fludrocortison

Samenstelling

Florinef (acetaat) Aspen Netherlands bv

Toedieningsvorm
Tablet
Sterkte
0,1 mg

Fludrace (acetaat) ACE Pharmaceuticals bv

Toedieningsvorm
Tablet
Sterkte
62,5 microg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

fludrocortison vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Fludrocortison kan bij de genoemde indicaties worden voorgeschreven. Zie voor meer informatie over de behandeling van primaire bijnierschorsinsufficiëntie en congenitale bijnierschorshyperplasie de ‘Clinical Practice Guidelines’ (filter op 'Adrenal') via Endocrine Society.

Indicaties

  • Ondersteuning van de glucocorticoïden-therapie bij primaire bijnierschorsinsufficiëntie (ziekte van Addison) en bij congenitale bijnierschorshyperplasie (adrenogenitaal syndroom) met zoutverlies, als een extra mineralocorticoïd effect noodzakelijk blijkt te zijn.

Dosering

De tabletten van 0,1 mg en 62,5 microg kunnen worden verdeeld in gelijke doses.

Klap alles open Klap alles dicht

Ziekte van Addison:

Volwassenen:

Florinef: 0,1 mg 3×/week tot 0,2 mg per dag, een gebruikelijke dosis is 0,1 mg 1×/dag. Indien transiënte hypertensie ontstaat, de dosis verlagen tot 0,05 mg/dag. Als bij de minimale dosis nog steeds sprake is van hypertensie, de behandeling staken. De behandeling combineren met een glucocorticoïd als hydrocortison (10–30 mg/dag) of cortison (10–37,5 mg/dag).

Fludrace: 62,5 microg (= 1 tablet) tot 187,5 microg (= 3 tabletten) per dag. Bij transiënte hypertensie 1 tablet per dag minder. De behandeling combineren met een glucocorticoïd als hydrocortison of cortison.

Adrenogenitaal syndroom met zoutverlies:

Volwassenen:

0,1–0,2 mg per dag of 62,5–187,5 microg per dag.

Kinderen:

0,05–0,1 mg per dag. Kinderen tot 1 jaar in combinatie met 1–3 g natriumchloride per dag verdeeld over verschillende voedingen.

De laagst mogelijke dosis aanhouden en de dosering geleidelijk verminderen zodra dit mogelijk is.

Bijwerkingen

In de aanbevolen lage doses vormen de bijwerkingen van fludrocortison gewoonlijk geen probleem. De meeste bijwerkingen worden veroorzaakt door de mineralocorticoïde activiteit van het middel.

Frequentie onbekend: hypokaliëmische alkalose, anorexia. Hallucinaties. Convulsies, hoofdpijn, syncope, dysgeusie. Vergroot hart, congestief hartfalen. Hypertensie. Diarree. Spieratrofie, spierzwakte. Oedeem, significante gewichtstoename. Kaliumverlies (met spierzwakte tot gevolg bij ernstig kaliumverlies). Wazig zien.

Verder kunnen optreden: psychische stoornissen zoals insomnia, depressie, euforie, wisselende gemoedstoestand, psychotische symptomen en persoonlijkheidsveranderingen. Menstruatiestoornissen. Hyperaciditeit.

Interacties

  • Tijdens de behandeling bij voorkeur geen vaccinaties uitvoeren. Bij vaccinatie kunnen verminderde antilichamenrespons en neurologische complicaties optreden.
  • Enzyminducerende stoffen zoals fenobarbital, fenytoïne, primidon, rifampicine en carbamazepine kunnen de afbraak van corticosteroïden versnellen.
  • Wees voorzichtig bij gelijktijdige toediening van CYP3A-remmers, waaronder cobicistat, omdat een toename van systemische bijwerkingen van het corticosteroïd kan optreden.
  • Oestrogenen kunnen het effect van corticosteroïden versterken.
  • De werking van zowel ciclosporine als corticosteroïden kan toenemen bij gelijktijdige toediening.
  • De respons op anticoagulantia kan veranderen.
  • Bij gelijktijdig gebruik van lisdiuretica, thiazide-diuretica of amfotericine B is er meer kans op hypokaliëmie.
  • De toxische grens van digoxine kan eerder bereikt zijn.
  • De behoefte aan insuline of orale bloedglucoseverlagende middelen bij diabetici kan toenemen.
  • De respons op somatropine kan verminderen.
  • De plasmaspiegel van isoniazide kan dalen.
  • Gelijktijdig gebruik met NSAID's kan tot een additief ulcerogeen effect leiden.
  • De eliminatie van salicylaten kan worden versneld; bij het staken van de behandeling neemt de kans op salicylaatintoxicatie toe.
  • Het effect van cholinesteraseremmers bij myasthenia gravis kan afnemen.
  • Bij veranderingen in de schildklierstatus kan aanpassing van de corticosteroïddosering nodig zijn.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij suppletietherapie in de aanbevolen lage doses worden geen nadelige effecten voor de vrucht verwacht.
Advies: Suppletietherapie dient tijdens zwangerschap te worden voortgezet.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend.
Advies: Het geven van borstvoeding kan tijdens suppletietherapie worden gehandhaafd.

Contra-indicaties

  • ulcus ventriculi en ulcus duodeni;
  • acute infectieuze processen, m.n. virusinfecties en systemische schimmelinfecties;
  • tropische worminfecties;
  • na vaccinatie met levend verzwakt virus;
  • onbehandeld hartfalen.

Waarschuwingen en voorzorgen

Vanwege de mineralocorticoïde werking van fludrocortison, zowel de dosering als de zoutinname nauwlettend controleren, om ontstaan van hypertensie, oedeem of gewichtstoename te voorkomen. Bij langdurige behandeling de elektrolytspiegels controleren. Een natriumbeperkt dieet en kaliumsuppletie kunnen noodzakelijk zijn. Corticosteroïden kunnen de calciumexcretie verhogen, waardoor osteoporose kan optreden of verergeren.

Bij stress (operatie, trauma, ernstige ziekte) tijdens en ook nog gedurende een halfjaar tot een jaar ná behandeling met fludrocortison, kan een ondersteunende corticosteroïddosering noodzakelijk zijn.

Corticosteroïden kunnen de gevoeligheid voor infecties verhogen en bepaalde symptomen van een infectie maskeren; tevens kan lokalisatie van een infectie moeilijk zijn. Bijvoorbeeld waterpokken, mazelen, herpes zoster of lintworm kunnen een ernstiger of zelfs fataal verloop hebben. Bij bacteriële infecties zo mogelijk eerst de verwekker(s) bepalen en de infectie behandelen alvorens met de toediening van corticosteroïden te beginnen.

Comorbiditeit: wees voorzichtig bij ulcuslijden in de voorgeschiedenis, diverticulitis, colitis ulcerosa met een dreigende perforatie of met een pyogene infectie (zoals een abces), recente intestinale anastomosen, latente tuberculose, psychische stoornissen in de voorgeschiedenis, osteoporose, nierinsufficiëntie, hypertensie, hartfalen, tromboflebitis, trombo-embolie, exantheem, Cushingsyndroom, diabetes mellitus, convulsies, gemetastaseerd carcinoom en ernstige spierzwakte.

Bij langdurige corticosteroïdbehandeling is een adequate eiwitinname van belang om de neiging tot gewichtsverlies of spiervermindering/-verzwakking, gepaard gaand aan een negatieve stikstofbalans, tegen te gaan.

Regelmatige oogheelkundige controle is gewenst, vanwege het risico op cataract en glaucoom.

De groei en ontwikkeling van kinderen nauwlettend volgen bij langdurig gebruik, in verband met de groeiremmende werking van corticosteroïden.

Bij ouderen is zorgvuldige observatie van belang omdat de gebruikelijke bijwerkingen (zoals osteoporose of hypertensie) bij hen gepaard kunnen gaan met ernstigere gevolgen.

Overdosering

Zie voor symptomen en behandeling: vergiftigingen.info.

Eigenschappen

Synthetisch adrenocorticosteroïd met krachtige mineralocorticoïde eigenschappen, ongeveer vergelijkbaar met die van aldosteron. Mineralocorticoïden hebben invloed op de water- en zouthuishouding; in lage orale doses veroorzaakt fludrocortison een duidelijke natriumretentie en verhoogt het de excretie van kalium in de urine. Het heeft ook een glucocorticoïde werking; deze is echter gering in verhouding tot het mineralocorticoïde effect. Het mineralocorticoïde effect is ca. 100 × sterker dan dat van hydrocortison en het glucocorticoïde effect is ca. 15 × sterker dan dat van hydrocortison.

Kinetische gegevens

Resorptieoraal snel en volledig.
T max4–8 uur.
Metaboliseringvnl. in de darm en lever.
Eliminatie80% als polaire conjugaten met de urine, de overige 20% gedeeltelijk met de feces.
T 1/2≥ 3½ uur.
Overigde biologische halfwaardetijd is 18–36 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

fludrocortison hoort bij de groep corticosteroïden, systemisch.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Externe links