Samenstelling

Dectova XGVSAanvullende monitoring GlaxoSmithKline bv

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
10 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 20 ml

Bevat per flacon ca. 71 mg natrium (ca. 3,1 mmol).

Relenza XGVS GlaxoSmithKline bv

Toedieningsvorm
Inhalatiepoeder
Sterkte
5 mg/dosis

Iedere afgegeven inhalatie, de hoeveelheid die uit het mondstuk komt, bevat 4 mg zanamivir.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Influenza is bij gezonde personen over het algemeen een onschuldige aandoening, waarbij symptomatische behandeling meestal voldoende is. Bij patiënten die behoren tot een risicogroep kunnen ten gevolge van influenza belangrijke complicaties optreden. Vaccinatie is bij deze patiënten aangewezen. Verder zijn er voor de profylaxe en behandeling van influenza antivirale middelen beschikbaar, met als belangrijkste de neuraminidaseremmers oseltamivir en zanamivir. De toepassing van deze antivirale middelen is echter beperkt tot zeer specifieke situaties en met voorbehoud van beperkte evidence.

Oraal oseltamivir en zanamivir per inhalatie hebben geen duidelijke meerwaarde boven een symptomatische behandeling van influenza en de jaarlijkse griepvaccinatie. Overweeg gebruik van deze middelen bij patiënten met een groot risico op complicaties, die niet gevaccineerd zijn of bij wie het vaccin onvoldoende werkzaam is (bv. als blijkt dat het epidemische virus en de vaccinstam onvoldoende verwant zijn). Alleen bij hoge uitzondering kunnen deze middelen worden ingezet als pre- of postexpositieprofylaxe van influenza. Voor de infusievloeistof is geen advies vastgesteld over de plaats in de behandeling van influenza.

Indicaties

Inhalatie:

  • Behandeling van influenza A- en B-infecties bij personen met typische symptomen van influenza, wanneer er influenza heerst in de omgeving;
  • Post-expositieprofylaxe van influenza A en B bij volwassenen en kinderen > 5 jaar na contact met een klinisch gediagnosticeerd geval van influenza in het huishouden;
  • In uitzonderlijke omstandigheden als seizoensprofylaxe van influenza A en B.

Infusievloeistof:

  • Behandeling van gecompliceerde en mogelijk levensbedreigende influenza A- of B-virusinfectie bij volwassenen en kinderen ≥ 6 maanden wanneer:
    • bekend is of vermoed wordt dat het influenzavirus bij de patiënt resistent is tegen geneesmiddelen tegen influenza anders dan zanamivir en/of;
    • andere antivirale geneesmiddelen voor de behandeling van influenza, waaronder zanamivir per inhalatie, niet geschikt zijn voor de individuele patiënt.

Zanamivir is geen vervangingsmiddel voor vaccinatie.

Gerelateerde informatie

Dosering

Klap alles open Klap alles dicht

Behandeling van influenza (per inhalatie):

Volwassenen en kinderen ≥ 5 jaar:

Orale inhalatie: 2 inhalaties van 5 mg (= 10 mg) 2×/dag gedurende 5 dagen. De behandeling zo snel mogelijk beginnen, uiterlijk 48 uur (volwassenen) of 36 uur (kinderen) nadat de symptomen zijn begonnen.

Behandeling van gecompliceerde en mogelijk levensbedreigende influenza (infusie):

Algemeen

De behandeling zo snel mogelijk beginnen, doorgaans binnen 6 dagen na aanvang van de influenzasymptomen.

Volwassenen:

Als i.v. infusie: 600 mg 2×/dag, gedurende 5-10 dagen.

Verminderde nierfunctie: zie voor de specifieke doseringsadviezen bij een creatinineklaring óf klaring door middel van continue nierfunctievervangende therapie van < 80 ml/min de officiële productinformatie (pdf via website van het CBG, 0,2 MB, rubriek 4.2 tabel 2).

Kinderen ≥ 6 jaar:

Als i.v. infusie: 12 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag, tot max. dosis 600 mg 2×/dag, gedurende 5-10 dagen.

Verminderde nierfunctie: zie voor de specifieke doseringsadviezen bij een creatinineklaring óf klaring door middel van continue nierfunctievervangende therapie van < 80 ml/min de officiële productinformatie (pdf via website van het CBG, 0,2 MB, rubriek 4.2 tabel 2 en 3).

Kinderen 6 mnd.– 6 jaar:

Als i.v. infusie: 14 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag, gedurende 5-10 dagen.

Verminderde nierfunctie: zie voor de specifieke doseringsadviezen bij een creatinineklaring óf klaring door middel van continue nierfunctievervangende therapie van < 80 ml/min de officiële productinformatie (pdf via website van het CBG, 0,2 MB, rubriek 4.2 tabel 4 en 5).

Post-expositieprofylaxe:

Volwassenen en kinderen ≥ 5 jaar:

Orale inhalatie: 2 inhalaties van 5 mg (= 10 mg) 1×/dag gedurende 10 dagen. De profylaxe zo snel mogelijk beginnen, uiterlijk 36 uur na contact met een geïnfecteerd persoon.

Seizoensprofylaxe tijdens een influenza-uitbraak:

Volwassenen en kinderen ≥ 5 jaar:

Orale inhalatie: 2 inhalaties van 5 mg (=10 mg) 1×/dag gedurende max. 28 dagen.

Ouderen: er is geen dosisaanpassing nodig op basis van leeftijd.

Verminderde leverfunctie: zanamivir wordt niet gemetaboliseerd, daarom is er geen dosisaanpassing nodig.

Verminderde nierfunctie: bij toepassing van de inhalatie is geen dosisaanpassing nodig, bij toepassing van de infusie en een creatinineklaring < 80 ml/min zie de officiële productinformatie (pdf via de website van het CBG, 0,2 MB, rubriek 4.2 tabellen 2, 3, 4 en 5).

Toedieningsinformatie:

  • Inhalatie: zanamivir oraal inhaleren met behulp van de meegeleverde Diskhaler. Niet gebruiken als oplossing voor verneveling of mechanische ventilatie. Andere geïnhaleerde geneesmiddelen (bv. astmamedicatie) toedienen vóórdat zanamivir wordt toegediend. Per inhalatie één compartiment gebruiken.
  • Infusievloeistof: toedienen via i.v. infusie gedurende 30 minuten. Toedienen kan onverdund óf verdund in natriumchloride-oplossing 0,9% (tot een concentratie hoger of gelijk aan 0,2 mg/ml).

Bijwerkingen

Inhalatie:

Vaak (1-10%): huiduitslag.

Soms (0,1-1%): allergische reacties zoals orofaryngeaal oedeem, vasovagaalachtige reacties zoals koorts en uitdroging. Bronchospasmen, dyspneu, constrictie van de keel. Urticaria.

Zelden (0,01-0,1%): anafylactische of anafylactoïde reacties, gezichtsoedeem. Erythema multiforme, Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN).

Verder zijn gemeld: convulsies en psychiatrische bijwerkingen, zoals verminderd bewustzijn, abnormaal gedrag, hallucinaties en delier, vooral bij kinderen en adolescenten.

Infusie:

Vaak (1-10%): diarree. Huiduitslag. Verhoogde waarde ASAT en/of ALAT, hepatocellulair letsel.

Soms (0,1-1%): urticaria. Verhoogde waarde alkalische fosfatase.

Verder zijn gemeld: anafylactische/anafylactoïde reacties, orofaryngeaal oedeem, gezichtsoedeem. Convulsies, verminderd bewustzijn. Abnormaal gedrag, hallucinaties, delier. Erythema multiforme, SJS, TEN.

Interacties

Er zijn van dit middel geen klinisch significante geneesmiddelinteracties bekend.

Zwangerschap

Zanamivir passeert de placenta (bij dieren).
Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens (< 300 zwangerschapsuitkomsten). Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid. De systemische blootstelling is laag na toediening via inhalatie.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend. Ja, bij dieren (in kleine hoeveelheden). Een risico voor de zuigeling kan niet worden uitgesloten.
Farmacologisch effect: Nadelige effecten voor de zuigeling van toepassing van de inhalatie bij de moeder zijn niet waarschijnlijk, door de geringe systemische blootstelling bij de moeder. Bovendien is de mate van resorptie door de zuigeling laag.
Advies: De inhalatie kan waarschijnlijk veilig gebruikt worden. Weeg het risico van gebruik van de infusievloeistof in combinatie met het geven van borstvoeding af.

Contra-indicaties

  • voor het inhalatiepoeder: melkeiwitallergie.

Waarschuwingen en voorzorgen

Zanamivir verzwakt de beschermende immuunrespons op een (influenza)vaccinatie niet.

Inhalatie:

Bij optreden van bronchospasmen en/of afname van de longfunctie de toediening stoppen. Patiënten met astma of COPD dienen bij gebruik van zanamivir een bronchusverwijder bij de hand te hebben. Geïnhaleerde geneesmiddelen (bv. astmamedicatie) toedienen vóórdat zanamivir wordt toegediend.

Onderzoeksgegevens en ervaring: De effectiviteit is niet vastgesteld bij:

  • kinderen;
  • ouderen (≥ 65 jaar);
  • patiënten met een vergroot risico, zoals bij astma of andere chronische luchtwegaandoeningen, instabiele chronische aandoeningen of immuungecompromitteerde patiënten.

Infusie:

Nierfunctie: Controleer bij alle patiënten voorafgaand aan en regelmatig tijdens de behandeling de nierfunctie; reduceer de dosis bij een verminderde nierfunctie (zie rubriek Dosering).

Ernstige overgevoeligheidsreactie: anafylactische reacties en ernstige huidreacties zijn gemeld, wanneer deze optreden tijdens de infusie de behandeling direct staken en een passende behandeling instellen.

Risico op bacteriële complicaties: niet aangetoond is of de kans afneemt op bacteriële complicaties die gepaard gaan met een influenza-infectie.

Resistentie bij immuungecompromitteerden: resistentie-ontwikkeling door de behandeling komt zelden voor (zie Eigenschappen). Bij immuungecompromitteerden is de kans op selectie van influenzavirussen die resistent zijn tegen zanamivir groter na behandeling met antivirale geneesmiddelen (incl. zanamivir). Controleer daarom op resistentie en stap zo nodig over op behandeling met een alternatief geneesmiddel.

Neuropsychiatrische reacties zijn gemeld bij behandeling met zanamivir bij patiënten met influenza, vooral bij kinderen. Influenza zelf kan ook gepaard gaan met uiteenlopende neurologische en gedragssymptomen. Controleer patiënten op gedragsveranderingen en beoordeel het voortzetten van de behandeling bij optreden hiervan.

Onderzoeksgegevens en ervaring: De werkzaamheid en veiligheid zijn niet onderzocht bij kinderen < 6 maanden of bij patiënten met nierfalen (eindstadium nierziekte; 'ESRD'). Er zijn (zeer) beperkte gegevens beschikbaar over de blootstelling aan zanamivir tijdens continue nierfunctievervangende therapie en dialyse.

Overdosering

Symptomen
beschreven van eenmalige toediening van 1000 mg zijn enkel klachten als misselijkheid en braken.

Zie voor meer informatie over symptomen en de behandeling de monografie op vergiftigingen.info

Eigenschappen

Zanamivir is een selectieve remmer van neuraminidase (= sialidase), een enzymatisch actieve oppervlakteglycoproteïne die essentieel is voor de replicatie van zowel het influenza A- als B-virus. Viraal neuraminidase bevordert de afgifte van nieuwgevormde virusdeeltjes vanaf het plasmamembraan van geïnfecteerde cellen; bovendien kan het de virale penetratie in epitheelcellen van de luchtwegen bevorderen. De werking van zanamivir is extracellulair en berust op een verminderde vermenigvuldiging van influenza A- en B-virussen, door remming van de afgifte van infectieuze influenzavirionen die in de epitheelcellen van de luchtwegen worden geproduceerd. Resistentieselectie tijdens de behandeling met zanamivir is zeldzaam. Een verminderde gevoeligheid voor zanamivir gaat gepaard met mutaties in het virale neuraminidase of hemagglutinine of beide. Kruisresistentie tussen zanamivir en oseltamivir is waargenomen.

Kinetische gegevens

Resorptie4–17% (na inhalatie).
T maxbinnen 1–2 uur na inhalatie.
V d0,23 l/kg.
OverigNa inhalatie bedraagt de depositie in de orofarynx ca. 77% en in de longen ca. 13% van de dosis.
OverigNa i.v. infusie bedraagt de concentratie in het epitheelbedekkende vloeistoflaagje in de longen 60-65% van de serumconcentratie (12 uur na toediening).
Metaboliseringniet.
Eliminatiedoor glomerulaire filtratie in de nieren, onveranderd met de urine. Gezien het lage molecuulgewicht, de lage eiwitbinding en kleine distributievolume, wordt eliminatie door hemodialyse waarschijnlijk geacht.
T 1/2el2–5 uur, toenemend tot 12-20 uur bij een ernstig verminderde nierfunctie (creatinineklaring < 30 ml/min).

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

zanamivir hoort bij de groep neuraminidaseremmers.