Geneesmiddelenoverzicht

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Werking

De corticosteroïden worden onderverdeeld in glucocorticoïden en mineralocorticoïden. Alle middelen in deze groep zijn glucocorticoïden, behalve fludrocortison (een mineralocorticoïd).

Werkingsmechanisme

Corticosteroïden binden intracellulair aan de corticosteroïdreceptor en vormen hiermee een complex dat de expressie van mRNA beïnvloedt. Hierdoor wordt de synthese van bepaalde eiwitten geïnduceerd.

Glucocorticoïden hebben een zeer breed werkingsspectrum, analoog aan het endogene cortisol. Ze worden in hogere dosering gebruikt vanwege hun ontstekingsremmende en immunosuppressieve werking.

ontstekingsremmend:

  • stimulering eiwitafbraak, waardoor de vorming van granulatieweefsel wordt geremd;
  • stabiliserende werking op de lysosomenmembraan van leukocyten;
  • vasoconstrictoir en vaatdichtend effect, waardoor het ontstaan van ontstekingsexsudaat en van plaatselijk oedeem wordt verminderd.

immunosuppressief (anti-allergisch):

  • vermindering van de celmigratie en de fagocytaire activiteit van leukocyten en monocyten;
  • vermindering van de activiteit en het volume van het lymfatisch systeem;
  • onderdrukking van de humorale immuniteit (vorming van antistoffen) (alleen bij zeer hoge doses).

Mineralocorticoïden hebben de volgende werking, analoog aan het endogene aldosteron:

  • bevordering van de uitwisseling van Na+-ionen tegen K+- en H+-ionen in de distale niertubulus.

Effect

  • onderdrukking van ontstekingsreacties van verschillende oorsprong, zoals trauma, allergie, auto-immuunziekte (glucocorticoïden in hogere dosering);
  • regulering van de koolhydraat-, eiwit- en vetstofwisseling (glucocorticoïden);
  • regulering van de elektrolytenbalans (mineralocorticoïden).

Meer informatie

Corticosteroïden zijn hormonen die worden geproduceerd door de bijnierschors of synthetische analogen van deze natuurlijke hormonen. Ze vertonen glucocorticoïde en/of mineralocorticoïde activiteit en hebben invloed op bijna alle lichaamssystemen, maar worden hoofdzakelijk toegepast voor hun krachtige anti-inflammatoire en immunosuppressieve effecten en als substitutietherapie.

Mineralocorticoïden hebben voornamelijk invloed op de water- en zouthuishouding.

Aldosteron heeft geen klinische toepassing gevonden vanwege de zeer korte halfwaardetijd (20 min). Fludrocortison (= fluorhydrocortison) evenaart aldosteron in mineralocorticoïde werking, maar heeft een veel langere halfwaardetijd.

Glucocorticoïden hebben een effect op de koolhydraat-, eiwit- en vetstofwisseling. Ze zijn bovendien van belang bij de reactie van het organisme op schadelijke prikkels, stress en bij ziekte.

Cortison en hydrocortison worden glucocorticoïden genoemd, maar tonen ook duidelijk mineralocorticoïde eigenschappen. Ze worden vrijwel uitsluitend toegepast als substitutietherapie bij bijnierschorsinsufficiëntie, hypopituïtarisme of adrenogenitaal syndroom (AGS).

De semisynthetische derivaten van hydrocortison hebben een sterkere glucocorticoïde en een zwakkere mineralocorticoïde werking dan hydrocortison zelf. De δ-corticoïden (methylprednisolon, prednison, prednisolon) hebben per mg een vier- à vijfmaal zo groot glucocorticoïd effect als het natuurlijke hormoon. De mineraalwerking is echter gereduceerd. De gefluorideerde corticoïden (betamethason, dexamethason, triamcinolon) bezitten nog minder mineraalwerking.

In tabel 1 is de relatieve anti-inflammatoire en mineralocorticoïde werking van de glucocorticoïden ten opzichte van hydrocortison weergegeven.

Geneesmiddel

Relatieve anti-inflammatoire werking

Relatieve mineralocorticoïde werking

Equivalente dosis (mg)

cortison

0,8

0,8

25

hydrocortison

1

1

20

prednis(ol)on

4

0,8

5

methylprednisolon

5

0,5

4

triamcinolon

5

0

4

dexamethason

25

0

0,75

betamethason

25

0

0,75

Werking glucocorticoïdenVergroot tabel

Typerende bijwerkingen

Met de volgende bijwerkingen moet rekening worden gehouden bij langdurig gebruik van glucocorticoïden:

  • centripetale vetzucht (gelaat, romp);
  • striae;
  • hirsutisme;
  • acne vulgaris;
  • ecchymosen;
  • osteoporose;
  • aseptische botnecrose (vnl. van het collum femoris);
  • proximale myopathie;
  • seksuele disfunctie;
  • diabetes mellitus;
  • hyperlipidemie;
  • hypertensie;
  • vocht- en elektrolytstoornissen (afhankelijk van type glucocorticoïd);
  • verhoogde infectiegevoeligheid;
  • vertraagde wondgenezing;
  • mentale stoornissen (o.a. nervositeit, slapeloosheid, stemmingswisselingen, psychose);
  • toename van kans op trombose;
  • toegenomen oogdruk en glaucoom;
  • groeivertraging bij kinderen;
  • bijnierschorsinsufficiëntie: onvoldoende of afwezige reactie op stress.

Bijwerkingen specifiek voor mineralocorticoïden zijn:

  • hypokaliëmie;
  • alkalose;
  • gewichtstoename;
  • oedeem;
  • hypertensie;
  • hartfalen.

Meer informatie

De twee belangrijkste risico's van langetermijnbehandeling met glucocorticoïden zijn adrenale suppressie en Cushing-achtige veranderingen. De incidentie en ernst van bijwerkingen zijn afhankelijk van de dosering en de duur van de behandeling. Verhoogde plasmaconcentraties van glucocorticoïden resulteren vaak na 2 weken in de eerste tekenen van iatrogeen syndroom van Cushing.

Bij een goed gedoseerde substitutietherapie is er weinig kans op bijwerkingen. De kans op bijwerkingen neemt af bij gebruik van glucocorticoïden met een relatief korte werkingsduur, bij toepassing van een lagere dosis en toedieningsfrequentie, bij een kortere behandelduur en toediening 's morgens. De kans op bijwerkingen kan verder worden verkleind door zo mogelijk gebruik te maken van lokale toedieningsvormen.

De bijwerkingen ten gevolge van de glucocorticoïde werking zijn voornamelijk af te leiden uit de perifere katabole werking, de stimulering van de gluco(neo)genese, de ontstekingsremmende en immunosuppressieve eigenschappen.

De door gebruik van corticosteroïden geïnduceerde osteoporose berust op drie factoren: vergrote eiwitkatabolie (verdwijnen van botmatrix), remming van de osteoblastenactiviteit en beïnvloeding van de calciumresorptie in de darm (waarschijnlijk door verminderde gevoeligheid voor calciferolmetabolieten).

Bij een langdurige corticosteroïdbehandeling is een verhoogde frequentie van cataract beschreven. Bij hiervoor gepredisponeerden (een erfelijke component is aanwezig) kan de oogdruk stijgen en zelfs klinisch manifest glaucoom ontstaan. Dit geldt met name bij lokale toediening via oogdruppels.

Of een ulcus pepticum door corticosteroïdtoediening kan worden veroorzaakt, wordt betwijfeld. Waarschijnlijk wordt wel de genezing van bestaande ulcera vertraagd en neemt de kans op recidieven toe. Het risico bestaat dat door hoge doses corticosteroïden de symptomen van een maagperforatie worden gemaskeerd.

Literatuur:

  1. Brunton LL, et al. (eds). Goodman & Gilman’s The pharmacological basis of therapeutics. 12th ed. New York: McGraw-Hill, 2011.
  2. Aronson JK, et al. (eds). Meyler's side effects of drugs. 16th ed. Amsterdam: Elsevier, 2016.

Zie ook