insuline aspart

Samenstelling

Fiasp Aanvullende monitoring Novo Nordisk bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
100 E/ml
Verpakkingsvorm
flacon 10 ml, patroon 3 ml ('Penfill'), pen 3 ml ('Flextouch')

Conserveermiddelen: fenol en m-cresol. Bevat tevens: zinkacetaat.

Novorapid Novo Nordisk bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
100 E/ml
Verpakkingsvorm
flacon 10 ml, patroon 1,6 ml ('Pumpcart'), patroon 3 ml ('Penfill'), pen 3 ml ('Flexpen'), pen 3 ml ('Novolet')

Conserveermiddelen: fenol en m-cresol. Bevat tevens: zinkchloride.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

insuline aspart vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

De keuze van het insulinepreparaat en de toedieningsvorm wordt voornamelijk individueel bepaald door de behoeften en mogelijkheden van de patiënt.

Door de snelle werking kan insuline aspart vlak vóór of vlak na de maaltijd worden toegediend, waardoor een flexibeler levensstijl mogelijk wordt.

Bij diabetes type I gaat de voorkeur uit naar een basaal-bolusregime waarbij een injectie met kortwerkende insuline vóór of bij elke maaltijd gegeven wordt, en voor de basale insulinebehoefte een of twee injecties per dag van een verlengd werkend insulinepreparaat.

Bij de behandeling van diabetes mellitus type 2 komen orale bloedglucoseverlagende middelen in aanmerking indien geen goede bloedglucoseregulatie wordt bereikt met voorlichting, aanpassing van de voeding, en stimulering van lichaamsbeweging. Metformine is eerste keus bij de medicamenteuze behandeling. Bij onvoldoende resultaat hiermee, kan een kortwerkend sulfonylureumderivaat (voorkeur gliclazide) worden toegevoegd. De volgende stap conform de NHG-Standaard is (toevoeging van) insulinetherapie, of als alternatief een DPP4-remmer of GLP1-agonist. De overige bloedglucoseverlagende middelen komen in aanmerking indien met bovenstaande voorkeursmiddelen niet wordt uitgekomen.

Indicaties

Novorapid:

  • Diabetes mellitus bij volwassenen en kinderen vanaf 1 jaar.

Fiasp:

  • Diabetes mellitus bij volwassenen.

Gerelateerde informatie

Dosering

Klap alles open Klap alles dicht

Diabetes mellitus:

Volwassenen en kinderen vanaf 1 jaar:

Novorapid: individueel instellen, dosering op geleide van de bloedglucosespiegels. De totale dagelijkse insulinebehoefte ligt gewoonlijk tussen 0,5–1,0 E/kg lichaamsgewicht. Bij behandeling met een basaal-bolusregime kan Novorapid voorzien in 50–70% van de insulinebehoefte en kan in de rest worden voorzien door een middellang- of langwerkende insuline.

Volwassenen:

Fiasp: individueel instellen, dosering op geleide van de bloedglucosespiegels. De totale dagelijkse insulinebehoefte ligt gewoonlijk tussen 0,5–1,0 E/kg lichaamsgewicht. Bij behandeling met een basaal-bolusregime kan Fiasp voorzien in ca. 50% van de insulinebehoefte en kan in de rest worden voorzien door een middellang- of langwerkende insuline.

Starten bij diabetes mellitus type 1: De aanbevolen begindosis bij insuline-naïeve patiënten is ca. 50% van de totale dagelijkse insulinedosis, te verdelen over de maaltijden. De rest toedienen in de vorm van een middellang- of langwerkende insuline. De totale dagelijkse begindosis insuline is in het algemeen 0,2–0,4 E per kg lichaamsgewicht.

Starten bij diabetes mellitus type 2: De aanbevolen begindosis is 4E bij één of meerdere maaltijden, vervolgens individueel aanpassen.

Dosisaanpassing kan nodig zijn bij verandering van de fysieke activiteit of van dieet, bij een bijkomende ziekte of bij overzetten op een ander type of merk insuline. De insulinebehoefte kan afnemen bij nier- of leverinsufficiëntie.

Novorapid toedienen direct voor het eten, eventueel tijdens of direct na het eten. Subcutaan toedienen in de buikwand, bovenarm, dij of bil. Bij continue subcutane insuline-infusie (CSII) de insuline in de buikwand toedienen. De injectie- of infusieplaats (binnen eenzelfde gebied) steeds variëren.

Novorapid 'Pumpcart' injectievloeistof is alleen bestemd voor CSII in pompsystemen geschikt voor insuline-infusie. Bij gebruik van een insulinepomp nooit verschillende insulinesoorten mengen.

Fiasp toedienen 0–2 minuten voor het begin van de maaltijd tot max. 20 minuten na het begin van de maaltijd. Subcutaan toedienen in de buikwand of bovenarm. Bij continue subcutane insuline-infusie (CSII) de insuline in de buikwand toedienen. De injectie- of infusieplaats (binnen eenzelfde gebied) steeds variëren.

Indien nodig insuline aspart verdund intraveneus toedienen via een perfusiesysteem; gedurende de infusie is bloedglucosecontrole noodzakelijk, ook omdat een deel van de insuline kan adsorberen aan het materiaal van de infuuszak.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): hypoglykemie.

Vaak (1-10%): allergische huidreacties, zoals eczeem, uitslag, jeuk, urticaria en dermatitis. Reacties op de injectie-/infusieplaats, zoals roodheid, pijn, blauwe plekken, jeuk, zwelling, ontsteking (meestal voorbijgaand na enkele dagen tot weken).

Soms (0,1–1%): gegeneraliseerde overgevoeligheidsreacties (gegeneraliseerde huiduitslag, gezichtsoedeem). Voorbijgaande refractiestoornissen en oedeem bij start van de behandeling. Tijdelijke verergering van diabetische retinopathie na abrupte verbetering van de glykemische regulatie. Lokaal lipodystrofie, vooral bij herhaalde injectie op dezelfde plaats.

Zelden (0,1–0,01%): acute perifere neuropathie (m.n. bij een snelle verbetering van de glucoseregulatie), die meestal reversibel is.

Zeer zelden (< 0,01%): anafylactische reacties.

Interacties

Bepaalde stoffen kunnen het bloedglucoseverlagend effect van insuline versterken, zoals: ACE-remmers, anabole steroïden, andere bloedglucoseverlagende middelen, disopyramide, fibraten, fluoxetine, MAO-remmers, pentoxifylline, hoge doses (> 2 g) salicylaten en sulfonamideantibiotica.

Bepaalde stoffen kunnen het bloedglucoseverlagend effect van insuline verminderen, zoals: atypische antipsychotica (bv. olanzapine en clozapine), danazol, diazoxide, diuretica, fenothiazine-derivaten, glucagon, glucocorticoïden, isoniazide, oestrogenen en progestagenen, proteaseremmers, somatropine, sympathicomimetica (bv. adrenaline, salbutamol en terbutaline) en thyreomimetica.

Alcohol, clonidine, octreotide, lanreotide en lithium kunnen het bloedglucoseverlagend effect versterken of verminderen. Pentamidine kan hypoglykemie veroorzaken, wat soms wordt gevolgd door een hyperglykemie.

Niet-selectieve β-blokkers kunnen de adrenerge symptomen van hypoglykemie maskeren en het herstel van de glucosespiegel na hypoglykemie vertragen. Tevens kan tijdens de hypoglykemie ernstige hypertensie optreden. Clonidine kan de adrenerge symptomen van een hypoglykemie maskeren.

Wees voorzichtig bij combinatie met pioglitazon vanwege de toegenomen kans op hartfalen.

Zwangerschap

Teratogenese: Gegevens van een beperkt aantal zwangerschappen duiden niet op schadelijke effecten op de zwangerschap of het kind.
Advies: Kan volgens voorschrift worden gebruikt. Vrouwen met diabetes mellitus type I en II moeten bij voorkeur al vóór de zwangerschap goed worden ingesteld op insuline.
Overig: Een goede regulatie van de bloedglucosespiegel vermindert de kans op aangeboren afwijkingen. Tijdens zwangerschap kan de insulinebehoefte veranderen; nauwgezette controle is dan ook noodzakelijk.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend. Insuline wordt bij orale inname (van de moedermelk) geïnactiveerd.
Advies: Kan volgens voorschrift worden gebruikt.

Contra-indicaties

  • hypoglykemie.

Waarschuwingen en voorzorgen

Bij ouderen en bij nier- of leverinsufficiëntie de bloedglucosespiegel vaker controleren.

Verandering van insulinebehoefte treedt op bij verandering van het maaltijdschema, (onverwachte) zware fysieke inspanning, het ontstaan van stress-situaties zoals ziekten (bv. griep) en emotionele gebeurtenissen, en verder bij bijkomende aandoeningen die de werking van nieren, lever, bijnier, hypofyse of de schildklier beïnvloeden.

Bij een sterke verbetering van de bloedglucose-instelling (bv. door een intensievere insulinetherapie) kunnen de vroege waarschuwingssignalen van hypoglykemie anders worden waargenomen. Bij langdurig bestaande diabetes kunnen de gebruikelijke waarschuwingssymptomen verdwijnen.

Intensivering of snelle verbetering van de glucoseregulatie kan gepaard gaan met een voorbijgaande, reversibele refractiestoornis, verergering van diabetische retinopathie, acute perifere neuropathie en perifeer oedeem.

Bij inadequate dosering of onderbreken van de behandeling kan vooral bij type 1-diabeten hyperglykemie optreden, met als symptomen dorst, frequente mictie, misselijkheid, braken, sufheid, een rode, droge huid, droge mond en anorexie. Onbehandelde hyperglykemie kan bij type 1-diabetes tot diabetische ketoacidose leiden.

De veiligheid en werkzaamheid zijn niet vastgesteld bij: kinderen < 1 jaar (Novorapid), kinderen < 18 jaar (Fiasp). Er is weinig ervaring met Fiasp bij ouderen ≥ 75 jaar.

Overdosering

Symptomen
Hypoglykemie, zich uitend in honger, zwakte, trillen, transpireren, snelle en sterke hartslag, hoofdpijn, duizeligheid en/of cognitieve symptomen zoals concentratieverlies en verwardheid (symptomen veroorzaakt door adrenaline en cortisol). De hypoglykemie kan optreden door relatieve overdosering tijdens o.a. inspanning of door onvoldoende voedseltoevoer of door absolute overdosering.

Zie voor meer informatie over symptomen en behandeling de monografie insulinen op vergiftigingen.info.

Eigenschappen

Kortwerkend recombinant humaan insuline-analogon. Insuline verlaagt de bloedglucose, door de opname van glucose door de cellen te verhogen en de afgifte van glucose door de lever te verlagen; het bevordert de glycogeenvorming en vermindert de gluconeogenese. Daarnaast bevordert insuline de eiwitsynthese en remt het de lipolyse (regulering van de mobilisatie van vet uit depots).

Werking: maximaal na 1–3 uur; werkingsduur: 3–5 uur.

Bij s.c.-toediening van Novorapid in de buikwand treedt de werking in binnen 10–20 min na injectie. Fiasp is een formulering waarin de toevoeging van nicotinamide (vitamine B3) resulteert in een snellere initiële absorptie van insuline; de insuline verschijnt ca. 4 minuten na toediening in de circulatie.

Kinetische gegevens

Fs.c. ca. 80% (Fiasp).
T maxs.c. 40–60 min (Novorapid). De tijd tot 50% van de Cmax is ca. 9 minuten korter bij Fiasp vergeleken met Novorapid.
V d0,22 l/kg.
Metaboliseringvnl. in de lever en in mindere mate in de nieren en het spierweefsel, tot inactieve metabolieten.
T 1/257 min (na s.c. toediening van Fiasp).

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

insuline aspart hoort bij de groep insulinen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links