Geneesmiddelen

Stofnaam

Geneesmiddel

Indicatie

Toediening

estradiol (bij puberteitsinductie)

Cetura

oraal

estradiol (oraal)

Estradiol, Estrofem, Progynova, Zumenon

climacterische klachten Osteoporose

oraal

estradiol (transdermaal)

Estradiol pleister, Lenzetto, Oestrogel, Systen

climacterische klachten Osteoporose

transdermaal

estradiol (vaginaal)

Vagifem, Vagirux

climacterische klachten cystitis bij gezonde, niet-zwangere vrouw (off-label)

vaginaal

estriol (oraal)

Synapause-E3 tablet

climacterische klachten

oraal

estriol (vaginaal)

Synapause-E3

climacterische klachten cystitis bij gezonde, niet-zwangere vrouw (off-label)

vaginaal

ethinylestradiol

Acelyn

oraal

Een volledig overzicht van alle indicaties per geneesmiddel kunt u vinden in de geneesmiddelteksten.

Werking

Werkingsmechanisme

Oestrogenen binden aan de nucleaire oestrogeenreceptor en activeren deze; hierdoor wordt de synthese van specifieke eiwitten geïnduceerd. Oestrogenen spelen een belangrijke rol in het voortplantings-, bot-, cardiovasculair- en centrale zenuwstelsel bij vrouwen.

Oestrogenen:

  • stimuleren bij de vrouw de ontwikkeling en de handhaving van de primaire en secundaire geslachtskenmerken;
  • brengen veranderingen tijdens de menstruele cyclus tot stand: veroorzaken proliferatie van het endometrium, toegenomen afscheiding van het cervicale slijmvlies en verdikking van het vaginale slijmvlies.

Effect

Bij postmenopauzale vrouwen hebben exogene oestrogenen, door vervanging van het verlies aan eigen oestrogeenproductie, de volgende effecten.

Systemisch:

  • vermindering van vasomotorische en urogenitale klachten;
  • tegengaan van versneld botverlies.

Vaginaal:

  • vermindering van urogenitale klachten.

Meer informatie

De bij de mens voorkomende oestrogenen zijn estradiol, estriol en estron; het belangrijkste oestrogeen bij de geslachtsrijpe vrouw is estradiol. Het wordt in de granulosacellen van rijpende follikels gevormd uit het precursorandrogeen testosteron, dat wordt gemaakt in de theca interna van de follikels.

Oestrogenen kunnen in drie groepen worden verdeeld:

  • de natuurlijke oestrogenen: estradiol, estriol, estron (in vrije en geconjugeerde vorm) en afgeleiden hiervan;
  • geconjugeerde equine oestrogenen;
  • de synthetische oestrogenen zoals ethinylestradiol.

Voor de (bij)werkingen van oestrogenen is het van belang onderscheid te maken tussen zowel het soort oestrogeen als de toedieningsroute.

Estradiol is biologisch het meest actieve oestrogeen. Na orale toediening wordt het echter voor een belangrijk deel in de darmwand en de lever omgezet in het zwakker werkende estron. Estriol is een kortwerkend oestrogeen en is daarom op gewichtsbasis het zwakst werkzaam; het wordt voornamelijk toegepast bij vaginale en urethra-vesicale klachten. Geconjugeerde oestrogenen bestaan uit een complex van oestrogenen (als synthetisch of natuurlijk preparaat), dat kan bestaan uit o.a. estronsulfaat en equilinesulfaat. Het synthetische ethinylestradiol heeft op gewichtsbasis berekend een sterk oestrogeen effect in vergelijking met estradiol.

Typerende bijwerkingen

Relatief frequent (m.n. bij aanvang behandeling)

  • misselijkheid;
  • hoofdpijn;
  • gevoelige of gespannen borsten;
  • onregelmatig vaginaal bloedverlies ('spotting').

Bij oestrogeensuppletie moet rekening worden gehouden met toename van de volgende (langetermijn-)risico's:

  • endometriumhyperplasie en -carcinoom;
  • mamma- en ovariumcarcinoom;
  • veneuze trombo-embolie;
  • CVA.

Meer informatie

Oestrogeenmonotherapie vermeerdert de kans op endometriumhyperplasie en endometriumcarcinoom. Om deze reden moet oestrogeentherapie worden gecombineerd met continue of intermitterende toediening van progestagenen. Ook wordt bazedoxifeen in combinatie met geconjugeerde oestrogenen gebruikt ter preventie van endometriumhyperplasie. Bij afwezigheid van een uterus is een combinatie met progestagenen niet nodig en ongewenst; een uitzondering vormen vrouwen die op enig tijdstip behandeld zijn voor endometriose.

Een tot 2-maal hoger risico op de diagnose mammacarcinoom is gerapporteerd bij vrouwen die langer dan 5 jaar gecombineerde oestrogeen-progestageenbehandeling hebben ontvangen. Bij oestrogeenmonotherapie is de kanstoename minder. De toegenomen kans wordt na 1-4 jaar van gebruik statistisch waarneembaar en neemt geleidelijk af na staken van de behandeling. Het extra risico kan nog 10 jaar of langer aanhouden bij vrouwen die langer dan 5 jaar hormoonsuppletietherapie hebben gehad.

Mogelijk neemt de kans op ovariumcarcinoom licht toe; deze risicotoename is binnen vijf jaar statistisch waarneembaar en neemt weer af na staken van de therapie.

Epidemiologische studies tonen aan dat hormoonsuppletietherapie, met name in het eerste jaar, de kans op veneuze trombo-embolie (diepveneuze trombose of longembolie) met een factor 1,3-3 verhoogt. Een belaste (familie)anamnese, ernstig overgewicht, roken en hogere leeftijd zijn risicofactoren voor veneuze trombo-embolie. Het risico kan tijdelijk toenemen door immobilisatie, operatie en grote traumata. Mogelijk is het risico op veneuze trombo-embolie lager bij transdermale toediening dan bij orale toediening, maar robuust bewijs hiervoor ontbreekt vooralsnog 1.

Bij gebruik van orale oestrogenen is een tot 1,5 maal verhoogd relatief risico op een ischemisch CVA gerapporteerd. Het absolute risico neemt vooral toe bij een hogere leeftijd.

Oraal gebruikte oestrogenen verhogen de uitscheiding van cholesterol in de gal. Daardoor veroorzaken ze een relatieve 2- tot 3-voudige toename van galblaasaandoeningen.

Er zijn enige aanwijzingen voor een toegenomen kans op dementie bij vrouwen die met hormoonsuppletietherapie zijn gestart op een leeftijd > 65 jaar.