Samenstelling

Zie voor hulpstoffen de productinformatie van CBG/EMA of raadpleeg een apotheker.

Cibinqo XGVS Aanvullende monitoring Pfizer bv

Toedieningsvorm
Tablet, filmomhuld
Sterkte
50 mg, 100 mg, 200 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

De basisbehandeling van constitutioneel eczeem is het dagelijks gebruiken van indifferente middelen. Bij matig eczeem daarnaast behandelen met klasse 1- of klasse 2-corticosteroïden. Bij ernstig eczeem heeft kortdurend dagelijks gebruik (tot 2 à 3 weken) met klasse 3-corticosteroïden de voorkeur, in het gezicht of in huidplooien hebben klasse 1- of klasse 2-corticosteroïden de voorkeur. Bij verbetering het gebruik van corticosteroïden afbouwen. Overweeg pulstherapie met klasse 2-corticosteroïden bij frequente recidieven van ernstig eczeem. Bij de keuze van de zalf- of crèmebasis is de ervaring en voorkeur van de patiënt doorslaggevend. Als lokale therapie onvoldoende effect sorteert, kunnen in de tweedelijnszorg intensievere vormen van lokale behandeling, lichttherapie of systemische middelen worden toegepast.

Voor abrocitinib is geen plaatsbepaling vastgesteld in de medicamenteuze behandeling van constitutioneel eczeem.

Indicaties

  • Matig tot ernstig constitutioneel eczeem bij volwassenen en kinderen ≥ 12 jaar die in aanmerking komen voor systemische behandeling.

Gerelateerde informatie

Doseringen

Controleer vóór aanvang, 4 weken na aanvang en daarna volgens protocol het aantal trombocyten, het absolute neutrofielenaantal (ANC), het absolute lymfocytenaantal (ALC), het hemoglobinegehalte en lipidenparameters. Behandeling niet starten bij een trombocytentelling < 150 × 109 cellen/l, ANC < 1,2 × 109 cellen/l, een ALC < 0,5 × 109 cellen/l, of een hemoglobinegehalte < 6,2 mmol/l; zie de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen.

Behandeling met abrocitinib kan worden gecombineerd met lokale behandeling van constitutioneel eczeem.

Klap alles open Klap alles dicht

Constitutioneel eczeem

Volwassenen < 65 jaar en kinderen vanaf 12 jaar met lichaamsgewicht ≥ 59 kg

Startdosering 100 of 200 mg 1×/dag. Overweeg 200 mg 1×/dag bij een hoge ziektelast. Indien het eczeem onder controle is, de dosering verlagen naar 100 mg 1×/dag. Overweeg herbehandeling met 200 mg 1×/dag als het eczeem niet onder controle blijft met 100 mg 1×/dag. Overweeg de behandeling te staken bij geen respons na 24 weken.

Ouderen (≥ 65 jaar)

100 mg 1×/dag. Overweeg de behandeling te staken indien binnen 24 weken geen respons is opgetreden.

Bij verhoogd risico op VTE, MACE en maligniteiten

Startdosering 100 mg 1×/dag. Bij onvoldoende respons kan de dosering worden verhoogd naar 200 mg 1×/dag. Overweeg de behandeling te staken bij geen respons binnen 24 weken.

Kinderen 12–17 jaar met lichaamsgewicht 25–59 kg

Startdosering 100 mg 1×/dag. Bij onvoldoende respons kan de dosering worden verhoogd naar 200 mg 1×/dag. Overweeg de behandeling te staken bij geen respons binnen 24 weken.

Bij gelijktijdig gebruik van sterke CYP2C19-remmers (bv. fluoxetine) of sterke CYP2C19-/matige CYP2C9 -remmers (bv. fluconazol, fluvoxamine)

Dosis halveren tot 100 mg 1×/dag en bij ouderen tot 50 mg 1×/dag.

Bij gelijktijdig gebruik van maagzuurremmers (antacida, H2-receptorantagonisten of protonpompremmers): overweeg 200 mg 1×/dag; zie de rubriek Interacties

Verminderde nierfunctie: bij een lichte nierfunctiestoornis (creatinineklaring 60–90 ml/min) is geen dosisaanpassing nodig, bij een matige nierfunctiestoornis (creatinineklaring 30–60 ml/min): dosis halveren tot 100 mg 1×/dag of bij ouderen tot 50 mg 1×/dag. Bij een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring < 30 ml/min): startdosering 50 mg 1×/dag, max. 100 mg 1×/dag. Gebruik van abrocitinib is niet onderzocht bij eindstadium nierfalen.

Verminderde leverfunctie: bij een licht tot matige leverfunctiestoornis (Child-Pughscore 5–9) is geen dosisaanpassing nodig. Gebruik bij een ernstige leverfunctiestoornis (Child-Pughscore 10–15) is gecontra-indiceerd vanwege het ontbreken van gegevens.

Gemiste dosis: een vergeten dosis zo snel mogelijk alsnog innemen, tenzij de periode tot de volgende geplande dosis < 12 uur is; hierna doorgaan met het normale tijdschema.

Toediening: de tabletten heel (niet breken of kauwen) innemen met of zonder voedsel, op een vast tijdstip. Bij misselijkheid innemen met voedsel.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): Misselijkheid.

Vaak (1-10%):Herpes simplex, herpes zoster. Hoofdpijn, duizeligheid. Braken, bovenbuikpijn. Acne. Creatinekinase verhoogd > 5 × ULN (veelal voorbijgaand).

Soms (0,1-1%): Pneumonie. Hyperlipidemie. Trombocytopenie (max. < 4 weken en reversibel), lymfopenie. Diepveneuze trombose en longembolie.

Bij ouderen zijn lage trombocyten- en ALC-waarden en herpes zoster vaker gemeld.

Interacties

Abrocitinib wordt vnl. omgezet door CYP2C19- en CYP2C9-enzymen, en in mindere mate door CYP3A4- en CYP2B6-enzymen. De actieve metabolieten zijn substraten van het organische-anionentransporteiwit 3 (OAT3).

Niet gelijktijdig gebruiken met matige of sterke CYP2C19-/CYP2C9-inductoren (bv. rifampicine, apalutamide, efavirenz, enzalutamide, fenytoïne) vanwege afname van de abrocitinibspiegel. Bij gelijktijdige toediening met rifampicine neemt de blootstelling van abrocitinib met ca. 56% af.

Bij gelijktijdig gebruik van sterke CYP2C19- of matige CYP2C9-remmers (bv. fluconazol, fluvoxamine) of een sterke CYP2C19-remmer (bv. fluoxetine) neemt de blootstelling van abrocitinib toe; de dosis moet worden verlaagd (zie rubriek Dosering). Bij gelijktijdige toediening met fluvoxamine of fluconazol neemt de blootstelling van abrocitinib met resp. 91% en 155% toe.

Bij gelijktijdige toediening van probenecide, een OAT3-remmer, neemt de blootstelling van abrocitinib met ca. 66% toe; een dosisaanpassing is echter niet nodig.

Overweeg bij gelijktijdig gebruik van maagzuurremmers (antacida, H2-receptorantagonisten of protonpompremmers) een hogere dagelijkse dosis van 200 mg. Bij gelijktijdig gebruik met famotidine daalde de blootstelling van het actieve deel van abrocitinib met ca. 35 %. Gelijktijdige toediening met antacida of protonpompremmers (omeprazol) is niet onderzocht, maar het effect kan vergelijkbaar zijn.

Wees voorzichtig bij gelijktijdig gebruik met substraten voor P-glycoproteïne (Pgp) zoals dabigatran en digoxine, vanwege risico van verhoogde spiegels van Pgp-substraten. In vitro remt abrocitinib het P-glycoproteïne (Pgp); bij gelijktijdige toediening met dabigatran neemt de blootstelling van dabigatran met ca. 53% toe en de Cmax met ca. 40%.

Wees voorzichtig bij gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen met een smalle therapeutische index die voornamelijk worden omgezet door CYP2C19 (bv. clopidogrel). In vitro is abrocitinib een CYP2C19-remmer; bij gelijktijdige toediening met omeprazol neemt de blootstelling van omeprazol met ca. 189% toe en de Cmax met ca. 134%. Ook voor andere geneesmiddelen die voornamelijk worden omgezet door CYP2C19 kan dosisaanpassing nodig zijn (bv. citalopram, clobazam, escitalopram).

Abrocitinib is mogelijk een matige remmer van CYP1A2. Bij gelijktijdige toediening met coffeïne neemt de blootstelling van coffeïne met 40% toe. Volgens de fabrikant kan er geen algemene dosisaanpassing worden aanbevolen.

De combinatie met biologische immunomodulatoren, sterke immunosuppressiva zoals ciclosporine of andere Januskinase (JAK)-remmers wordt niet aanbevolen, omdat een risico van additieve immunosuppressie niet kan worden uitgesloten.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens onvoldoende gegevens, bij dieren teratogeen gebleken.

Farmacologisch effect: Bij dieren is een ongunstig effect op o.a. de botontwikkeling in utero waargenomen.

Advies: Gebruik is gecontra-indiceerd.

Overig: Een vruchtbare vrouw dient adequate anticonceptieve maatregelen te nemen gedurende de behandeling én tot ten minste 1 maand na de laatste dosis.

Vruchtbaarheid: Bij dieren tijdelijk verminderde vruchtbaarheid. De effecten op de vruchtbaarheid van vrouwtjesratten waren 1 maand na het staken van orale toediening van abrocitinib reversibel.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend bij de mens. Ja, bij dieren.

Farmacologisch effect: Een nadelig effect bij de zuigeling kan niet worden uitgesloten.

Advies: Gebruik is gecontra-indiceerd.

Contra-indicaties

  • actieve ernstige systemische infectie, waaronder tuberculose (tbc);
  • ernstige leverfunctiestoornis.

Zie voor meer contra-indicaties de rubrieken Zwangerschap en Lactatie.

Waarschuwingen en voorzorgen

Behandeling alleen starten wanneer er geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn voor:

  • patiënten ≥ 65 jaar; risico op MACE, maligniteiten, ernstige infecties en overlijden ongeacht de oorzaak, is verhoogd; ook bij gebruik van andere JAK-remmers;
  • patiënten met een (voorgeschiedenis van) atherosclerotische cardiovasculaire aandoening of andere cardiovasculaire risicofactoren (zoals patiënten die roken of eerder langdurig hebben gerookt);
  • patiënten met risicofactoren voor maligniteiten (bv. een maligniteit in de voorgeschiedenis).

Bloedbeeldbepaling: behandeling niet starten bij een absolute lymfocytentelling (ALC) < 0,5 × 10 9 cellen/l, een absolute neutrofielentelling (ANC) < 1,2 × 10 9 cellen/l, een trombocytentelling < 150 × 10 9 cellen/l of een hemoglobinewaarde (Hb) < 6,2 mmol/l. Controleer 4 weken na aanvang van de behandeling volledig bloedbeeld en vervolgens conform protocol. Onderbreek de behandeling tijdelijk bij een absolute lymfocytentelling (ALC) < 0,5 × 10 9 cellen/l, een absolute neutrofielentelling (ANC) < 1 × 10 9 cellen/l, een trombocytentelling < 50 × 10 9 cellen/l of een hemoglobinewaarde (Hb) < 5 mmol/l. Ouderen > 65 jaar hebben meer risico van lage trombocyten en ALC-waarden.

Bij actieve, ernstige systemische infecties de behandeling niet starten. Controleer op tekenen van infectie tijdens en na de behandeling. Als een infectie optreedt, de patiënt monitoren; de behandeling tijdelijk staken als de standaardbehandeling van de infectie niet effectief is. Wees voorzichtig bij ouderen en diabetespatiënten wegens een hogere incidentie van infecties.

Weeg de risico's en voordelen af bij patiënten met:

  • een chronische of recidiverende infectie;
  • een voorgeschiedenis van ernstige of opportunistische infectie;
  • blootstelling aan tuberculose;
  • een reisverleden in gebieden met endemische tuberculose of mycosen;
  • verhoogde gevoeligheid voor infecties (zoals bij immuungecompromitteerde patiënten).

Controleer vooraf op tuberculose (tbc); niet toepassen bij actieve tbc. Start bij nieuwe diagnose van latente tbc of eerdere niet-behandelde latente tbc eerst preventieve behandeling, vóór behandeling met abrocitinib te starten. Overweeg in gebieden met endemische tbc, patiënten jaarlijkse te screenen op tbc.

Controleer op virale hepatitis vóór start en gedurende de behandeling. Als HBV-DNA wordt gedetecteerd tijdens de behandeling, dient een leverspecialist te worden geraadpleegd. Abrocitinib is niet onderzocht bij patiënten die bij screening positief waren voor actieve hepatitis B (HBV) of hepatitis C (HCV).

Voorvallen van MACE zijn gemeld. Bij patiënten met RA en ≥ 50 jaar met ten minste één extra cardiovasculaire risicofactor werd een hoger percentage van ernstige nadelige cardiovasculaire voorvallen (MACE), gedefinieerd als cardiovasculair overlijden, niet-fataal myocardinfarct (MI) en niet-fatale beroerte, waargenomen bij tofacitinib (een andere JAK-remmer) vergeleken met TNF-remmers. Abrocitinib alleen gebruiken als er geen behandelingsalternatieven beschikbaar zijn bij patiënten ≥ 65 jaar, bij patiënten die roken of langdurig gerookt hebben en patiënten met een geschiedenis van een atherosclerotische cardiovasculaire ziekte of andere cardiovasculaire risicofactoren.

Voorvallen van diepveneuze trombose (DVT) en longembolie (LE) zijn gemeld. Bij patiënten met RA en ≥ 50 jaar met ten minste één extra cardiovasculaire risicofactor, is een hoger percentage van VTE, waaronder DVT en LE, waargenomen met tofacitinib vergeleken met TNF-remmers. Gebruik abrocitinib alleen als er geen alternatief beschikbaar is. Andere risicofactoren voor VTE dan cardiovasculair of maligniteiten, zijn hoge leeftijd, obesitas, een voorgeschiedenis van DVT/LE, oestrogeengebruik (anticonceptie en hormoonsuppletie), een erfelijke stollingsstoornis, een operatieve ingreep en langdurige immobiliteit. Monitor op risicofactoren. Staak de behandeling bij symptomen van DVT/LE, evalueer en geef passende behandeling.

Het risico op maligniteiten waaronder lymfoom is verhoogd bij gebruik van immunomodulerende middelen, waaronder JAK-remmers zoals abrocitinib. Het aantal maligniteiten, met name longkanker, lymfoom en niet-melanoom huidkanker (NMSC) nam toe in onderzoek met tofacitinib. NMSC's zijn ook waargenomen bij gebruik van abrocitinib. Onderzoek periodiek de huid, vooral bij risicofactoren voor huidkanker.

Dosisafhankelijke verhoging van bloedlipidenparameters is gemeld; controleer lipidenparameters 4 weken na aanvang en daarna op basis van het risico op cardiovasculaire ziekte van de patiënt. Weeg bij patiënten met een hoge belasting van cardiovasculaire risicofactoren de risico’s en voordelen van abrocitinib, vergeleken met die van andere beschikbare behandelingen voor constitutioneel eczeem, af. Bij verhoogde waarden behandelen volgens de geldende richtlijnen.

Virale reactivatie is gemeld, waaronder van het herpesvirus (bv. herpes zoster, herpes simplex). Onderbreek de behandeling bij optreden van herpes zoster totdat de verschijnselen zijn verdwenen. Infecties met herpes zoster zijn vaker gemeld bij een dosering van 200 mg, ouderen ≥ 65 jaar, een medische voorgeschiedenis van herpes zoster, ALC van < 1 × 109 cellen/l en bij patiënten met ernstig constitutioneel eczeem.

Gebruik geen levende, verzwakte vaccins tijdens of onmiddellijk vóór de behandeling wegens het ontbreken van gegevens over de respons op vaccinatie met levende of geïnactiveerde vaccins. Zorg vóór start van de behandeling voor voldoende vaccinaties, inclusief een profylactische vaccinatie tegen herpes zoster.

Onderzoeksgegevens

  • De veiligheid en werkzaamheid zijn niet vastgesteld bij kinderen < 12 jaar.
  • Er zijn relatief weinig gegevens over ouderen > 75 jaar.

Overdosering

Controleer op verschijnselen en symptomen van bijwerkingen. In klinisch onderzoek waren de bijwerkingen bij toediening van een enkelvoudige orale dosis van maximaal 800 mg, en van 400 mg dagelijks gedurende 28 dagen, vergelijkbaar met de bijwerkingen die bij lagere doses optraden; er werd geen specifieke toxiciteit vastgesteld.

Neem voor (meer) informatie over een vergiftiging met abrocitinib contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Abrocitinib is een immunosuppressivum. Het remt selectief en reversibel Januskinase 1 (JAK1- remmer), en in mindere mate JAK2, JAK3 en tyrosinekinase 2 (TYK2). Januskinasen zijn intracellulaire enzymen die cytokinen of groeifactorsignalen overbrengen die betrokken zijn bij hematopoëse, ontsteking en de afweerfunctie. Door remming van de enzymactiviteit van JAK1 moduleert het intracellulaire signaalroutes van signaaltransducers en activatoren van transcriptie (STAT's). JAK-remmers vallen onder de 'targeted synthetic' DMARD's (tsDMARD's).

Kinetische gegevens

Resorptie > 91%
F ca. 60%
T max < 1 uur. Steady-state concentraties binnen 48 uur.
V d ca. 1,4 l/kg (na i.v.-toediening).
Metabolisering In vitro door meerdere CYP-enzymen: CYP2C19 (ca. 53%), CYP2C9 (ca. 30%), CYP3A4 (ca. 11%) en CYP2B6 (ca. 6%). Van abrocitinib zijn 3 metabolieten geïdentificeerd: M1 (3-hydroxypropyl), M2 (2-hydroxypropyl) en M4 (pyrrolidinonpyrimidine). M1 en M2 remmen JAK in vergelijkbare mate als abrocitinib, M4 is inactief. De farmacologische activiteit kan worden toegeschreven aan de blootstelling aan het ongebonden abrocitinib (ca. 60%), aan M1 (ca. 10%) en M2 (ca. 30%).
Eliminatie Als metabolieten (M1, M2 en M4) vnl. via de urine, < 1 % onveranderd via de urine.
T 1/2el ca. 5 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd