finerenon

Samenstelling

Zie voor hulpstoffen de productinformatie van CBG/EMA of raadpleeg een apotheker.

Kerendia Bijlage 2 Aanvullende monitoring Bayer bv

Toedieningsvorm
Tablet, filmomhuld
Sterkte
10 mg, 20 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

finerenon vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Behandel, indien mogelijk, de oorzaak van chronische nierschade. Start daarnaast behandeling om het grotere risico op (vnl. cardiovasculaire) morbiditeit te verminderen en progressie van nierschade te voorkomen of beperken. Behandel de complicaties van nierschade en start eventueel niervervangende therapie (dialyse).

Het toevoegen van finerenon aan de behandeling van chronische nierschade kan worden overwogen bij patiënten in stadium 3 of 4 chronische nierschade met albuminurie. Dit middel remt de achteruitgang van de nierfunctie, verlaagt de kans op het krijgen van een cardiovasculair event en vermindert de mortaliteit.

Aan de vergoeding van finerenon zijn voorwaarden verbonden, zie Regeling zorgverzekering, bijlage 2.

Indicaties

  • Behandeling van chronische nierschade in stadium 3 of 4, met albuminurie, bij volwassenen met diabetes mellitus type 2.

Gerelateerde informatie

Dosering

Zie voor controles vóór het instellen van de behandeling de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen.

Klap alles open Klap alles dicht

Chronische nierschade in stadium 3 of 4 met albuminurie

Volwassenen (incl. ouderen)

Begindosering: bij een eGFR ≥ 60 ml/min/1,73 m 2: 20 mg 1×/dag, bij een eGFR van 25–60 ml/min/1,73 m 2: 10 mg 1×/dag. Vier weken na het starten of hervatten van de behandeling of na een dosisverhoging, op geleide van de eGFR en de serumkaliumconcentratie de dosering zo nodig verhogen tot maximaal 20 mg 1×/dag. Meet vervolgens regelmatig de serumkaliumconcentratie en pas zo nodig de dosering aan, zie tabel 1.

Huidig serumkalium (mmol/l)

Huidige dosering 10 mg 1×/dag

Huidige dosering 20 mg 1×/dag

≤ 4,8

Verhoog tot 20 mg 1×/dag; handhaaf 10 mg 1×/dag bij een eGFR-vermindering > 30% t.o.v. de vorige meting.

Handhaaf 20 mg 1×/dag

> 4,8 tot 5,5

Handhaaf 10 mg 1×/dag

Handhaaf 20 mg 1×/dag

> 5,5

Onderbreek de behandeling. Overweeg opnieuw te starten met 10 mg 1×/dag wanneer het serumkalium ≤ 5,0 mmol/l is.

Onderbreek de behandeling. Start opnieuw met 10 mg 1×/dag wanneer het serumkalium ≤ 5,0 mmol/l is.

Voortzetting van de behandeling en aanpassing van de dosis Vergroot tabel

Verminderde nierfunctie: Behandeling niet starten bij een eGFR < 25 ml/min/1,73 m2 vanwege onvoldoende gegevens. Een lopende behandeling kan wel voortgezet worden zolang de eGFR ≥ 15 ml/min/1,73 m2 is; als tijdens de behandeling de eGFR daalt tot ≤ 15 ml/min/1,73 m2, de behandeling staken vanwege onvoldoende gegevens.

Verminderde leverfunctie: Behandeling niet starten bij een ernstige leverfunctiestoornis omdat een significante toename van de blootstelling aan finerenon wordt verwacht. Bij een lichte of matige leverfunctiestoornis is geen aanpassing van de begindosering nodig; overweeg bij een matige leverfunctiestoornis extra controle van het serumkalium.

Vergeten dosis: deze zo snel mogelijk innemen, maar uitsluitend op dezelfde dag, daarna niet meer.

Toediening: De tablet innemen met een beetje water. Niet innemen met pompelmoes- of grapefruitsap vanwege de verwachte verhoging van de plasmaconcentratie van finerenon. Bij slikproblemen de tablet vlak vóór gebruik vermalen en mengen met water of zachte voeding (zoals appelmoes).

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): hyperkaliëmie (18,3%).

Vaak (1-10%): hypotensie. Jeuk. Hyponatriëmie. Daling van de eGFR.

Soms (0,1-1%): daling van het hemoglobinegehalte.

Interacties

Finerenon is vooral een substraat voor CYP3A4 (90%) en in mindere mate voor CYP2C8 (10%).

Comedicatie met sterke CYP3A4-remmers (zoals itraconazol, ketoconazol, ritonavir, cobicistat, claritromycine) is gecontra-indiceerd vanwege een verwachte sterke toename van de blootstelling aan finerenon. Tijdens de behandeling dient de patiënt geen grapefruit-/pompelmoessap te drinken. Finerenon niet combineren met sterke of matige CYP3A4-inductoren (zoals carbamazepine, fenytoïne, fenobarbital, efavirenz, sint-janskruid) vanwege een verwachte sterke afname van de blootstelling aan finerenon.

Finerenon niet gelijktijdig geven met andere kaliumsparende diuretica of andere mineralocorticoïdreceptor-antagonisten (ook wel aldosteron-antagonisten, zoals eplerenon en spironolacton) vanwege een verwacht groter risico op hyperkaliëmie.

Overweeg bij comedicatie met matige of zwakke CYP3A4-remmers extra controle van het serumkalium, vooral bij het instellen van de behandeling of bij dosisverandering. Erytromycine (500 mg 3×/dag) verhoogt de AUC van finerenon met een factor 3,5 en de Cmax met een factor 1,9. Verapamil (240 mg mga 1×/dag) verhoogt de AUC van finerenon met een factor 2,7 en de Cmax met een factor 2,2. Fluvoxamine verhoogt de AUC van finerenon met een factor 1,6 en de Cmax met een factor 1,4.

Overweeg bij comedicatie met kaliumsupplementen of trimethoprim-bevattende middelen extra controle van het serumkalium. Bij gebruik van trimethoprim(/sulfamethoxazol) eventueel finerenon tijdelijk staken.

Bij gebruik van meerdere andere antihypertensiva de bloeddruk extra controleren vanwege meer kans op hypotensie.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren (in zeer hoge dosering) schadelijk gebleken, zoals een verminderd gewicht van de placenta en toxiciteit bij de foetus (o.a. verminderd gewicht van de foetus, vertraagde ossificatie). In dieronderzoek met een lagere, maar nog steeds supratherapeutische blootstelling, werd naast een verlaagd lichaamsgewicht en vertraagd ontvouwen van de oorschelp, een enigszins toegenomen locomotrische activiteit waargenomen; dit laatste kan duiden op een potentieel risico voor de foetus.

Advies: Alleen op zeer strikte indicatie gebruiken.

Overig: Een vruchtbare vrouw dient adequate anticonceptieve maatregelen te nemen gedurende de therapie.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend bij de mens. Ja, bij dieren (finerenon en zijn metabolieten).

Farmacologisch effect: In onderzoek bij dieren tijdens de dracht en de lactatie werden een hogere mortaliteit, een lager gewicht van de jongen, vertraagd ontvouwen van de oorschelp en enigszins toegenomen locomotorische activiteit waargenomen. Een nadelig effect bij de zuigeling kan daarom niet worden uitgesloten.

Advies: Het gebruik van dit geneesmiddel óf het geven van borstvoeding ontraden.

Contra-indicaties

  • ziekte van Addison.

Zie voor meer contra-indicaties de rubriek Interacties.

Waarschuwingen en voorzorgen

Instellen van de behandeling: Meet voor het begin van de behandeling de eGFR en de serumkaliumconcentratie. Bij een serumkalium ≤ 4,8 mmol/l kan de behandeling ingesteld worden. Bij een serumkalium > 4,8 tot 5,0 mmol/l kan overwogen worden de behandeling te starten met aanvullende monitoring van het kaliumgehalte gedurende de eerste 4 weken. Bij een serumkalium > 5,0 mmol/l de behandeling niet instellen. Meet opnieuw het serumkalium en de eGFR 4 weken na het instelllen, opnieuw starten of verhogen van de dosering en pas zo nodig de dosering aan (zie rubriek Dosering). Controleer daarna de serumkaliumconcentratie regelmatig op basis van de serumkaliumwaarden en patiëntkenmerken. Er is een groter risico op hyperkaliëmie bij een verminderde nierfunctie, een hoger serumkalium, eerdere episoden van hyperkaliëmie en bij gebruik van andere serumkaliumverhogende middelen (zie rubriek Interacties); overweeg dan frequentere controle.

Onderzoeksgegevens: Er zijn beperkte gegevens bij een eGFR < 25 ml/min/1,73 m2 vóór het starten van de behandeling en bij een eGFR die afneemt tot < 15 ml/min/1,73 m2 tijdens de behandeling. Er zijn geen gegevens over de werkzaamheid en veiligheid bij:

  • een ernstige leverfunctiestoornis;
  • hartfalen NYHA klasse II-IV;
  • kinderen (< 18 jaar).

Overdosering

Neem voor informatie over een vergiftiging met finerenon contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Finerenon is een non-steroïdale, selectieve, mineralocorticoïdreceptor-antagonist (MRA) (ook wel aldosteron-antagonist). De mineralocorticoïdreceptor (MR) wordt geactiveerd door cortisol en aldosteron, en is betrokken bij de gentranscriptie. Overactivatie van de MR speelt een rol in de orgaanschade die wordt gevonden bij chronische nierschade (CNS), hartfalen en hypertensie, veroorzaakt door pro-inflammatoire en profibrotische effecten, zoutretentie en endotheliale disfunctie. Binding van finerenon aan de MR leidt tot een specifiek receptor-ligand complex; dit complex verhindert de rekrutering van transcriptionele co-activatoren die een rol spelen in de genexpressie van pro-inflammatoire en profibrotische mediatoren.

Kinetische gegevens

Resorptie vrijwel volledig.
F ca. 44% vanwege 'first pass'-metabolisme in de darmwand en de lever.
T max 0,5-1,25 uur (nuchter).
Overig inname met vetrijk, calorierijk voedsel leidt tot een klinisch niet relevante stijging van de AUC, daling van de Cmax en verlenging van de Tmax.
V d 0,75 l/kg.
Eiwitbinding ca. 92%, vnl. aan albumine.
Metabolisering ca. 90% door CYP3A4 en 10% door CYP2C8 tot 4 inactieve metabolieten.
Eliminatie vrijwel uitsluitend als metabolieten, ca. 80% via de urine, ca. 20% via de feces. Minder dan 1% onveranderd via de urine, < 0,2% onveranderd via de feces. Finerenon wordt waarschijnlijk niet geëlimineerd door hemodialyse.
T 1/2el 2-3 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

finerenon hoort bij de groep diuretica, kaliumsparende.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links