Samenstelling

Ondansetron Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
2 mg/ml
Verpakkingsvorm
ampul 2 ml, 4 ml
Toedieningsvorm
Tablet, dispergeerbaar 'Orodisp'
Sterkte
4 mg, 8 mg

Bevat aspartaam: respectievelijk 3 mg en 6 mg per tablet.

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
4 mg, 8 mg

Zofran GlaxoSmithKline bv

Toedieningsvorm
Smelttablet 'Zydis'
Sterkte
4 mg, 8 mg

Bevat aspartaam. Bevat verder als conserveermiddel methyl- en propylparahydroxybenzoaat.

Toedieningsvorm
Zetpil
Sterkte
16 mg
Toedieningsvorm
Stroop
Sterkte
0,8 mg/ml
Verpakkingsvorm
50 ml

Bevat conserveermiddel natriumbenzoaat. Bevat tevens sorbitol en aardbeiensmaakstof.

Uitleg symbolen

Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Een 5HT3-(serotonine)receptorantagonist is het standaardmiddel voor de behandeling van misselijkheid en braken tijdens matig tot hoog emetogene chemotherapie, in combinatie met dexamethason en eventueel een neurokinine-1-receptorantagonist. Bij weinig of nauwelijks emetogene chemotherapie komt metoclopramide in aanmerking.

Indicaties

  • Preventie van misselijkheid en braken als gevolg van cytotoxische chemo- of radiotherapie bij volwassenen.
  • Behandeling van misselijkheid en braken als gevolg van chemotherapie bij kinderen ≥ 6 maanden.
  • Preventie en behandeling van postoperatieve misselijkheid en braken bij volwassenen en bij kinderen ≥ 1 maand.

Gerelateerde informatie

Dosering

Klap alles open Klap alles dicht

Misselijkheid en braken als gevolg van cytotoxische chemotherapie:

Volwassenen:

Bij sterk emetogene chemotherapie (bv. cisplatinebevattende kuur): op de dag van de chemotherapie 8 mg i.v. als eenmalige injectie óf 8-16 mg eenmalig als infusie òf 8 mg i.v. gevolgd door een- of tweemaal 8 mg i.v. met een interval van 2-4 uur of door een continu infuus van 1 mg/uur gedurende maximaal 24 uur. De eerste dosis 15 min voorafgaand aan de chemotherapie geven als langzame i.v. injectie (minstens 30 s) van 8 mg of als infuus van 8–16 mg gedurende ten minste 15 min. Zo nodig onmiddellijk voorafgaand aan de chemotherapie een dexamethason in hoge doseringen i.v. toedienen om de effectiviteit te verhogen. Na de eerste 24 uur gedurende maximaal 5 dagen, indien nodig, 8 mg oraal 2– 3×/dag of 16 mg rectaal 1×/dag.

Bij minder sterk emetogene chemotherapie (bv. kuur met cyclofosfamide, doxorubicine en/of carboplatine): op de dag van de chemotherapie 8 mg oraal elke 12 uur of 16 mg rectaal 1×/dag gedurende maximaal 5 dagen; de eerste dosis tabletten 1–2 uur vóór de chemotherapie geven en in geval van zetpillen 2 uur vóór de chemotherapie. Desgewenst kan de eerste dosis i.v. worden toegediend, als langzame i.v. injectie (minstens 30 s) van 8 mg of als infuus van 8 mg gedurende 15 min onmiddellijk voorafgaand aan de kuur.

Kinderen en adolescenten > 6 mnd. tot 17 jaar:

Op basis van lichaamsoppervlak: bij een lichaamsoppervlak van < 0,6 m² starten met 5 mg/m² i.v. onmiddellijk voorafgaand aan de kuur, gevolgd door 2 mg oraal 12 uur later en daarna gedurende maximaal 5 dagen 2 mg 2×/dag oraal; bij een lichaamsoppervlak van 0,6–1,2 m² starten met 5 mg/m² i.v. onmiddellijk voorafgaand aan de kuur, gevolgd door 4 mg oraal 12 uur later en daarna gedurende maximaal 5 dagen 4 mg 2×/dag oraal; bij een lichaamsoppervlak van > 1,2 m² starten met 5 mg/m² max. 8 mg i.v. onmiddellijk voorafgaand aan de kuur, gevolgd door 8 mg oraal 12 uur later en daarna gedurende maximaal 5 dagen 8 mg 2×/dag oraal. De intraveneuze dosis mag niet meer dan 8 mg per keer zijn, de totale dagdosis mag de dosis voor volwassenen van 32 mg niet overschrijden.

Op basis van lichaamsgewicht: starten met 0,15 mg/kg i.v. (max. 8 mg) onmiddellijk voorafgaand aan de kuur; zonodig deze dosering maximaal 2 maal herhalen met tussenpozen van 4 uur. De intraveneuze dosis mag niet meer dan 8 mg per keer zijn, de totale dagdosis mag de dosis voor volwassenen van 32 mg niet overschrijden. Vervolgens gedurende maximaal 5 dagen, indien nodig, bij een lichaamsgewicht ≤ 10 kg 2 mg 2×/dag oraal en bij een lichaamsgewicht > 10 kg 4 mg 2×/dag oraal.

Leeftijd ≥ 75 jaar:

Maximale begindosis 8 mg, toedienen als i.v. infuus gedurende minstens 15 minuten. Zo nodig gevolgd door een- of tweemaal 8 mg i.v.-infusie met een interval van 4 uur.

Misselijkheid en braken als gevolg van radiotherapie:

Volwassenen:

8 mg oraal elke 12 uur, de eerste dosis 1–2 uur vóór de radiotherapie of 16 mg rectaal 1×/dag, de eerste dosis 2 uur vóór de radiotherapie. De duur is afhankelijk van de radiotherapie. Desgewenst kan de eerste dosis i.v. worden toegediend, als een eenmalige langzame i.v.-injectie (minstens 30 s) van 8 mg direct voorafgaand aan de radiotherapie. Daarna continueren met orale of rectale behandeling.

Postoperatieve misselijkheid en braken:

Volwassenen:

preventief: eenmalig 4 mg langzaam i.v. (minstens 30 s) bij inductie van de anesthesie òf 16 mg oraal 1 uur vóór de anesthesie. Behandeling: eenmalig 4 mg langzaam i.v. (minstens 30 s).

Kinderen ≥ 1 mnd. tot 17 jaar:

als preventie of behandeling: 0,1 mg/kg langzaam i.v. (minstens 30 s), max. 4 mg, vóór, tijdens of na de inductie van de anesthesie of na de operatie.

Bij mensen met verminderde nierfunctie kan het normale doseerschema worden gevolgd.

Bij matig of ernstig gestoorde leverfunctie bedraagt de maximale dagdosering 8 mg (oraal of i.v.); het gebruik van zetpillen is niet onderzocht bij een matig of ernstig gestoorde leverfunctie.

Bij intra-abdominale ingrepen ondansetron niet oraal toedienen.

Doses > 8 mg tot 16 mg parenteraal alleen toedienen als intraveneuze infusie in ten minste 15 min. Parenterale toediening van doses ≤ 8 mg als langzame intraveneuze injectie in ten minste 30 s of als intraveneuze infusie in ten minste 15 min.

De smelttablet niet door de beschermende folie drukken; op de punt van de tong laten smelten, daarna doorslikken.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): hoofdpijn.

Vaak (1-10%): warmtegevoelens of opvliegers, obstipatie. Lokale reacties op injectieplaats.

Soms (0,1-1%): insulten, bewegingsstoornis (inclusief extrapiramidale reacties zoals oculogyrische crisis en dyskinesie), pijn op de borst met en zonder ST-depressie, aritmie, bradycardie, hypotensie, hikken, asymptomatische verhoging van leverfunctiewaarden.

Zelden (0,01-0,1%): diarree en buikpijn, overgevoeligheidsreacties (inclusief soms fatale anafylaxie). QT-verlenging, incl. 'torsade de pointes'. Duizeligheid en voorbijgaande visusstoornissen (zoals wazig of dubbelzien) vnl. tijdens snelle i.v. toediening.

Zeer zelden (< 0,01%): ernstige bulleuze huidreacties zoals toxische epidermale necrose, Stevens-Johnsonsyndroom. Voorbijgaande blindheid voornamelijk bij i.v. toediening.

Bij gebruik van zetpillen: irritatie en branderig gevoel van het anorectale gebied.

Verder zijn gemeld: huiduitslag, jeuk en oedeem.

Interacties

Gelijktijdig gebruik van apomorfine is gecontra-indiceerd vanwege meldingen van ernstige hypotensie en verlies van bewustzijn.

Bij gelijktijdig gebruik van sterke CYP3A4-inductoren (zoals fenytoïne, carbamazepine en rifampicine) neemt de orale klaring van ondansetron toe, leidend tot een lagere bloedconcentratie.

Ondansetron kan het analgetisch effect van tramadol remmen.

Wees voorzichtig bij combinatie met geneesmiddelen die het QT-interval verlengen en/of elektrolytenafwijkingen veroorzaken (o.a. kinidine, disopyramide, sotalol, tricyclische antidepressiva, sommige antipsychotica, macrolide antibiotica, chinolonen, enkele antimycotica).

Gelijktijdig gebruik met cardiotoxische geneesmiddelen (bv. antracyclinen (bv. doxorubicine, trastuzumab), bepaalde antibiotica (bv. erytromycine), sommige anti-aritmica (bv. amiodaron), β-blokkers) vergroot de kans op ritmestoornissen.

Bij combinatie van een 5HT3-receptorantagonist met andere serotonerge middelen (waaronder SSRI's en SNRI's) is het serotoninesyndroom gemeld.

Zwangerschap

Teratogenese; Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja, bij dieren. Cumulatie met melk/plasmaratio van 5,2/1 (ondansetron en metabolieten).
Advies: Het gebruik van dit middel of het geven van borstvoeding ontraden.

Contra-indicaties

Zie rubriek Interacties.

Waarschuwingen en voorzorgen

Niet gebruiken bij patiënten met het aangeboren lange-QT-syndroom. Voorbijgaande ECG-veranderingen, inclusief verlengd QT-interval en torsade de pointes, kunnen voorkomen. Wees voorzichtig bij een groter risico van verlenging van het QT-interval of hartaritmieën.

Hypokaliëmie en hypomagnesiëmie behandelen vóór toediening van ondansetron.

Voorzichtigheid is geboden bij tekenen van een subacute darmobstructie, omdat 5HT3-receptorantagonisten de darmmotiliteit kunnen verminderen.

Ook is voorzichtigheid geboden bij een gestoorde leverfunctie; dan de zetpillen niet gebruiken.

Kruisovergevoeligheid tussen selectieve 5HT3-receptorantagonisten kan voorkomen.

Ademhalingsproblemen symptomatisch behandelen; deze kunnen een voorbode zijn van een overgevoeligheidsreactie.

Wees extra alert op bloedingen bij toediening bij een operatie aan neus-of keelamandelen; ondansetron kan deze bloedingen maskeren.

Pediatrische patiënten die ondansetron krijgen toegediend in combinatie met hepatotoxische chemotherapeutica nauwlettend controleren op een verslechterde leverfunctie.

Er zijn geen onderzoeksgegevens over de toepassing van ondansetron ter preventie van vertraagde of langdurige misselijkheid en braken veroorzaakt door chemotherapie of radiotherapie.

Er is nog niet voldoende ervaring met ondansetron ter preventie en behandeling van postoperatieve misselijkheid en braken bij kinderen jonger dan 2 jaar.

Het gebruik van zetpillen wordt ontraden bij kinderen, ouderen en bij een verminderde leverfunctie.

Overdosering

Symptomen
Visusstoornissen, ernstige obstipatie, hypotensie, vasovagale episode met een voorbijgaand tweedegraads AV-blok. Bij kinderen zijn symptomen van het serotoninesyndroom gemeld.

Therapie
Zie voor meer symptomen en behandeling de monografie op vergiftigingen.info.

Eigenschappen

Selectieve 5HT3(serotonine)-receptorantagonist. Het werkingsmechanisme is niet precies bekend. De braakreflex die optreedt na cytostaticagebruik of radiotherapie berust waarschijnlijk op het vrijkomen van serotonine. Door blokkering van 5-HT₃-receptoren in het maag-darmkanaal en het centrale en perifere zenuwstelsel gaat ondansetron de braakreflex tegen. Het werkingsmechanisme bij postoperatieve misselijkheid en braken is niet bekend, maar berust mogelijk op een soortgelijk principe.

Kinetische gegevens

F oraal 55–60% door first-pass-effect, rectaal 60%. Bij ernstig gestoorde leverfunctie is F = oraal ca. 100% door wegvallen van first–pass–effect.
T maxoraal 1,5 uur, rectaal 5–6 uur.
V d 2,5 l/kg.
Metaboliseringvnl. in de lever via CYP3A4, CYP2D6 en CYP1A2.
Eliminatiemet urine en feces als metabolieten; minder dan 5% als onveranderde stof met de urine.
T 1/2elca. 3 uur (injectie, tablet), ca. 6 uur (zetpil), bij mild tot matig gestoorde leverfunctie ca. 9 uur (6–22 uur), bij ernstig gestoorde leverfunctie 15–32 uur. Kinderen van 1–4 maanden ca. 7 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd