Samenstelling

Genotropin Pfizer bv

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Sterkte
5 mg
Verpakkingsvorm
tweekamerampul met solvens 1 ml

Conserveermiddel: m-cresol. Wordt geleverd als patroon voor gebruik in de Genotropin Pen of verzegeld in de voorgevulde wegwerp–pen GoQuick.

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Sterkte
12 mg
Verpakkingsvorm
tweekamerampul met solvens 1 ml

Conserveermiddel: m-cresol. Wordt geleverd als patroon voor gebruik in de Genotropin Pen of verzegeld in de voorgevulde wegwerp–pen GoQuick.

Humatrope Eli Lilly Nederland

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof, in 'Penpatroon'
Sterkte
6 mg
Verpakkingsvorm
met solvens 3,15 ml

Conserveermiddel: m-cresol.

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof, in 'Penpatroon'
Sterkte
12 mg
Verpakkingsvorm
met solvens 3,15 ml

Conserveermiddel: m-cresol.

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof, in 'Penpatroon'
Sterkte
24 mg
Verpakkingsvorm
met solvens 3,15 ml

Conserveermiddel: m-cresol.

Norditropin Novo Nordisk bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof 'SimpleXx'
Sterkte
5 mg
Verpakkingsvorm
patroon 1,5 ml

Conserveermiddel: fenol. Voor gebruik in de Nordipen.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof 'SimpleXx'
Sterkte
10 mg
Verpakkingsvorm
patroon 1,5 ml

Conserveermiddel: fenol. Voor gebruik in de Nordipen.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof 'SimpleXx'
Sterkte
15 mg
Verpakkingsvorm
patroon 1,5 ml

Conserveermiddel: fenol. Voor gebruik in de Nordipen.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof 'Flexpro'
Sterkte
5 mg
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 1,5 ml

Conserveermiddel: fenol.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof 'Flexpro'
Sterkte
10 mg
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 1,5 ml

Conserveermiddel: fenol.

Nutropinaq Ipsen Farmaceutica bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
5 mg/ml
Verpakkingsvorm
patroon 2 ml

Conserveermiddel: fenol.

Omnitrope Sandoz bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
5 mg
Verpakkingsvorm
patroon 1,5 ml

Conserveermiddel: benzylalcohol. Voor gebruik in de Omnitrope Pen 5.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
10 mg
Verpakkingsvorm
patroon 1,5 ml

Conserveermiddel: fenol. Voor gebruik in de Omnitrope Pen 10.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof 'Surepal'
Sterkte
5 mg
Verpakkingsvorm
patroon 1,5 ml

Conserveermiddel: benzylalcohol. Voor gebruik in de SurePal 5 pen.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof 'Surepal'
Sterkte
10 mg
Verpakkingsvorm
patroon 1,5 ml

Conserveermiddel: fenol. Voor gebruik in de SurePal 10 pen.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof 'Surepal'
Sterkte
15 mg
Verpakkingsvorm
patroon 1,5 ml

Conserveermiddel: fenol. Voor gebruik in de SurePal 15 pen.

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Sterkte
5 mg
Verpakkingsvorm
met solvens 1 ml en recoset

Conserveermiddel: benzylalcohol. Voor gebruik in de Omnitrope Pen L.

Zomacton Ferring bv

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Sterkte
4 mg
Verpakkingsvorm
met solvens 3,5 ml, met toebehoren

Conserveermiddel: benzylalcohol.

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Sterkte
10 mg
Verpakkingsvorm
met solvens 1 ml, met toebehoren

Conserveermiddel: m-cresol.

Uitleg symbolen

Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Bij kinderen bij wie op basis van de criteria van de Gezondheidsraad een groeihormoondeficiëntie is vastgesteld, is de waarde van groeihormoonsubstitutie aangetoond in de zin van een toegenomen lengtegroei.

Bij prepuberale kinderen met chronische nierinsufficiëntie normaliseert de groeisnelheid door groeihormoon. De invloed op de eindlengte is waarschijnlijk beperkt, omdat het groeihormoon wordt gegeven als tijdelijke overbrugging tot aan de niertransplantatie.

Bij kinderen met genetisch aangetoond Prader-Willisyndroom kan toediening van groeihormoon een verbetering van het psychosociaal functioneren, alsmede van de lichaamssamenstelling en spierkracht en daarmee indirect van de longfunctie bewerkstelligen. De betekenis hiervan voor de prognose op langere termijn is nog niet bekend.

Toediening van groeihormoon bij volwassenen kan worden overwogen indien sprake is van het groeihormoondeficiëntiesyndroom. De diagnose hiervan dient te worden bevestigd op grond van een aantal specifieke laboratoriumgegevens. Of groeihormoonsubstitutie op langere termijn leidt tot een verbeterde prognose is nog onduidelijk. Mede gezien de kosten is het daarom van belang dat de behandeling van volwassenen met groeihormoon plaatsvindt in het kader van effectiviteitsonderzoek.

Somatropine heeft een significant effect op het verbeteren van de lengtegroei bij kinderen met SGA. Over de noodzaak van behandelen en de langetermijnbijwerkingen is echter nog te weinig bekend; er dient vervolgonderzoek te worden gestart.

Indicaties

Baby's, kinderen, adolescenten:

  • vertraagde groei bij kinderen ten gevolge van onvoldoende productie van groeihormoon door de hypofyse;
  • Turnersyndroom, vastgesteld door chromosoomanalyse;
  • groeistoornissen bij prepuberale kinderen met chronische nierinsufficiëntie;
  • Prader-Willisyndroom (PWS), indien groeisnelheid ≥ 1 cm per jaar, ter verbetering van groei en lichaamssamenstelling;
  • groeistoornis (huidige lengte standaard deviatie score (SDS) < –2,5 en na correctie voor ouderlengte SDS < –1) bij kinderen/adolescenten die bij geboorte te klein zijn voor de duur van de zwangerschap ('small for gestational age', SGA) met een geboortegewicht en/of -lengte < –2 SD en bij wie geen inhaalgroei is opgetreden (groeisnelheid SDS < 0 gedurende het laatste jaar) op de leeftijd van ≥ 4 jaar.

Volwassenen:

  • Suppletietherapie bij een duidelijke groeihormoon-deficiëntie (GHD):
    • aanvang op volwassen leeftijd: ernstige GHD als gevolg van bekend hypothalamisch-hypofysair lijden (met ten minste één andere deficiëntie van een hypofysehormoon, behoudens prolactine), aangetoond met behulp van een geschikte dynamische test;
    • aanvang in de kinderjaren: geïsoleerde GHD stammend uit de kinderjaren, na voltooiing van de lengtegroei herbeoordeeld op de secretiecapaciteit voor groeihormoon. Bij meer kans op een aanhoudende GHD, d.w.z. door een congenitale oorzaak of als neveneffect van hypofysair/hypothalamisch lijden of een trauma, is een lage IGF-1 spiegel (SDS < -2) na ten minste vier weken stoppen met groeihormoonbehandeling, voldoende bewijs voor een verborgen GHD. Bij alle andere patiënten zijn een IGF-1 bepaling en één GH stimulatietest nodig.

Dosering

Klap alles open Klap alles dicht

Groeihormoondeficiëntie bij kinderen:

gewoonlijk s.c.: 0,025–0,035 mg/kg lichaamsgewicht per dag of 0,7–1,0 mg/m² lichaamsoppervlak per dag. Indien de groeihormoondeficiëntie aanhoudt tot in de puberteit de behandeling voortzetten om volledige somatische ontwikkeling te bereiken (bv. lichaamssamenstelling, normale piek botmassa (= T-score > –1)).

Turnersyndroom:

s.c.: 0,045–0,067 mg/kg per dag of 1,3–2,0 mg/m² per dag.

Groeistoornissen bij chronische nierinsufficiëntie:

s.c.: 0,045–0,05 mg/kg per dag of 1,4 mg/m² per dag. Eventueel hogere doses indien de groeisnelheid te laag is. Een dosiscorrectie kan noodzakelijk zijn na 6 maanden.

SGA:

s.c.: 0,035 mg/kg per dag of 1,0 mg/m² per dag tot de eindlengte is bereikt. De behandeling staken indien de verandering van de groeisnelheid SDS voorafgaand aan de behandeling tot aan het eind van het eerste jaar van de behandeling < 1 cm is óf indien de groeisnelheid < 2 cm per jaar is en, als bevestiging noodzakelijk is, de botleeftijd > 14 j. (meisjes) of > 16 j. (jongens) is, overeenkomend met het sluiten van de epifysairschijven.

Prader-Willisyndroom:

in combinatie met een caloriebeperkt dieet: s.c.: 0,035 mg/kg per dag of 1,0 mg/m² per dag. Maximale dagdosis: 2,7 mg.

Groeihormoondeficiëntie bij volwassenen:

s.c.: bij vervolg op groeihormoonbehandeling in de kindertijd: begindosis 0,2–0,5 mg per dag; bij groeihormoondeficiëntie die op volwassen leeftijd is begonnen: begindosis 0,1–0,3 mg per dag, bij overgewicht eventueel lager starten. Bij ouderen (> 60 j.) is de begindosis 0,1–0,2 mg per dag. De dosering geleidelijk verhogen op geleide van de serum- IGF-1-concentratie of klinisch effect en bijwerkingen; de dagelijkse onderhoudsdosering is zelden > 1 mg, bij ouderen zelden > 0,5 mg. De benodigde dosis neemt af met een toenemende leeftijd. Streefwaarde IGF-1: binnen 2 SDS t.o.v. het gemiddelde bij die leeftijd. Het kan voorkomen dat de IGF-1-spiegels ondanks een goede klinische respons niet normaliseren; in dat geval is dosisverhoging niet nodig. De laagst effectieve dosering dient te worden gebruikt.

NB: De injectieplaats afwisselen om lipo-atrofie te voorkomen; de injecties bij voorkeur 's avonds toedienen.

Bijwerkingen

Algemeen: Vaak (1–10%): hypothyreoïdie. Reacties op de injectieplaats, asthenie. Vorming van antilichamen (met lage bindingscapaciteit en in het algemeen geen klinische relevantie). Hoofdpijn, hypertonie.

Soms (1–10%): anemie. Tachycardie. (Draai)duizeligheid. Papiloedeem, diplopie, wazig zien. Braken, buikpijn, flatulentie, misselijkheid. Hypoglykemie, hyperfosfatemie. Spieratrofie, botpijn. (Maligne) neoplasmata. Somnolentie, nystagmus. Persoonlijkheidsstoornissen. Urinaire incontinentie, hematurie, pollakisurie. Genitale afscheiding, bloeding van de baarmoeder. Lipodystrofie, (exfoliatieve) dermatitis, urticaria, hirsutisme, atrofie of hypertrofie van de huid.

Zelden (0,01–1%): diarree. Gegeneraliseerde jeuk. Vermoeidheid, koorts. Abnormale botontwikkeling, osteochondrose. Diabetes mellitus, gewichtstoename. Neuropathie, benigne intracraniële hypertensie, migraine. Prikkelbaarheid, depressie. Tonsillaire hypertrofie. Melanocytaire naevus.

Verder zijn gemeld: pancreatitis, insulineresistentie, verlaagd bloedcortisol.

Bij volwassenen: Zeer vaak (> 10%): (perifeer) oedeem. Milde hyperglykemie. Artralgie, myalgie. Hoofdpijn, paresthesie.

Vaak (1–10%): stijfheid in extremiteiten. Insomnia. Carpale–tunnelsyndroom.

Soms (0,1–1%): hypertensie. Gynaecomastie.

Bij kinderen: Vaak (1–10%): tijdelijke plaatselijke huidreacties. (Perifeer) oedeem. Verminderde glucosetolerantie. Artralgie, myalgie, progressie van scoliose.

Soms (0,1–1%): stijfheid in extremiteiten. Paresthesie.

Zelden (0,01–0,1%): hypertensie. Insomnia.

Zeer zelden (< 0,01%): Gynaecomastie.

Verder zijn epifysiolyse van de femurkop en de ziekte van Legg-Calvé-Perthes gemeld; het is onduidelijk of deze bijwerkingen verband houden met de onderliggende aandoening of met de behandeling met somatropine.

Interacties

De groeibevorderende werking van somatropine kan worden geremd door glucocorticoïden. De werking van corticosteroïden kan verminderen door somatropine. Hoge doses androgenen, oestrogenen of anabole steroïden kunnen een versnelde rijping van het bot geven, waardoor de groei kan worden geremd. Bij substitutie met schildklierhormoon kan dosisaanpassing van het schildklierhormoon nodig zijn.

Zwangerschap

Teratogenese: Zowel bij de mens als bij dieren, onvoldoende gegevens.
Advies: Gebruik ontraden.
Overige: Omdat benzylalcohol de placenta kan passeren moet rekening worden gehouden met de mogelijke toxiciteit ervan voor prematuren na toediening vlak voor of tijdens een bevalling of sectio caesarea. Een vruchtbare vrouw dient adequate anticonceptieve maatregelen te nemen gedurende het gebruik van somatropine.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend. Gonadotrofinen zijn grote moleculen; opname in de moedermelk is daarom niet waarschijnlijk. Daarbij wordt somatropine niet opgenomen uit het maag-darmkanaal van de zuigeling.
Advies: Weeg het risico van het gebruik van dit geneesmiddel in combinatie met het geven van borstvoeding.

Contra-indicaties

  • tumoractiviteit. Intracraniële tumoren moeten inactief zijn en tumorbehandeling moet voltooid zijn vóór starten groeihormoon;
  • acute levensbedreigende aandoeningen, zoals complicaties na open–hartoperaties, buikoperaties, meervoudig trauma na een ongeval, acute ademhalingsdeficiëntie;
  • bij kinderen: gesloten epifysairschijven;
  • voor toedieningsvormen met benzylalcohol als conserveermiddel: toepassing bij prematuren en neonaten.

Waarschuwingen en voorzorgen

Algemeen: De toedieningsvormen met benzylalcohol als conserveermiddel kunnen toxische en anafylactoïde reacties veroorzaken bij kinderen jonger dan drie jaar. Het conserveermiddel metacresol is in verband gebracht met zeer zelden optredende myositis. Indien bij optreden van myalgie of onevenredige pijn op de plaats van injectie de diagnose myositis wordt gesteld, overgaan op een formulering zonder metacresol. Wees alert bij optreden van buikpijn bij kinderen vanwege kans op pancreatitis. Tijdens behandeling controleren op tekenen van scoliose omdat dit bij ieder snelgroeiend kind kan verergeren. Controleer regelmatig de schildklierfunctie, zo nodig schildklierhormoon aanvullen. Vóór en tijdens de therapie fundoscopisch onderzoek op papiloedeem verrichten, vooral bij ernstige of terugkerende hoofdpijn, visusproblemen, misselijkheid en/of braken. Bij aanwezigheid van papiloedeem het bestaan van goedaardige intracraniële hypertensie overwegen en zo nodig de groeihormoontherapie onderbreken. Bij hervatten van de therapie is zorgvuldige controle noodzakelijk. Tijdens behandeling controleren op symptomen van glucose-intolerantie. Wees voorzichtig bij diabetes mellitus vanwege een diabetogene werking van groeihormoon; na instellen van somatropinebehandeling kan een hogere dosis insuline nodig zijn. Behandeling met somatropine is niet aangewezen bij diabetici met actieve proliferatieve of ernstige niet–proliteratieve retinopathie. Bij aanhoudend oedeem of ernstige paresthesie de dosering verlagen om ontwikkeling van het carpale-tunnelsyndroom te voorkomen. Bij het uitblijven van een respons moeten antilichamen worden bepaald en bij stijgende titers tevens de bindingscapaciteit. Bij een klein aantal kinderen met groeihormoondeficiëntie is leukemie gemeld; echter er is geen bewijs dat de incidentie van leukemie is verhoogd zonder de aanwezigheid van predisponerende factoren, bv. bestraling van het hoofd of de hersenen. Bij een voorgeschiedenis van jeugdkanker is de kans op een tweede neoplasma vergroot door behandeling met somatropine; vooral intracraniële tumoren (met name meningeomen) kunnen optreden bij patiënten die aan het hoofd zijn bestraald voor hun eerste neoplasma. Bij volledige remissie van een maligne aandoening, zorgvuldig controleren op een mogelijk recidief nadat de behandeling met groeihormoon is begonnen. Bij groeihormoondeficiëntie door een intracraniële laesie regelmatig onderzoeken op progressie van de aandoening. Bij endocriene aandoeningen kan femorale epifysiolyse frequenter voorkomen, bij korte gestalte de ziekte van Legg-Calvé-Perthes; alertheid op beginnend mank lopen, pijnklachten aan heup of knie is om die reden belangrijk tijdens behandeling met somatropine. Bij patiënten met een ziektegeschiedenis van de hypofyse wordt geadviseerd voorafgaande aan de groeihormoonsubstitutietherapie een 'baseline'-scan te maken en de hypofyse regelmatig radiologisch te controleren.

Turnersyndroom: Vóór aanvang van de behandeling het nuchtere insuline, bloedglucosegehalte en de IGF-1 spiegel bepalen; daarna jaarlijks, de IGF-1 spiegel tweemaal per jaar. Indien de IGF-1 spiegel +2 SD overschrijdt in vergelijking tot de referentiewaarde voor leeftijd en puberteitsstadium, de dosis aanpassen op basis van de IGF-1/IGFBP-3 ratio. Tijdens de behandeling wordt controle van de groei van handen en voeten aangeraden. Bij optreden van versterkte groei dosisvermindering naar de minimale dosis overwegen. Omdat bij meisjes met Turnersyndroom een tendens tot een dosisafhankelijk risico van otitis externa en otitis media is gevonden (zonder een toename van ooroperaties of plaatsen van buisjes), wordt aangeraden ten minste eenmaal per jaar een otologisch onderzoek te verrichten.

Chronische nierinsufficiëntie: Voordat de behandeling wordt ingesteld moet de nierfunctie met meer dan 50% zijn afgenomen en dienen gegevens over de lengtegroei gedurende een jaar beschikbaar te zijn. Conservatieve behandeling van de nierinsufficiëntie dient te zijn ingesteld en te worden voortgezet tijdens behandeling. Tijdens de behandeling letten op een excessieve afname van de renale functie of een toename in de glomerulaire filtratiesnelheid door hyperfiltratie. De behandeling stoppen na niertransplantatie. Er is nog onvoldoende informatie over de te verwachten eindlengte.

Kinderen 'small for gestational age' (SGA): Andere oorzaken voor de groeistoornis uitsluiten. Vóór aanvang van de behandeling het nuchtere insuline, bloedglucosegehalte en de IGF-1 spiegel bepalen; daarna jaarlijks, de IGF-1 spiegel tweemaal per jaar. Indien de IGF-1-spiegels +2 SD overschrijden in vergelijking tot de referentiewaarde voor leeftijd en puberteitsstadium, de dosis aanpassen op basis van de IGF-1/IGFBP-3 ratio. De ervaring met start van de behandeling rond het begin van de puberteit is beperkt, evenals bij kinderen met het Silver-Russelsyndroom. Indien de behandeling wordt gestopt voordat de eindlengte is bereikt kan een gedeelte van de lengtewinst die is behaald door de groeihormoonbehandeling, verloren gaan.

Prader-Willi-syndroom (PWS): De diagnose PWS door middel van geschikte genetische testen bevestigen. Bij ernstig overgewicht of ernstige respiratoire aandoening groeihormoon niet toepassen: er is melding gemaakt van fatale gevallen bij kinderen met PWS met ernstig overgewicht, respiratoire aandoeningen in de anamnese, slaapapneu of luchtweginfecties. Slaapapneusyndroom vaststellen voorafgaande aan de behandeling via polysomnografie of overnacht oxymetrie en monitoren bij vermoeden ervan. Indien tijdens behandeling tekenen van bovenste luchtwegobstructie optreden (bv. optreden of toename van snurken) de behandeling onderbreken en de ernst evalueren. Tijdens de behandeling het lichaamsgewicht controleren, alsmede op tekenen van luchtweginfecties. De ervaring bij PWS is beperkt.

Groeistoornis bij volwassenen: De groeihormoondosering elke zes maanden controleren: vrouwen kunnen een hogere dosis nodig hebben dan mannen (m.n. bij orale oestrogeensuppletie), terwijl mannen na verloop van tijd een toenemende IGF-1-gevoeligheid vertonen. Er is weinig ervaring bij een leeftijd > 80 jaar en met langdurig gebruik (> 5 jaar).

Eigenschappen

Via DNA-recombinanttechniek vervaardigd polypeptide, dat overeenkomt met humaan hypofysair groeihormoon. Oefent de meeste werking uit via insuline-achtige groeifactoren (IGF). IGF wordt geproduceerd in weefsels in het hele lichaam, vooral in de lever. Stimuleert de groei van de epifysairschijf in de lange beenderen; ook andere weefsels dan bot, zoals bindweefsel, huid, skeletspieren, thymus, lever, gonaden en (bij)nier kunnen in omvang toenemen. Bevordert de eiwitsynthese en beïnvloedt het vet- en koolhydraatmetabolisme en de mineraalhuishouding. Bij kinderen met groeihormoondeficiëntie stimuleert het de lengtegroei en verhoogt het de groeisnelheid zolang de epifysairschijven nog niet gesloten zijn. Bij volwassenen verlaagt het de vetmassa, vergroot het de spiermassa, verhoogt het de minerale botdichtheid en verbetert het de energie, de vitaliteit en het subjectief welbevinden en normaliseert het de serum-IGF-1-(somatomedine-C-)concentratie. 1 mg somatropine = 3 IE somatropine.

Kinetische gegevens

T maxs.c. 4–8 uur.
T 1/2el2–3 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

somatropine hoort bij de groep somatropine-agonisten.