verapamil/​trandolapril

Samenstelling

Tarka Mylan bv

Toedieningsvorm
Capsule met gereguleerde afgifte '180/2'

Bevat per capsule: verapamil(hydrochloride) 180 mg, trandolapril 2 mg.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

verapamil/​trandolapril vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Bij hypertensie verlagen diuretica, β-blokkers, calciumantagonisten (dihydropyridinen), angiotensine I converterend enzym (ACE)-remmers en angiotensinereceptorblokkers (ARB’s) de bloeddruk effectief en verminderen het tienjaarsrisico op cardiovasculaire mortaliteit en morbiditeit. Comorbiditeit en specifieke patiëntenkenmerken bepalen welke groepen en welke middelen als eerste in aanmerking komen. De voorkeur gaat uit naar middelen met een 24-uurs-werkzaamheid. Als één middel onvoldoende effectief is, is het toevoegen van een middel uit een andere groep effectiever dan het verhogen van de dosis; tevens beperkt het de bijwerkingen als gevolg van een dosisverhoging. De vaste combinatie in de juiste dosisverhouding heeft om reden van therapietrouw de voorkeur.

Indicaties

  • Hypertensie die is genormaliseerd door behandeling met verapamil en trandolapril in dezelfde doseringsverhouding.

Gerelateerde informatie

Dosering

Klap alles open Klap alles dicht

Hypertensie:

Volwassenen:

's morgens 1 capsule '180/2'.

De capsule in zijn geheel doorslikken met een glas water.

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): hoofdpijn, (draai–)duizeligheid. Eerstegraads AV-blok. (Orthostatische) hypotensie, shock, blozen, opvliegers. Hoesten. Obstipatie.

Soms (0,1-1%): misselijkheid, buikpijn, diarree. Hartkloppingen, pijn op de borst. Huiduitslag, jeuk, gezichtsoedeem, toegenomen transpiratie. Polyurie. Tremor. Slaperigheid. Overgevoeligheid. Hyperlipidemie. Abnormale leverfunctie.

Zelden (0,01-0,1%): anorexie. Alopecia. Syncope. Herpes simplex. Hyperbilirubinemie. Hyperuremie.

Zeer zelden (< 0,01%): artralgie, spierpijn, spierzwakte. Moeheid, asthenie. Stijging van leverenzymwaarden, lipase, immunoglobulinen. Cholestasis, geelzucht, hepatitis. Pancreatitis, droge mond/keel, braken. Acuut nierfalen, verhoogd serumkalium. Angio-oedeem, erythema multiforme, urticaria, dermatitis, psoriasis, (perifeer) oedeem. Angina pectoris, atriumfibrilleren, bradycardie, tachycardie, hartfalen, hartstilstand, cerebrale bloeding. Bloeddrukschommelingen. Astma, bronchitis, dyspneu, neusverstopping. Leukopenie, trombocytopenie, pancytopenie. Gynaecomastie. Erectiele disfunctie. Paresthesie, hyperesthesie, verminderd evenwicht, bewustzijnsverlies, smaakverandering. Nervositeit, angst, depressie, agressie, slapeloosheid. Visusstoornissen.

Verder zijn gemeld: bovenste luchtweginfectie, glossitis, urineweginfectie. Agranulocytose, verminderd hemoglobine of hematocriet, hemolytische anemie (bij glucose-6-fosfaat dehydrogenase deficiëntie). Myocardinfarct, tweede en derdegraads AV-blok, sinusbradycardie, sinusarrest, asystolie, aritmie, ventriculaire tachycardie, myocardischemie, afwijkend ECG. Slaapstoornis, verminderd libido, hallucinaties, verwardheid. TIA, CVA. Myoclonus, migraine, extrapiramidale stoornis, tetraparese. Toegenomen eetlust, hyperkaliëmie, hypercholesterolemie, hyperglykemie, hyponatriëmie, hyperurikemie, jicht, enzymafwijking. Blefaritis, conjunctivaal oedeem. Tinnitus. Hypertensie, angiopathie, stoornissen in de perifere circulatie, spataders. Bronchospasmen, epistaxis. Indigestie, gastritis, winderigheid, gingivahyperplasie (na langdurige behandeling, reversibel na stopzetten), haematemesis, ileus, intestinaal oedeem, glossitis. Cholestatische geelzucht. Stevens-Johnsonsyndroom, toxische epidermale necrolyse, erytromelalgie, purpura, eczeem, acne, droge huid. Rugpijn, pijn in extremiteiten, botpijn, osteoartritis, spierspasmen, myasthenia gravis. Pollakisurie. Galactorroe. Koorts, malaise. Verhoogd creatine- en prolactinegehalte in het bloed.

In zeldzame gevallen zijn ACE-remmers in verband gebracht met een syndroom dat begint met cholestatische icterus en overgaat in fulminante hepatische necrose en (soms) overlijden.

Interacties

Combinatie met middelen die cardiodepressief werken of de prikkelvorming of -geleiding remmen, zoals β-blokkers, anti-aritmica en inhalatie-anesthetica, kan leiden tot sterke AV-geleidingsstoornissen, hypotensie of hartfalen. Gelijktijdige i.v. toediening van β-blokkers is gecontra-indiceerd (uitzondering: intensivecare-afdeling). Combinatie met ivabradine is eveneens gecontra-indiceerd vanwege het additionele hartslagverlagende effect. Bij toevoeging aan (voorafgaande) therapie met een diureticum kan een versterkte hypotensieve reactie optreden.

Gelijktijdige behandeling met een ACE–remmer en een ARB vermeerdert de kans op hypotensie, syncope, hyperkaliëmie en achteruitgang van de nierfunctie; een dubbele blokkade alleen toepassen onder supervisie van een gespecialiseerd arts bij afzonderlijk gedefinieerde patiënten (zonder diabetische nefropathie) bij wie de nierfunctie, bloeddruk en het elektrolytengehalte regelmatig worden gecontroleerd. Bij diabetespatiënten of een verminderde nierfunctie (GFR < 60 ml/min/1,73 m²) is het gebruik van trandolapril in combinatie met aliskiren gecontra–indiceerd. Bij andere patiënten wordt de combinatie ontraden; indien de combinatie toch toegepast dient te worden, is periodieke bepaling van de nierfunctie, bloeddruk en serumelektrolyten aanbevolen.

Gelijktijdige behandeling met sacubitril is gecontra-indiceerd vanwege meer kans op angio-oedeem bij gelijktijdige remming van neprilysine en ACE; sacubitril/valsartan minimaal 36 uur ná inname van de laatste dosis van een ACE-remmer starten. Dit geldt ook andersom; na staken van de behandeling met sacubitril/valsartan, niet eerder dan 36 uur na de laatste dosering starten met een ACE-remmer.

Kaliumzouten, kaliumsparende diuretica, heparine en andere plasmakalium-verhogende geneesmiddelen (bv. cotrimoxazol, tacrolimus, ciclosporine) versterken het effect op het serumkaliumgehalte en kunnen tot hyperkaliëmie leiden.

Combinatie met NSAID's (incl. COX-2 remmers en acetylsalicylzuur > 3 g/dag) vermindert het antihypertensieve effect en vergroot de kans op achteruitgang van de nierfunctie en hyperkaliëmie.

Combinatie van ACE-remmers met insuline en/of orale bloedglucoseverlagende middelen kan leiden tot een toegenomen bloedglucoseverlaging met het risico van hypoglykemie, vooral gedurende de eerste weken en bij een gestoorde nierfunctie.

Bij combinatie van timolol oogdruppels met oraal verapamil is bij een patiënt met een 'wandering atrial pacemaker' asymptomatische bradycardie waargenomen (36 slagen/minuut).

Verapamil kan de plasmaconcentratie van geneesmiddelen die substraat zijn voor CYP1A, CYP2C, CYP3A of voor P-glycoproteïne verhogen (bv. buspiron, midazolam, imipramine, theofylline, kinidine, glibenclamide, propranolol, carbamazepine, sommige statinen (bv. atorvastatine, simvastatine), terazosine, ciclosporine, everolimus, tacrolimus, sirolimus en doxorubicine), die van digoxine met 50–70% (zelfs soms > 100%) en die van ciclosporine met 200–400%. Bij combinatie met atorvastatine of simvastatine bij voorkeur het statine vervangen door een statine dat niet door CYP450-enzymen wordt gemetaboliseerd (bv. pravastatine). Colchicine is een substraat van zowel CYP3A4 als P–glycoproteïne; combinatie met verapamil wordt ontraden vanwege meer kans op een verhoogde colchicinespiegel. CYP3A4-remmers kunnen de plasmaconcentratie van verapamil verhogen (bv. azool–antimycotica, HIV-proteaseremmers (zoals ritonavir), fluoxetine, sertraline, cimetidine, claritromycine, erytromycine, grapefruitsap), CYP3A4-induceerders kunnen deze verlagen (bv. rifampicine, fenytoïne, fenobarbital en sint-janskruid). Bij combinatie van verapamil met dabigatran (Pgp-substraat) kan de blootstelling aan dabigatran verhoogd worden; nauwkeurig controleren, met name op bloedingen, vooral bij een lichte tot matig ernstige nierfunctiestoornis.

Het effect van spierrelaxantia kan worden versterkt. Het effect van lithium kan zowel toe– als afnemen; indien combinatie met verapamil/trandolapril onvermijdbaar is, de lithiumspiegel regelmatiger controleren.

Er is meer kans op hematologische reacties bij combinatie met geneesmiddelen die een negatieve invloed hebben op het bloedbeeld (bv. allopurinol, immunosuppressiva waaronder corticosteroïden, cytostatica). Er is meer kans op een nitritoïde reactie, als gevolg van intraveneuze toediening van aurothiomalaat bij gelijktijdige inname van ACE-remmers. Nitritoïde reacties, welke vrij ernstig kunnen zijn, worden gekenmerkt door roodheid in het gezicht, misselijkheid, duizeligheid en hypotensie. De kans op een bloeding neemt toe bij combinatie met acetylsalicylzuur.

Bij combinatie met een mTOR-remmer (everolimus, (tem)sirolimus) en een ACE-remmer is er meer kans op angio-oedeem.

Combinatie van verapamil/trandolapril met dantroleen wordt ontraden.

Zwangerschap

Teratogenese: Gebruik van ACE-remmers tijdens het 2e en 3e trimester is schadelijk, zich uitend in neonatale longhypoplasie, intra-uteriene groeivertraging, persisterende ductus arteriosus en schedelhypoplasie.
Farmacologisch effect: Gebruik van ACE-remmers tijdens het 2e en 3e trimester kan leiden tot foetale en/of neonatale toxiciteit zoals hypotensie, gestoorde nierfunctie, nierfalen, oligohydramnion en hyperkaliëmie. Het is niet uit te sluiten dat verapamil foetale bradycardie en hypotensie kan veroorzaken in het 2e en 3e trimester. Voorts is weeënremming aan het eind van de zwangerschap mogelijk.
Advies: Gebruik tijdens het 1e trimester wordt niet aanbevolen; gebruik tijdens het 2e en 3e trimester is gecontra-indiceerd.
Overige: Bij kinderwens en zwangerschap instellen op een alternatieve therapie; aangeraden wordt de patiënte bij het begin van de behandeling al hierop te wijzen. Als blootstelling vanaf het 2e trimester heeft plaatsgevonden, een echoscopie verrichten van de nieren en schedel van de foetus. Neonaten nauwkeurig controleren op hypotensie.

Lactatie

Overgang in moedermelk: Onbekend (trandolapril), ja in geringe hoeveelheden (verapamil).
Farmacologisch effect: Wegens het ontbreken van een 'first pass'-effect bij het kind is het theoretisch mogelijk dat door verapamil bij het kind lage bloeddruk, bradycardie en perifeer oedeem optreden. Gezien de geringe hoeveelheden in de moedermelk wordt een effect op het kind echter onwaarschijnlijk geacht.
Advies: Gebruik ontraden met name bij prematuren en neonaten.

Contra-indicaties

  • onbehandeld hartfalen;
  • cardiogene shock;
  • tweede- of derdegraads AV-blok zonder functionerende pacemaker;
  • sino–atriaal blok;
  • aorta–of mitralisstenose, hypertrofe obstructieve cardiomyopathie;
  • sick-sinussyndroom zonder functionerende pacemaker;
  • atriumfibrilleren/–flutter bij een atrioventriculaire nevenverbinding (zoals bij het Wolff-Parkinson-Whitesyndroom. Lown-Ganong-Levinesyndroom);
  • gecompliceerd recent myocardinfarct;
  • ernstige nierfunctiestoornissen (creatinineklaring < 30 ml/min), dialyse;
  • primair aldosteronisme;
  • levercirrose met ascites;
  • angio-oedeem in de anamnese (al dan niet in verband met een ACE-remmer);
  • overgevoeligheid voor een ACE–remmer in de anamnese.

Zie voor meer contra-indicaties de rubrieken Zwangerschap, Interacties en Waarschuwingen/voorzorgen.

Waarschuwingen en voorzorgen

Vanwege het risico van een ernstige hypotensieve reactie is klinische instelling op ACE-remmers aangewezen bij ernstige volume- en/of zoutdepletie, ernstige renine-afhankelijke hypertensie, dialyse en indien een aanzienlijke bloeddrukdaling riskant is zoals bij ischemische hartziekten en cerebrovasculaire aandoeningen.

Om het risico van een ernstige hypotensieve reactie te minimaliseren, een bestaande diuretische therapie bij voorkeur 2–3 dagen vóór instelling op een ACE-remmer staken.

Voorzichtig toepassen bij eerstegraads AV-blok, bradycardie en bij aandoeningen waarbij de neuromusculaire transmissie is aangedaan (myasthenia gravis, Lambert–Eatonsyndroom, gevorderde Duchenne spierdystrofie).

Bij eerdere episoden van hartfalen moet de ejectiefractie vóór het begin van de behandeling > 35% zijn.

Er is meer kans op hyperkaliëmie bij een leeftijd > 70 jaar, diabetes mellitus, een gestoorde nierfunctie of plotseling verminderende nierfunctie, dehydratie, hypoaldosteronisme, metabole acidose, acuut hartfalen en cel-afbraak (ischemie, trauma, rabdomyolyse).

Met name bij een gestoorde nierfunctie rekening houden met (acute) achteruitgang van de nierfunctie en dan dient instelling op ACE-remmers klinisch te geschieden.

Dit preparaat niet gebruiken bij een ernstig gestoorde leverfunctie en secundaire hypertensie (m.n. bij renovasculaire hypertensie), vanwege onvoldoende ervaring en omdat in geval van renovasculaire hypertensie en bilaterale stenose van de arteriae renales of bij unilaterale stenose bij slechts één functionerende nier (zoals na een niertransplantatie), er risico bestaat van acuut nierfalen.

Bij ouderen de nierfunctie aan het begin van de behandeling controleren; ook bij nierfunctiestoornissen de nierfunctie controleren.

Vanwege de kans op neutropenie, de patiënt aanraden om gedurende de eerste drie maanden van de behandeling, bij tekenen van infecties (keelpijn, koorts of algehele malaise) onmiddellijk de arts te waarschuwen. Vooral bij verminderde nierfunctie en in het bijzonder indien deze gepaard gaat met collageenziekten of een behandeling met immunosuppressiva, het bloedbeeld (m.n. het aantal leukocyten) controleren vanwege meer kans op neutropenie.

Bij optreden van angio-oedeem de toediening onmiddellijk staken, indien de tong, glottis en/of larynx betrokken zijn, is er kans op luchtwegobstructie; overweeg zo snel mogelijk adrenaline (epinefrine) 0,3–0,5 mg i.m toe te dienen en/of neem maatregelen om de luchtweg vrij te houden. Ook bij alleen een zwelling van de tong (zonder ademnood) de patiënt langdurig observeren (minstens 12–24 uur) omdat de behandeling met antihistaminica en corticosteroïden niet altijd afdoende is.

Bij buikpijn intestinaal angio–oedeem overwegen. Als geelzucht of significant stijgende leverenzymwaarden optreden, de behandeling staken.

Bij desensibilisatie met dierlijke gifstoffen zijn anafylactische reacties beschreven; wees voorzichtig met ACE-remmers. Bij dialyse met 'high flux'-membranen en bij LDL-aferese via dextransulfaatabsorptie gelijktijdig gebruik van ACE-remmers vermijden vanwege een risico van ernstige anafylactoïde reacties, of dialyseren met een andere membraan.

Hypotensie die tijdens anesthesie/operatie optreedt als gevolg van geblokkeerde angiotensine II-vorming kan worden gecorrigeerd door volumevergroting.

Verapamil/trandolapril is gecontra–indiceerd bij kinderen < 18 jaar.

ACE-remmers en ARB's zijn minder effectief tegen hypertensie bij negroïde dan bij niet-negroïde mensen.

Overdosering

Neem voor informatie over een vergiftiging met verapamil/trandolapril contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Combinatie van een calciumantagonist met fenylalkylaminestructuur en een 'angiotensine converting enzyme'(ACE)-remmer. De capsule bevat een laag voor de gereguleerde afgifte van verapamil(hydrochloride) en een laag voor de directe afgifte van trandolapril. Bloeddrukverlagend effect: binnen 1 uur; werkingsduur: minimaal 24 uur.

Kinetische gegevens

Resorptieca. 90% (verapamil), 40–60% (trandolapril).
F10–35% door uitgebreid 'first pass'-effect (verapamil).
T maxca. 4 uur (verapamil), ca. 6 uur (norverapamil), ca. 30 min. (trandolapril), 4–6 uur (trandolaprilaat).
V d1,8–6,8 l/kg (verapamil).
Eiwitbindingca. 90 % (verapamil), > 80% (trandolaprilaat).
Metaboliseringo.a. door CYP3A4 in de lever tot diverse metabolieten, cumulatie mogelijk van actief norverapamil bij herhaalde toediening (verapamil).In plasma tot de ACE–remmer trandolaprilaat (trandolapril).
Eliminatiemet urine (70%) en feces (16%), vnl. als metabolieten (verapamil). Van de dosis wordt 10–15% als trandolaprilaat met de urine uitgescheiden. In totaal wordt ca. 33% met de urine en ca. 66% met de feces uitgescheiden (trandolapril).
T 1/2elgem. 8 uur (verapamil), < 1 uur (trandolapril), 16–24 uur (trandolaprilaat).

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

verapamil/trandolapril hoort bij de groep ACE-remmer met calciumantagonist.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links