Geneesmiddelenoverzicht GLP1-agonisten

Deze hoofdrubriek bevat 2 rubrieken:

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Meer informatie over obesitas. Meer informatie over diabetes mellitus type 2. Een volledig overzicht van alle indicaties per geneesmiddel kunt u vinden in de geneesmiddelteksten.

GLP1-agonisten

Werking

Werkingsmechanisme

GLP1-agonisten activeren de GLP-1 (glucagonachtige peptide-1)-receptor, dit leidt tot:

  • stimulering van de glucoseafhankelijke insulinesecretie door β-cellen van de pancreas;
  • onderdrukking van de glucagonafgifte, waardoor de hepatische glucoseafgifte daalt;
  • vertraging van de maaglediging, waardoor glucose uit voedsel minder snel wordt opgenomen;
  • toename van verzadigingsgevoel en vermindering van het gevoel van trek en honger (liraglutide).

Effect

  • verlaging van de bloedglucoseconcentratie;
  • vermindering van voedselinname en hierdoor gewichtsafname (liraglutide).

Typerende bijwerkingen

Relatief frequent:

  • vooral bij aanvang behandeling: gastro-intestinale klachten, zoals misselijkheid, braken en diarree;
  • vooral in combinatie met sulfonylureumderivaten of insuline: hypoglykemie.

Toepasbaarheid

U kunt de middelen in deze groep filteren op indicatie. Zie bovenaan deze pagina bij ‘Geneesmiddelenoverzicht’ en selecteer een indicatie.

Ouderen

De NIV-richtlijn Diabetes mellitus type 2 bij ouderen [2] adviseert GLP1-agonisten bij ouderen (> 70 j.) alleen te overwegen bij vitale ouderen met obesitas in individuele gevallen:

  • als toevoeging aan orale bloedglucoseverlagende middelen, indien insulinetherapie onwenselijk is vanwege het risico op hypoglykemieën en verdere gewichtstoename ongewenst is;
  • als toevoeging aan basaal insuline, indien intensivering van de insulinebehandeling onwenselijk is vanwege het risico op hypoglykemieën en verdere gewichtstoename ongewenst is.

De richtlijn adviseert geen GLP1-agonisten voor te schrijven aan ouderen:

  • met een zeer slechte glucoseregulatie (HbA1c > 86 mmol/mol); insuline heeft dan de voorkeur;
  • met een eGFR van < 30 ml/min/1,73 m²;
  • bij wie gewichtsverlies ongewenst is;
  • met pancreatitis of maligniteiten in schildklier of pancreas in de voorgeschiedenis.

Volgens de richtlijn kan voor vitale ouderen met overgewicht, gewichtsreductie een gunstig effect van GLP-1 behandeling zijn, echter voor kwetsbare ouderen met obesitas is gewichtsverlies niet altijd wenselijk. Obesitas en sarcopenie komen vaak samen voor, m.n. bij ouderen. Aangezien bekend is dat gewichtsverlies door een energiebeperkt dieet, zonder sport- of bewegingsprogramma, bij ouderen met sarcopene obesitas kan leiden tot verder verlies van spiermassa, adviseert de richtlijn daarom alleen GLP1-behandeling bij vitale ouderen met obesitas.

GLP1-agonisten veroorzaken, vooral bij aanvang van de behandeling, veel gastro-intestinale bijwerkingen zoals misselijkheid, braken en diarree. De NIV-richtlijn adviseert vanwege de kans op dehydratie bij het optreden hiervan, met name bij ouderen, voorzorgsmaatregelen te nemen om een vochttekort te voorkomen.

Volgens de productinformatie van de fabrikanten kunnen alle GLP1-agonisten bij ouderen worden toegepast, in het algemeen zonder aanpassing van de dosering.

  • In de productinformatie van dulaglutide staat het advies om bij een leeftijd ≥ 75 jaar, bij adjuvante therapie, met een lagere aanvangsdosis te starten vanwege zeer beperkte ervaring.
  • Volgens de productinformatie van exenatide met directe afgifte dient men bij ouderen > 70 jaar, een eventuele dosisverhoging voorzichtig uit te voeren.
  • De productinformatie van liraglutide vermeldt dat ouderen mogelijk meer gastro-intestinale klachten ondervinden bij behandeling met liraglutide. Gebruik van liraglutide bij de indicatie obesitas wordt bij ouderen ≥ 75 jaar niet aanbevolen vanwege beperkte ervaring.

Nierfunctiestoornis

Volgens de NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 [3] dulaglutide en liraglutide gecontra-indiceerd bij een eGFR < 10 ml/min/1,73 m² en exenatide en lixisenatide bij een eGFR < 30 ml/min/1,73 m².

De NIV-richtlijn Diabetes mellitus type 2 bij ouderen [2] geeft aan dat er geen specifieke studies zijn gedaan naar het gebruik van GLP1-agonisten bij ouderen met een verminderde nierfunctie. Zij adviseert bij het optreden van gastro-intestinale bijwerkingen bij gebruik van GLP1-agonisten m.n. bij ouderen extra voorzorgsmaatregelen te nemen om een vochttekort te voorkomen omdat ouderen extra kwetsbaar zijn voor achteruitgang van de nierfunctie door dehydratie; zie verder ook onder het kopje Ouderen.

Volgens de productinformatie kunnen dulaglutide, liraglutide (bij diabetes) en semaglutide bij een verminderde nierfunctie worden toegepast zonder dat aanpassing van de dosis nodig is. Ze worden niet aanbevolen bij eindstadium nierziekte (ESRD) vanwege het ontbreken van gegevens. In de productinformatie van liraglutide staat dat bij een creatinineklaring < 90 ml/min mogelijk meer gastro-intestinale bijwerkingen optreden.

Liraglutide (bij obesitas) en lixisenatide kunnen bij een verminderde nierfunctie ook in ongewijzigde dosering worden gebruikt, echter, gebruik bij een creatinineklaring < 30 ml/min wordt ontraden vanwege ontbrekende gegevens.

In de productinformatie staat het advies om exenatide met gereguleerde afgifte niet te gebruiken bij een creatinineklaring < 50 ml/min vanwege beperkte ervaring. Volgens de productinformatie van exenatide met directe afgifte dient men bij een creatinineklaring van 30–50 ml/min de dosis voorzichtig te verhogen; gebruik bij een creatinineklaring < 30 ml/min wordt niet aanbevolen.

Leverfunctiestoornis

Health Base [4] geeft aan dat de veiligheid van de GLP1-agonisten bij levercirrose nog niet is beoordeeld.

Volgens de productinformatie kunnen dulaglutide, exenatide, lixisenatide en semaglutide in ongewijzigde dosering bij een verminderde leverfunctie worden toegepast. In de productinformatie van semaglutide staat het advies om bij een ernstige leverinsufficiëntie wel voorzichtig te zijn, vanwege beperkte ervaring. In de productinformatie van exenatide en lixisenatide staat nog dat beide stoffen voornamelijk door de nieren worden geëlimineerd en een leverfunctiestoornis dus waarschijnlijk geen invloed heeft op de plasmaconcentratie. Liraglutide kan bij een lichte of matig-ernstige leverfunctiestoornis eveneens in ongewijzigde dosering worden gebruikt, maar wordt niet aanbevolen bij een ernstige leverfunctiestoornis.

Zwangerschap

Zowel volgens Lareb [5] als de productinformatie dient men GLP1-agonisten niet te gebruiken tijdens de zwangerschap, omdat er geen gegevens bekend zijn.

Volgens de productinformatie van semaglutide en exenatide met verlengde afgifte dient men ten minste 2 maanden, resp. 3 maanden vóór een geplande zwangerschap, de behandeling te staken vanwege de lange halfwaardetijd. Vruchtbare vrouwen dienen adequate anticonceptieve maatregelen te nemen tijdens de behandeling.

Lactatie

Lareb [6] adviseert het gebruik van GLP1-agonisten tijdens de borstvoeding af te wegen. Volgens de productinformatie dient men GLP1-agonisten niet te gebruiken vanwege het ontbreken aan gegevens bij de mens.

Meer informatie

Toelichting Lareb: Hoewel gegevens bij de mens ontbreken is de verwachting dat GLP1-agonisten beperkt overgaan in de moedermelk en niet of nauwelijks worden opgenomen vanuit het maag-darmkanaal van de zuigeling.

Kinderen

In het Kinderformularium [7] zijn geen GLP1-agonisten opgenomen. De productinformatie geeft alleen doseringen voor volwassenen omdat de veiligheid en werkzaamheid bij kinderen niet zijn vastgesteld.

Overig

Obese patiënten

Liraglutide kan niet alleen bij diabetes mellitus type 2 worden toegepast, maar ook bij obesitas (BMI ≥ 30 kg/m²) of overgewicht (BMI 27–30 kg/m²) in combinatie met ten minste één gewichtsgerelateerde comorbiditeit. Liraglutide is echter niet opgenomen in de huidige Nederlandse behandelrichtlijnen voor obesitas. De NICE-richtlijn noemt liraglutide als behandeloptie bij de keuze voor farmacotherapie, maar benadrukt dat bij mogelijk gewichtsverlies (gem. 4,0% bovenop een leefstijlinterventie) de kans op gewichtsbehoud na staken van de therapie klein is, en het gebruik gepaard gaat met de kans op potentieel ernstige bijwerkingen (o.a. pancreatitis), zie behandelplan Diabetes mellitus type 2.

Volgens de NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 [3], kan bij patiënten met een BMI ≥ 30 kg/m² een DPP4-remmer of GLP1-agonist een alternatief zijn voor (het intensiveren van) insuline, als het vermijden van hypoglykemieën van groot belang is. Bij een BMI van 30–35 kg/m² hebben DPP4-remmers de voorkeur boven GLP1-agonisten op basis van toedieningsvorm, vergoedingsvoorwaarden en kosten. Bij een BMI ≥ 35 kg/m² hebben GLP1-agonisten de voorkeur in verband met het gunstige effect op het gewicht.

Literatuur

  1. Brunton LL, et al. (eds). Goodman & Gilman’s The pharmacological basis of therapeutics. 12th ed. New York: McGraw-Hill, 2011.
  2. Nederlandse Internisten Vereniging. Richtlijn Diabetes mellitus type 2 bij ouderen. 2018. Geraadpleegd september 2019.
  3. NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2, 2018. Geraadpleegd september 2019.
  4. Stichting Health Base. Geneesmiddelen bij levercirrose. Geraadpleegd september 2019.
  5. Lareb. GLP1–agonisten bij diabetes tijdens de zwangerschap. Geraadpleegd september 2019.
  6. Lareb. GLP1–agonisten bij diabetes tijdens de borstvoedingsperiode. Geraadpleegd september 2019.
  7. Kinderformularium. Geraadpleegd september 2019.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Indicaties

Vergelijken

GLP1-agonisten vergelijken met een andere geneesmiddelgroep.