecteren eenheden) per specifieke spier, zie de betreffende tabel in rubriek 4.2 van de officiële productinformatie CBG/EMA via 'Zie ook'.

Chronische migraine

Volwassenen

Intramusculair: Botox: 5 E (0,1 ml) op 31–39 plaatsen in 7 specifieke, geselecteerde spiergroepen van het hoofd en de nek volgens een specifiek schema; in totaal 155–195 E; de behandeling herhalen na 12 weken. Voor de aanbevolen behandeldosis (in te injecteren eenheden) per specifieke spier, zie de betreffende tabel in rubriek 4.2 van de officiële productinformatie CBG/EMA via 'Zie ook'.

Chronische sialorroe

Volwassenen

Intraglandulair: Xeomin: in totaal en maximaal 100 E (concentratie 5 E/0,1 ml) per behandeling verdeeld over 4 injecties: 30 E per zijde in de parotisklieren en 20 E per zijde in de submandibulaire klieren. Niet vaker dan om de 16 weken herhalen, en bepaal het behandelinterval op basis van de klinische behoeften van de individuele patiënt. Voor het lokaliseren van de betrokken speekselklieren gaat de voorkeur uit naar echografie boven anatomische oriëntatiepunten.

Overactieve blaas

Volwassenen

Intramusculair: Botox:100 E/10 ml verdeeld over injecties van 0,5 ml (à 5 E) op 20 plaatsen in de M. detrusor met ongeveer 1 cm tussen de injectieplaatsen. In de blaas moet een fysiologisch zoutoplossing zijn gebracht om de blaaswand in beeld te brengen; na de injecties deze niet draineren, om te testen of de patiënt de mictie onder controle heeft. Op 1–3 dagen vóór de behandeling, op de behandeldag en 1–3 dagen na de behandeling profylactisch antibiotica toedienen. Behandeling met plaatjesaggregatieremmers minstens 3 dagen voor de injectie staken. Vóór de injecties kan men een verdund anestheticum in de blaas druppelen met of zonder verdoving. Nadat een verdund anestheticum in de blaas is gedruppeld spoelen met fysiologische zoutoplossing (NaCl 0,9%). Na de laatste injectie de patiënt gedurende minstens 30 min observeren om te zien of een spontane mictie optreedt. Opnieuw injectie overwegen als het klinisch effect van de vorige afneemt, gebaseerd op de vraag van de patiënt om een nieuwe behandeling, maar niet eerder dan na 3 maanden, in de regel zal dit na 24 weken zijn.

Urine-incontinentie door neurogene overactiviteit van de detrusor

Volwassenen

Intramusculair: Botox: 200 E/30 ml verdeeld over injecties van 1 ml (à 6,7 E) op 30 plaatsen in de M. detrusor met ongeveer 1 cm tussen de injectieplaatsen. In de blaas moet een fysiologisch zout oplossing zijn gebracht om de blaaswand in beeld te brengen; na de injecties moet deze gedraineerd worden. Op 1–3 dagen vóór de behandeling, op de behandeldag en 1–3 dagen na de behandeling profylactisch antibiotica toedienen. Behandeling met plaatjesaggregatieremmers minstens 3 dagen voor de injectie staken. Vóór de injecties kan men een verdund anestheticum in de blaas druppelen met of zonder sedatie of algemene anesthesie. Nadat een verdund anestheticum in de blaas is gedruppeld spoelen met fysiologisch zoutoplossing. Na de injecties de patiënt gedurende minstens 30 min observeren. Opnieuw injectie overwegen als het klinisch effect van de vorige afneemt, gebaseerd op de vraag van de patiënt om een nieuwe behandeling, maar niet eerder dan na 3 maanden, in de regel zal dit na 36–42 weken zijn.

Intramusculair: Dysport: 600 E/15 ml verdeeld over injecties van 0,5 ml (à 20 E) op 30 plaatsen gelijkmatig verdeeld over de gehele de M. detrusor waarbij het trigonum wordt vermeden, tot een diepte van ongeveer 2 mm. Bij onvoldoende respons of bij patiënten met een ernstig ziektebeeld kan 800 E/15 ml verdeeld over injecties van 0,5 ml (à 26,7 E) worden gebruikt. Bij de laatste injectie ongeveer 0,5 ml natriumchloride 0,9% oplossing voor injectie injecteren om ervoor te zorgen dat de volledige dosis wordt toegediend. In de blaas moet een fysiologische zoutoplossing zijn gebracht om de blaaswand in beeld te brengen; na de injecties moet deze gedraineerd worden. Profylactisch antibiotica toedienen ten minste 3 dagen vóór de toediening tot ten minste 3 dagen na de toediening van Dysport of volgens lokale richtlijnen en protocollen. Anticoagulantia minstens 3 dagen (heparinen met laag moleculair gewicht 24 uur) voor de injecties staken en pas de dag na de injecties hervatten. Er kan intravesicaal gespoeld worden met een verdund anestheticum (met of zonder sedatie) of algemene anesthesie worden gebruikt. Bij het spoelen met een lokaal anestheticum dit draineren, de blaas spoelen met een natriumchloride 0,9% oplossing en opnieuw draineren voor de injectieprocedure. Na de injecties de patiënt gedurende minstens 30 min observeren. Opnieuw injectie overwegen als het klinisch effect van de vorige is verminderd, maar niet eerder dan na 12 weken, meestal zal dit na 39–47 weken zijn.

Hyperhidrose van de okselklieren

Volwassenen

Intradermaal: Botox: 50 E per oksel verdeeld over verschillende plaatsen in het hyperhidrotische deel van de okselklieren. Volgende injectie toedienen als het effect van de vorige injectie verdwijnt en niet vaker dan 1×/16 weken.

Volwassenen en kinderen > 12 jaar

Intradermaal: Dysport: aanbevolen startdosis is 100 E/oksel, verdeeld over 10 injecties van 10 E per injectieplaats; indien nodig verhogen tot 200 E/oksel; max. 200 E/oksel. Volgende injecties indien nodig toedienen met intervallen van minstens 12 weken.

Matig ernstige tot ernstige rimpels in de glabella

Volwassenen < 65 jaar

Intramusculair: Alluzience, Azzalure: 50 E verdelen over 5 injectieplaatsen loodrecht op de huid: 2 injecties à 10 E in elke M. corrugator en 1 in de M. procerus bij de nasofrontale hoek. Het behandelinterval is afhankelijk van de individuele reactie; niet vaker dan om de 3 maanden herhalen. De veiligheid en werkzaamheid zijn onderzocht tot 12 maanden en tot 5 behandelcycli (voor Alluzience), resp. 24 maanden en tot 8 behandelingscycli (voor Azzalure).

Intramusculair: Bocouture, Vistabel: 20 E verdelen over 5 injectieplaatsen: 2 injecties à 4 E/0,1 ml in elke M. corrugator en 1 à 4 E/0,1 ml in de M. procerus bij de nasofrontale hoek; zo nodig na ten minste 3 maanden herhalen; bij onvoldoende effect de totale dosis bij de volgende toediening verhogen tot max. 30 E (Bocouture), resp. 40–50 E (Vistabel). Niet vaker dan om de 3 maanden herhalen. De veiligheid en werkzaamheid van herhaalde injecties zijn onderzocht tot 12 maanden (Vistabel).

Matige tot ernstige rimpels in de laterale periorbitale lijnen (kraaienpootjes)

Volwassenen < 65 jaar

Intramusculair: Azzalure: 30 E verdelen over 3 injectieplaatsen per zijde: alle injecties (1 injectie à 10 E) aan de buitenste rand van de M. orbicularis oculi toedienen, ca. 1–2 cm lateraal van het benige deel van de orbitale rand. Het behandelinterval is afhankelijk van de individuele reactie; niet vaker dan om de 3 maanden herhalen. Veiligheid en werkzaamheid zijn onderzocht tot 12 maanden en tot 5 behandelingscycli.

Intramusculair: Bocouture: injectie van 4 E/0,1 ml in elk van de 3 injectieplaatsen: 1 injectie à 4 E/0,1 ml in de M. orbicularis oculi 1 cm lateraal van het benige deel van de orbitale rand, de andere 2 injecties à 4 E/0,1 ml ongeveer 1 cm boven en onder het gebied van de eerste injectie. Totaal 24 E (12 eenheden per zijde). Niet vaker dan om de 3 maanden herhalen.

Intramusculair: Vistabel: 1 injectie à 4 E/0,1 ml in de M. orbicularis oculi laterale ca. 1,5-2 cm aan de temporele zijde van de laterale ooghoek en net temporaal naar de orbitale rand. De overige 2 injecties à 4 E/0,1 ml zijn afhankelijk van de positie van de lijnen ten opzichte van de laterale canthus. Totaal 24 E (12 eenheden per zijde). Niet vaker dan om de 3 maanden herhalen.

Matige tot ernstige horizontale voorhoofdslijnen

Volwassenen < 65 jaar

Intramusculair: Bocouture: injectie van 2–4 E/0,05–0,1 ml in elk van de 5 injectieplaatsen (per injectiepunt 2, 3 óf 4 E) ten minste 2 cm boven de orbitale rand: totaal 10–20 E. Niet vaker dan om de 3 maanden herhalen.

Intramusculair: Vistabel injectie van 4 E/0,1 ml in elk van de 5 injectieplaatsen in de musculus frontalis. Deze zijn afhankelijk van de samenhang tussen de grootte van het voorhoofd en de verdeling van de activiteit van de musculus frontalis. Totaal 20 E. Niet vaker dan om de 3 maanden herhalen.

Ouderen: geen dosisaanpassing nodig, de eerste dosis dient de laagste aanbevolen dosis voor de specifieke indicatie te zijn. Bij herhaalinjectie de laagste effectieve dosis met het langste klinisch aangewezen interval gebruiken.

Toediening

  • Zie voor meer informatie m.b.t. de toedieningsinstructies bij de verschillende indicaties: rubriek 4.2 van de officiële productinformatie CBG/EMA via ‘Zie ook’.
  • Verwijder vóór toediening eventuele make-up en desinfecteer de huid.

Bijwerkingen

De meeste bijwerkingen zijn inherent aan het werkingsmechanisme en/of de betrokkenheid van spiergroepen rondom de injectieplaats. Bij blefarospasme en/of hemifacialisspasme ervaarde 35% van de patiënten bijwerkingen; bij cervicale dystonie 28%; bij hyperhidrose van de axillae 11%; bij spastische verlamming bij kinderen 17%; bij focale spasticiteit na CVA 16%; bij spasticiteit van de arm na een CVA 25%; bij eerste behandeling van overactieve blaas 26%, van urine incontinentie door overactiviteit van detrusor 32%, van chronische migraine 26%; bij verbetering van glabellalijnen 22–26%.

Zeer vaak (> 10%): virale infectie, oorontsteking, bacteriurie, urineweginfectie. Urineretentie, dysurie. Spierzwakte, ptosis, slikstoornissen met name bij cervicale dystonie, ook bij blefarospasmen en sialorroe; houdt meestal 2–3 weken aan en in incidentele gevallen tot 5 mnd. na injectie. Pijn of blauwe plekken op de injectieplaats.

Vaak (1-10%): rinitis, bovensteluchtweginfectie. Duizeligheid, slaperigheid, paresthesie, hypertonie, hoofdpijn, aangezichtspijn, hypo-esthesie, loopstoornis (m.n. bij spastische verlamming bij kinderen). Tijdelijke aangezichtsverlamming, onvermogen de oogleden te sluiten (lagophthalmus), ooglidoedeem, afhangende wenkbrauw, lateraal optrekken van de wenkbrauwen (Mephisto-effect), asymmetrie van het gelaat (asymmetrie wenkbrauwen), gevoel van zwaarte van ooglid/wenkbrauw, droge ogen, keratitis (punctata), fotofobie, overmatig traanvocht, visusstoornissen waaronder diplopie (m.n. bij blefarospasmen). Droge mond, misselijkheid, obstipatie. Huiduitslag, jeuk, pijn op de huid, gespannen huid, blauwe plek, purpura, niet-axillair zweten, alopecia, subcutane knobbel, abnormale lichaamsgeur. (Spier)pijn, nekpijn, spierspasmen, pijn in ledematen. Urine-incontinentie, hematurie, blaasdivertikel, pollakisurie. Erectiestoornissen (bij gebruik Dysport bij urine-incontinentie als gevolg van neurogene detrusoractiviteit). Irritatie, gezichtsoedeem, asthenie, vermoeidheid, griepachtige symptomen, koorts (m.n. bij spasticiteit en soms bij cervicale dystonie). Bloeding, erytheem, jeuk of irritatie op de injectieplaats.

Soms (0,1-1%): Ectropion, entropion, blefaritis, oogpijn, visusstoornissen (bij andere indicaties dan blefarospasmen, met toediening in het gelaat). Dyspneu, dysfonie, spiertrekkingen. Dermatitis, droge huid. Periorbitaal oedeem, oedeem of paresthesie op injectieplaats. Neusbloeding. Verdikt speeksel en dysgeusie (chronische sialorroe). Tevens bij urine-incontinentie: bloeding van de blaas en urethra en pijn in de blaas. Autonome dysreflexie.

Zelden (0,01-0,1%): allergische reacties. Nauwe-kamerhoekglaucoom, stoornis van de oogbewegingen.

Zeer zelden (< 0,01%): corneale ulceratie.

Verder zijn gemeld: overgevoeligheid, anafylaxie, anafylactische shock, bronchospasme, angio-oedeem, urticaria, serumziekte, erythema multiforme, psoriasiforme dermatitis, opvliegers. Cardiovasculaire bijwerkingen (aritmieën, myocardinfarct) waarvan enkele met fatale afloop, hartfalen door overbelasting na injectie kan niet worden uitgesloten. Perifere neuropathie, denervatie, spieratrofie, myalgie, lokale spiertrekkingen/onvrijwillige spiercontracties, gezichtsparese, spraakstoornis, vasovagale reactie, myasthenia gravis, brachiale plexopathie, radiculopathie, zwakte van de arm, gewrichtspijn, syncope, malaise. Hypoacusie, tinnitus, vertigo. Andere maag-darmklachten zoals buikpijn en diarree. Anorexie. Oedeem (verder gelegen dan de injectieplaats), verlies van wenkbrauwen en/of wimpers. Zeer zelden bijwerkingen als gevolg van de verspreiding van toxine op afstand van de toedieningsplaats: verergerde spierzwakte, dysfagie (bij andere indicaties dan cervicale dystonie), aspiratiepneumonie met in sommige gevallen een fatale afloop, dyspneu, ademhalingsdepressie, respiratoir falen, obstipatie. Gevallen van een aanhoudend droge mond (> 110 dagen) van ernstige intensiteit zijn gemeld bij intraglandulair gebruik, wat complicaties als gingivitis of cariës kan veroorzaken.

Interacties

Het effect van botulinetoxine A kan theoretisch worden gepotentieerd door middelen die de neuromusculaire transmissie beïnvloeden, zoals aminoglycoside antibiotica (bv. gentamicine, tobramycine), lithiumzouten, cholinesteraseremmers en tubocurarine-achtige spierverslappers ((cis)atracurium, rocuronium, suxamethonium, vecuronium).

Bij intraglandulair gebruik kan gelijktijdig gebruik van parasympathicolytica (zoals atropine, glycopyrronium, scopolamine) en bestraling van hoofd en nek het effect van botulinetoxine A versterken. De behandeling van sialorroe met botulinetoxine A wordt niet aanbevolen tijdens radiotherapie.

Zwangerschap

Botulinetoxine A passeert gezien de molecuulgrootte nauwelijks de placenta.

Teratogenese: Onderzoek bij de mens naar het gebruik van botulinetoxine A heeft geen nadelige effecten laten zien, echter dit onderzoek had slechts betrekking op een beperkt aantal zwangerschappen. In dierproeven is een lager foetaal gewicht en/of tragere ossificatie, en een toename van het aantal miskramen gebleken.

Farmacologisch effect: Bij gebruik van de aanbevolen dosering komt er nauwelijks botulinetoxine A in het bloed van de moeder terecht.

Advies: Kan waarschijnlijk veilig worden gebruikt bij spierspasmen tijdens de zwangerschap. Bij de overige indicaties het gebruik ontraden.

Vruchtbaarheid: Bij dieronderzoek is verminderde mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheid waargenomen bij gebruik van hoge doses (Botox, Vistabel).

Overig: De fabrikanten van Botox en Vistabel ontraden het gebruik bij vruchtbare vrouwen die geen anticonceptie gebruiken.

Lactatie

Overgang in moedermelk: Onbekend.

Farmacologisch effect: Na intramusculaire toediening wordt nauwelijks systemische blootstelling verwacht. Mocht er overgang naar de moedermelk zijn, is deze waarschijnlijk niet relevant. Er is een 'case report' van een lacterend kind, wiens moeder botulisme had. Botulinetoxine werd niet aangetroffen in de moedermelk en het kind ondervond geen nadelige effecten.

Advies: Desondanks het gebruik van dit geneesmiddel óf het geven van borstvoeding ontraden vanwege onvoldoende gegevens over mogelijke risico's.

Contra-indicaties

  • Spierziekten zoals myasthenia gravis, amyotrofe laterale sclerose of het Eaton-Lambertsyndroom.
  • Tevens bij de behandeling van blaasaandoeningen:
    • urineweginfectie op het tijdstip van behandeling;
    • acute urineretentie bij patiënten die zich niet routinematig katheteriseren;
    • patiënten die wanneer nodig geen katheterisatie willen of kunnen starten.
  • Infectie op de injectieplaats.

Waarschuwingen en voorzorgen

Algemeen

Wees voorzichtig bij:

  • ouderen, verzwakte patiënten;
  • injectie in de buurt van de halsslagader, long, slokdarm of ander kwetsbaar weefsel;
  • bij ontsteking/infectie op de injectieplaats;
  • een bloedingsstoornis en/of het gebruik van antistolling;
  • bij verhoogde zwakheid of atrofie in de doelspier;
  • patiënten met een voorgeschiedenis van problemen met slikken of de ademhaling; Alluzience, Azzalure, Bocouture en Vistabel worden niet aanbevolen bij een voorgeschiedenis van dysfagie en aspiratie, de fabrikant van Xeomin adviseert zeer voorzichtig te zijn bij de behandeling voor cervicale dystonie.

Bij ontstaan van problemen met slikken, praten of de ademhaling dient de patiënt onmiddellijk medische hulp in te roepen.

Patiënten met onderliggende neurologische aandoeningen zoals subklinische of klinische bewijzen van een defecte neuromusculaire transmissie (bv. myasthenia gravis of Eaton-Lambertsyndroom) en perifere motorische neuropathische aandoeningen (bv. amyotrofe laterale sclerose of motorische neuropathie), alleen onder supervisie van een gespecialiseerde arts en met grote voorzichtigheid behandelen.

Door herhaalde injecties kan het effect toe- óf afnemen. Te frequente toediening of hoge doses kan leiden tot vorming van antilichamen, waardoor resistentie kan ontstaan. De kans op de vorming van antistoffen minimaliseren door te injecteren met de laagste effectieve doses en op de langste klinisch geïndiceerde intervallen. De duur van de respons is over het algemeen korter bij patiënten die antilichamen ontwikkelen, waardoor deze vaker moeten worden behandeld. Een patiënt kan, ondanks de ontwikkeling van antilichamen, klinisch nut van een behandeling blijven ondervinden.

Bij ernstige overgevoeligheidsreacties de behandeling staken en behandelen met adrenaline. Wees voorzichtig bij een allergische reactie op botulinetoxine A in de voorgeschiedenis.

Er zijn meldingen geweest van (letale) bijwerkingen door toxineverspreiding naar andere plaatsen in het lichaam, bv. een slikstoornis, (aspiratie)pneumonie, krachtverlies, ademhalingsproblemen.

Voor vruchtbare vrouwen, zie de rubriek Zwangerschap.

Indicatie specifiek

Wees bij focale spasticiteit voorzichtig bij patiënten met meer kans op vallen en bij significante comorbiditeit. Botulinetoxine A mag niet worden gebruikt voor de behandeling van spasticiteit bij patiënten bij wie een vaste contractuur is ontstaan. Botulinetoxine A is niet bedoeld als vervanging van de standaardbehandeling bij focale spasticiteit van de bovenste ledematen.

Patiënten die behandeld worden voor spasticiteit van de bovenste ledematen of torticollis spasmodica en die eerder akinetisch waren of een zittend leven leidden, dienen na injectie met botulinetoxine A geleidelijk hun activiteiten te gaan hervatten.

Bij blefarospasme regelmatig controleren op het optreden van droge ogen door onvoldoende sluiten van het behandelde oog of door een verminderde lidslag. Stel zo nodig een behandeling in met beschermende druppels, zalf, afsluiting van het oog door een patch of andere middelen ter voorkomen van hoornvliesaandoeningen. Wees voorzichtig bij meer kans op het ontwikkelen van gesloten-kamerhoekglaucoom. Na een eerdere oogoperatie de gevoeligheid van de cornea testen. Injectie in het onderste ooglid vermijden om een ectropion te voorkomen en een eventueel epitheeldefect behandelen. Ecchymosis kan worden geminimaliseerd door direct na de injectie druk uit te oefenen op de injectieplaats.

Bij hemifaciale spasmen mogen geen spieren in het onderste gezichtsveld worden geïnjecteerd vanwege risico op lokale zwakte. Er is geen ervaring met injecties in het onderste gezichtsveld.

Bij medicatie-geïnduceerde sialorroe (bv. door aripiprazol, clozapine, pyridostigmine) eerst overwegen de inducerende medicatie te vervangen, reduceren of staken (indien mogelijk) voordat behandeling met botulinetoxine A wordt aangevangen. De werkzaamheid en veiligheid bij medicatie-geïnduceerde sialorroe zijn niet onderzocht. Overweeg verlaging van de dosis indien gevallen van een droge mond optreden. Een tandartsbezoek en informeren van de tandarts aan het begin van de behandeling wordt aanbevolen, zodat deze geschikte maatregelen voor de profylaxe van cariës kan nemen.

Bij disfunctie van de blaas een cystoscopie met voorzichtigheid uitvoeren. Bij behandeling voor disfunctie van de blaas bij patiënten die zichzelf níet katheteriseren binnen 2 weken na de behandeling en indien nodig periodiek tot 12 weken, het residuele urinevolume na de mictie meten. Bij optreden van autonome dysreflexie geassocieerd met de behandelingsprocedure voor neurogene detrusor-overactiviteit, kan onmiddellijk medisch ingrijpen nodig zijn.

Bij de behandeling van rimpels/lijnen in het gezicht is het van essentieel belang voorafgaand aan de toediening op de hoogte te zijn van de anatomie van het gezicht van de patiënt. Let hierbij op asymmetrie van het gezicht, ptosis, excessieve dermatochalasie, littekenvorming en eventuele veranderingen in deze anatomie als gevolg van eerdere chirurgische interventies. Bij falen van de behandeling of een verminderd effect na herhaalde injecties andere behandelmethoden toepassen. Overweeg bij falen van de behandeling na de eerste behandelsessie, om de oorzaken voor het falen te analyseren (bv. injectie in de verkeerde spieren, een onjuiste injectietechniek of de vorming van toxineneutraliserende antistoffen) of heroverweeg de relevantie van de behandeling met botulinetoxine A. Bij de behandeling van glabellalijnen en laterale ooghoeklijnen zijn droge ogen gemeld. Verminderde traanproductie, verminderd knipperen met de ogen en aandoeningen van het hoornvlies kunnen voorkomen. Bij gebruik van botulinetoxine A in perioculaire regio's controleren op het optreden van droge ogen door onvoldoende sluiten van het behandelde oog of door een verminderde lidslag. Stel zo nodig een behandeling in met beschermende druppels, zalf, afsluiting van het oog door een patch of andere middelen ter voorkomen van hoornvliesaandoeningen.

Overig

Niet gebruiken bij kinderen < 12 jaar, behalve bij toepassing voor spastische verlamming. Bij kinderen met ernstige spastische verlamming zijn er zeldzame, spontane meldingen van mortaliteit, soms in combinatie met het optreden van een aspiratiepneumonie. Wees voorzichtig bij kinderen met significante mentale retardatie, dysfagie of een recent antecedent van aspiratiepneumonie of longziekte.

De veiligheid en werkzaamheid van Xeomin, Alluzience, Azzalure, Bocouture en Vistabel is niet aangetoond bij kinderen < 18 jaar en van Dysport niet bij de behandeling van kinderen < 12 jaar (behalve bij de indicatie spastische verlamming). De veiligheid en werkzaamheid van Dysport bij de behandeling van urine-incontinentie als gevolg van neurogene detrusoractiviteit is niet aangetoond bij kinderen < 18 jaar. Er zijn relatief weinig klinische gegevens over de toepassing van Botox als behandeling van spasticiteit van de bovenste en onderste ledematen bij personen > 65 jaar na een CVA. De veiligheid en werkzaamheid is niet vastgesteld voor de profylaxe van chronische spanningshoofdpijn, episodische migraine (< 15 dagen/mnd.) en van hoofdpijn door overmatig gebruik van geneesmiddelen.

Resten injectievloeistof moeten vóór het afvoeren door autoclavering of door toevoeging van een verdunde hypochlorietoplossing worden geïnactiveerd.

De rijvaardigheid en het bedienen van machines kan worden beïnvloed, gezien het optreden van asthenie, spierzwakte, duizeligheid en visusstoornissen. Dit is afhankelijk van de indicatie.

Overdosering

Symptomen

Afhankelijk van dosis, injectieplaats en de eigenschappen van het onderliggende weefsel. Overmatige doses kunnen leiden tot lokale óf verder gelegen, algemene en ernstige neuromusculaire verlamming. De symptomen treden niet onmiddellijk na injectie op. Indien spieren van keel en slokdarm betrokken zijn, kan aspiratie optreden, eventueel leidend tot een aspiratiepneumonie. Progressieve tekenen en symptomen van spierzwakte waaronder ptosis, dubbelzien, dysfagie, spraakstoornis (dysartrie), algemene zwakte of ademhalingsproblemen tot aan paralyse van de ademhalingsspieren.

Therapie

Bij ernstige verlamming ademhalingsspieren: intubatie en kunstmatige beademing, mogelijk langdurig ondersteunende zorg en beademing (cave tracheostoma).

Neem voor meer informatie over een overdosering van botulinetoxine A contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Werkingsmechanisme

  • Perifeer werkend spierrelaxans. Na binding aan de presynaptische membraan blokkeert botuline A-toxine het vrijkomen van acetylcholine door het splitsen van SNAP-25 (eiwit dat zorgt voor opslag en afgifte van acetylcholine in zenuwblaasjes) en verhindert zo tijdelijk maar langdurig de neuromusculaire prikkeloverdracht. Na i.m.-injectie ontstaat hierdoor een lokale spierverlamming met (reversibele) atrofie. Herstel van de impulstransmissie vindt na i.m.-injectie geleidelijk plaats, doorgaans binnen 3–4 maanden, wanneer zenuwuiteinden groeien en weer contact wordt gemaakt met de postsynaptische motorische eindplaat.
  • Blokkeert het vrijkomen van neurotransmitters die in verband worden gebracht met het ontstaan van pijn. Tevens vermindert botulinetoxine A neurogene ontsteking en verhoogt het de drempelwaarde voor cutane pijn als gevolg van hitte.

Werking: aanvang & duur bij de specifieke indicaties

  • blefarospasme binnen drie dagen, max. na één tot twee weken, houdt ca. 3–4 maanden aan;
  • cervicale dystonie en focale spasticiteit binnen twee weken, max. na vier tot zes weken, houdt gemiddeld twaalf weken aan (range 2–33 weken);
  • bij spasticiteit van de arm na CVA na 1 week; max. binnen 4 weken, houdt 12–16 weken aan, soms tot 20 weken;
  • bij een overactieve blaas of urine-incontinentie doorgaans na 2 weken, effect houdt bij instabiele blaas gemiddeld 24 weken (Botox) aan en bij urine-incontinentie ca. 36–42 weken (Botox) resp. 39-47 weken (Dysport);
  • hyperhidrose: meestal in de eerste week, max. na twee weken, houdt ca. 48 weken (Dysport), resp. gem. 7½ maand (Botox) aan;
  • bij behandeling van verticale rimpels tussen de wenkbrauwen (Alluzience, Azzalure, Bocouture, Vistabel) binnen enkele dagen tot een week, max. effect op dag 30, houdt tot 4–6 maanden aan;
  • bij behandeling van laterale periorbitale lijnen (kraaienpootjes) (Bocouture, Vistabel) na 6 dagen, max. effect op dag 30, houdt tot 4-5 maanden aan;
  • bij behandeling van horizontale voorhoofdslijnen (Bocouture, Vistabel) na 7 dagen, max. effect op dag 30, houdt tot 4 maanden aan.

De werkzaamheid van Bocouture was in subgroepanalysen bij patiënten > 50 jaar lager dan bij jongeren, en bij mannen lager dan bij vrouwen.

Groepsinformatie

botulinetoxine A hoort bij de groep spierrelaxantia, perifeer werkend, lokaal.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links