lamivudine

Samenstelling

Epivir Bijlage 2 ViiV Healthcare bv.

Toedieningsvorm
Drank
Sterkte
10 mg/ml
Verpakkingsvorm
240 ml

Conserveermiddelen: methyl- en propylparahydroxybenzoaat. Bevat tevens: saccharose 200 mg/ml.

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
150 mg, 300 mg

Lamivudine Bijlage 2 Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
100 mg, 150 mg, 300 mg

Zeffix Bijlage 2 GlaxoSmithKline bv

Toedieningsvorm
Drank
Sterkte
5 mg/ml
Verpakkingsvorm
240 ml

Conserveermiddelen: methyl- en propylparahydroxybenzoaat. Bevat tevens: saccharose 200 mg/ml.

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
100 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

lamivudine vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

HIV: De keuze voor een combinatie van middelen is afhankelijk van diverse factoren en dient te worden gemaakt op geleide van het resistentieprofiel. Zie voor meer informatie de richtlijn HIV op NVHB.nl.

Lamivudine wordt afgeraden als behandeling van chronische hepatitis B, vanwege het grote risico op antivirale resistentie. Overweeg switchen naar entecavir, tenofovirdisoproxilfumaraat of tenofoviralafenamide bij patiënten die reeds met lamivudine worden behandeld.

Aan de vergoeding van lamivudine zijn voorwaarden verbonden, zie Regeling zorgverzekering, bijlage 2.

Indicaties

Behandeling van:

  • HIV-1-infectie in combinatie met andere anti-retrovirale middelen bij volwassenen en kinderen (Epivir, lamivudine);
  • Volwassenen met gecompenseerde chronische hepatitis B met tekenen van actieve virale replicatie, aanhoudend verhoogde waarden in serum van ALAT-spiegels én histologische tekenen van actieve leverontsteking en/of fibrose, indien het gebruik van een alternatief antiviraal middel met een hogere genetische barrière tegen resistentie niet mogelijk óf niet geschikt is (Zeffix, lamivudine);
  • Volwassenen met gedecompenseerde hepatitis in combinatie met een tweede middel zonder kruisresistentie tegen lamivudine (Zeffix, lamivudine).

Gerelateerde informatie

Dosering

Bij dit geneesmiddel wordt (tevens) gedoseerd op geleide van de bloedspiegel; zie voor meer informatie hierover op HIV-middelen van tdm-monografie.org.

Epivir: bij kinderen die ten minste 14 kg wegen en bij volwassenen bij voorkeur de tablet geven, omdat bij gebruik van de drank lagere percentages virologische suppressie en vaker voorkomende virale resistentie zijn gemeld.

Klap alles open Klap alles dicht

HIV-infectie:

Volwassenen (incl. ouderen) en kinderen > 25 kg:

Epivir, lamivudine: (Ook bij patiënten met tevens een chronische hepatitis B-infectie): 150 mg 2×/dag óf 300 mg 1×/dag. Bij overgaan naar een dosering 1×/dag, de eerstvolgende eenmaaldaagse dosering ca. 12 uur na de laatste tweemaaldaagse dosering innemen. Bij terugschakelen naar een tweemaaldaags regime wordt na ca. 24 uur gestart met de tweemaaldaagse dosis.

Verminderde nierfunctie: creatinineklaring 30–49 ml/min: 150 mg als startdosis, gevolgd door 150 mg 1×/dag; creatinineklaring 15–29 ml/min: startdosis 150 mg, gevolgd door 100 mg 1×/dag; creatinineklaring 5–14 ml/min: startdosis 150 mg, gevolgd door 50 mg 1×/dag; creatinineklaring < 5 ml/min: 50 mg als startdosis, gevolgd door 25 mg 1×/dag.

Kinderen < 25 kg:

Epivir: Drank: 5 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag óf 10 mg/kg 1×/dag, max. 300 mg per dag. Tabletten: dit is voor een lichaamsgewicht ≥ 20 tot < 25 kg: 's ochtends 75 mg en 's avonds 150 mg, of 225 mg 1×/dag; 14 tot < 20 kg: 75 mg 2×/dag of 150 mg 1×/dag. Bij kinderen vanaf 3 maanden tot 1 jaar oud wordt het tweemaaldaags regime aanbevolen (5 mg/kg 2×/dag); indien niet haalbaar overweeg dan een dosis eenmaal per dag (10 mg/kg/dag); er zijn relatief weinig gegevens bekend over eenmaaldaags doseren bij deze patiëntengroep.

Verminderde nierfunctie (kinderen > 3 mnd. < 25 kg): creatinineklaring 30–49 ml/min: startdosis 4 mg/kg, gevolgd door 4 mg/kg 1×/dag; creatinineklaring 15–29 ml/min: startdosis 4 mg/kg gevolgd door 2,6 mg/kg 1×/dag; creatinineklaring 5–14 ml/min: startdosis 4 mg/kg gevolgd door 1,3 mg/kg 1×/dag; creatinineklaring < 5 ml/min: startdosis 1,3 mg/kg gevolgd door 0,7 mg/kg 1×/dag.

Er zijn relatief weinig gegevens bij kinderen < 3 maanden, zie voor meer informatie hierover de Epivir-productinformatie (pdf 0,6 MB, rubriek 5.2).

Chronische hepatitis B-infectie:

Volwassenen (incl. ouderen):

Zeffix, lamivudine: 100 mg 1×/dag. Bij patiënten met HBeAg-positieve chronische hepatitis B zonder cirrose, de behandeling voortzetten ten minste 6–12 maanden nadat HBeAg-seroconversie is bevestigd, om het risico van virologische relaps te beperken, of totdat HBsAg seroconversie is opgetreden. Staken van de behandeling overwegen bij verlies van effectiviteit (blijvende terugkeer serum-ALAT-waarde en HBV-DNA naar niveau van voor de behandeling, verslechtering leverhistologie of andere tekenen van hepatitis). Bij patiënten met HBeAg-negatieve chronische hepatitis B (pre-core mutant) zonder cirrose de behandeling voortzetten ten minste totdat HBs seroconversie optreedt of totdat verlies van werkzaamheid is vastgesteld.

Bij patiënten met gedecompenseerde leveraandoeningen, cirrose of na het ontvangen van een levertransplantaat wordt het staken van de behandeling niet aangeraden.

Co-infectie met HIV: de dosering zoals voorgeschreven voor HIV-infecties handhaven.

Verminderde nierfunctie: creatinineklaring 30–49 ml/min: startdosis 100 mg, gevolgd door onderhoudsdosering van 50 mg 1×/dag; creatinineklaring 15–29 ml/min: startdosis 100 mg, gevolgd door onderhoudsdosering van 25 mg 1×/dag; creatinineklaring 5–14 ml/min: startdosis 35 mg, gevolgd door onderhoudsdosering van 15 mg 1×/dag; creatinineklaring < 5 ml/min: startdosis 35 mg, gevolgd door onderhoudsdosering van 10 mg 1×/dag. Bij intermitterende hemodialyse (≤ 4 uur dialyse 2-3×/week) de initiële dosering verlagen aan de hand van de creatinineklaring van de patiënt, tijdens de dialyse zijn geen verdere dosisaanpassingen nodig.

Verminderde leverfunctie: een dosisaanpassing is niet nodig.

Toedieningsinformatie: voor patiënten die de tabletten niet kunnen doorslikken, de drank gebruiken of eventueel de tabletten fijnmaken en met een kleine hoeveelheid halfvast voedsel of vloeistof vermengen; daarna het mengsel onmiddellijk innemen.

Bijwerkingen

Bij HIV-infectie: Vaak (1-10%): vermoeidheid, malaise, koorts. Hoofdpijn, slapeloosheid. Misselijkheid, braken, buikpijn, buikkrampen, diarree. Hoesten, neusklachten. Spierpijn. Huiduitslag, alopecia.

Soms (0,1-1%): neutropenie, anemie, trombocytopenie. (Tijdelijke) verhoging van serumleverenzymen (ASAT, ALAT).

Zelden (0,01-0,1%): hepatitis. Verhoging van serumamylasespiegels, pancreatitis. Rabdomyolyse. Angio-oedeem.

Zeer zelden (< 0,01%): 'pure red cell'-aplasie. Perifere neuropathie, paresthesie. Lactaatacidose.

Verder zijn gemeld: toename in serumlipiden- en bloedglucosespiegels, gewichtstoename.

Er zijn gevallen van osteonecrose gemeld, vooral bij patiënten met algemeen erkende risicofactoren, gevorderde HIV-infectie of langdurige blootstelling aan cART. Bij het starten van cART bij ernstige immuundeficiëntie kan het immuunreconstitutie-inflammatoir-syndroom (IRIS) optreden, waarbij ook auto-immuunziekten (zoals de ziekte van Graves of auto-immuunhepatitis) kunnen ontstaan, soms vele maanden na het begin van de behandeling.

Bij HBV-infectie: Zeer vaak (> 10%): verhoging ALAT-waarde.

Vaak (1-10%): huiduitslag, jeuk. Verhoging CK-waarde, spieraandoeningen inclusief spierpijn en spierkrampen.

Zelden (0,01-0,1%): angio-oedeem.

Zeer zelden (< 0,01%): lactaatacidose.

Verder zijn gemeld: trombocytopenie, rabdomyolyse.

Interacties

Via beïnvloeding van actieve secretie door de nieren kunnen bij combinatie met emtricitabine (en andere cytidine analoga) de plasmaspiegels van zowel lamivudine als emtricitabine stijgen; de combinatie vermijden.

Trimethoprim verhoogt via beïnvloeding van de actieve secretie door de nieren de blootstelling aan lamivudine met ca. 40%; gelijktijdige toediening met hoge doses (zoals bij de behandeling van een Pneumocystis jiroveci-pneumonie met cotrimoxazol) vermijden. Bij lagere dosering is alleen dosisaanpassing van lamivudine nodig indien er sprake is van een verminderde nierfunctie.

Lamivudine vermindert mogelijk de werkzaamheid van cladribine (door remming van de intracellulaire fosforylering van cladribine); gelijktijdige toediening vermijden.

De AUC en Cmax van lamivudine dalen bij gelijktijdige toediening van sorbitol; chronisch gelijktijdige toediening van sorbitol of andere osmotisch werkende polyalcoholen of suikeralcoholen (zoals mannitol of lactitol) moet worden vermeden. Als combinatie noodzakelijk is, overwegen de HIV-1/HBV viruslast frequenter te controleren.

Zie voor meer informatie over deze en andere interacties van lamivudine de pagina HIV-interacties van de UCSF (University of California, San Francisco).

Zwangerschap

Lamivudine passeert de placenta.
Teratogenese: Gegevens over het gebruik van lamivudine bij een groot aantal zwangerschappen (> 1000 met blootstelling in het 1e trimester en > 1000 met blootstelling in het 2e en 3e trimester) laten geen misvormend effect zien. Van nucleoside- en nucleotide-analogen is wel aangetoond dat ze in verschillende mate mitochondriale beschadiging kunnen veroorzaken.
Farmacologisch effect: Mitochondriale disfunctie is gemeld bij kinderen die in utero en/of postnataal zijn blootgesteld aan nucleoside-analoga, met als gevolg meestal voorbijgaande hematologische (anemie, neutropenie) en metabole (hyperlipasemie, hyperlactatemie) stoornissen en daarnaast in zeldzame gevallen laat intredende neurologische stoornissen (hypertonie, convulsies, abnormaal gedrag) waarvan nog niet is bekend of deze tijdelijk of blijvend van aard zijn.
Advies: Kan volgens voorschrift worden gebruikt.
Overig: Het kind dat in utero is blootgesteld aan lamivudine en relevante symptomen vertoont, klinisch en middels laboratoriumtesten controleren op mitochondriale disfunctie.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja, in een concentratie gelijk aan die in het serum. De serumconcentraties van lamivudine bij de zuigeling zijn echter zeer laag (< 4% van de maternale serumconcentratie). De serumconcentratie neemt verder af tot ondetecteerbare niveau's wanneer zuigelingen de leeftijd van 24 weken bereiken.
Farmacologisch effect: Het is onwaarschijnlijk dat de lage serumconcentratie bij de zuigeling tot bijwerkingen leidt.
Advies: Bij vrouwen met een HIV-infectie: het geven van borstvoeding ontraden om overdracht van HIV te voorkomen. Bij vrouwen met hepatitis B: weeg het risico van het gebruik van dit geneesmiddel in combinatie met het geven van borstvoeding. Bij HBV-overdracht door de moeder, ondanks adequate profylaxe, overwegen te stoppen met borstvoeding om de kans op het ontstaan van lamivudineresistente mutanten in het kind te reduceren.

Contra-indicaties

Er zijn van dit middel geen (klinisch relevante) contra-indicaties bekend.

Waarschuwingen en voorzorgen

Algemeen: Bij verdenking op pancreatitis (aan de hand van symptomen of laboratoriumwaarden) de behandeling onmiddellijk staken. Ernstige (soms fataal verlopende) gevallen van lactaatacidose zijn in verband gebracht met pancreatitis, leversteatose, lever- en nierfalen. Mitochondriale disfunctie is gemeld bij kinderen die in utero en/of postnataal zijn blootgesteld aan nucleoside-analoga (zie ook de rubrieken Zwangerschap en Lactatie). Staak de behandeling: bij optreden van progressieve hepatomegalie, snel toenemende aminotransferasespiegels, symptomatische hyperlactatemie en/of metabole- of lactaatacidose.

Bij HIV-infectie: Wees voorzichtig bij ernstige immuundeficiëntie in verband met meer kans op een ontstekingsreactie op asymptomatische of nog aanwezige opportunistische pathogenen die tot ernstige klinische ziektebeelden kunnen leiden zoals cytomegalovirus retinitis, focale en/of gegeneraliseerde mycobacteriële infecties en Pneumocystis jiroveci-pneumonie. Ook kunnen in dit kader (vaak pas na vele maanden) auto-immuunziekten optreden (zoals M. Graves of auto-immuunhepatitis). Bij een reeds bestaande leverfunctiestoornis en bij een chronische co-infectie met HBV of HCV neemt de kans op ernstige en mogelijk fatale hepatische bijwerkingen toe. Patiënten met een bestaande leverfunctiestoornis nauwlettend controleren; bij duidelijke verergering van de leverziekte de behandeling tijdelijk of definitief staken. Bij optreden van pijnlijke en/of stijve gewrichten de diagnose osteonecrose overwegen. Onderzoeksgegevens: er zijn onvoldoende gegevens over het gebruik bij kinderen jonger dan 3 maanden.

Bij HBV-infectie: Tijdens behandeling minimaal elke drie maanden ALAT-en HBV-DNA-waarden meten en bij HBeAg-positieve patiënten elke zes maanden het HBeAg. Spontane exacerbaties bij chronische hepatitis B komen relatief vaak voor en worden gekenmerkt door een voorbijgaande toename van de serum-ALAT-waarde. Na starten kan de serum-ALAT-waarde stijgen terwijl de serum HBV-DNA-spiegels afnemen. Bij gecompenseerde leverziekte gaat zo'n stijging van de serum-ALAT-waarde doorgaans niet vergezeld van een toename van de serum bilirubineconcentraties of van verschijnselen van hepatische decompensatie. Bij langdurige therapie is ontwikkeling van YMDD-mutanten mogelijk, waarbij de serum-ALAT-waarde stijgt en HBV-DNA opnieuw verschijnt; bij ontstaan van YMDD-mutanten verandering naar of toevoeging van een tweede middel zonder kruisresistentie tegen lamivudine overwegen. Na staken van de behandeling kan eveneens een acute exacerbatie optreden met een stijging in zowel de serum-ALAT-waarde als de HBV-DNA-spiegel. Meestal zijn deze exacerbaties, vaak optredend tussen 8–12 weken na de behandeling, spontaan reversibel, maar enkele gevallen met fatale afloop zijn gemeld. Na staken van de behandeling daarom gedurende ten minste 4 maanden regelmatig ALAT-waarden en bilirubinespiegels bepalen en daarna op klinische indicatie. Er zijn onvoldoende gegevens over het opnieuw opstarten van een behandeling met lamivudine bij een recidiverende hepatitis na de vorige behandeling. Bij het ondergaan van een transplantatie of bij gedecompenseerde levercirrose is er meer kans op actieve virusreplicatie. Dergelijke patiënten minstens iedere maand controleren op klinische, virologische en serologische parameters geassocieerd met hepatitis B, antivirale respons, lever- en nierfunctie; na eventueel staken van de behandeling tot ten minste zes maanden hierna blijven controleren op deze parameters. Behandeling van HBV-infectie met lamivudine monotherapie bij patiënten die tevens zijn geïnfecteerd met HIV, maar hiervoor geen therapie nodig hebben, kan resulteren in het ontstaan van een HIV-mutatie. Onderzoeksgegevens: er zijn onvoldoende gegevens over het gebruik bij:

  • kinderen (< 18 jaar);
  • patiënten die tevens geïnfecteerd zijn met HCV of HDV;
  • HBeAg-negatieve (pre-core mutante) patiënten;
  • patiënten die tevens een immunosuppressieve behandeling ondergaan (incl. chemotherapie).

Overdosering

Symptomen
o.a. misselijkheid, braken, diarree, huiduitslag, vermoeidheid. Overdosering van NRTI's kan perifere neuropathie of myopathie veroorzaken.

Zie voor meer informatie over symptomen en de behandeling de stofmonografie lamivudine op vergiftigingen.info.

Eigenschappen

Nucleoside-analoog, 'Reverse Transcriptase Inhibitor' (NRTI). Lamivudine (= 3TC) is een antivirale stof die werkzaam is tegen retrovirussen zoals het HIV-type 1 en 2 maar ook tegen het hepatitis B-virus (HBV).

Het is pas werkzaam nadat het intracellulair door fosforylering is omgezet in de actieve metaboliet lamivudinetrifosfaat. Deze metaboliet remt het HIV-reverse-transcriptase door competitie met het natuurlijke substraat (deoxycytidinetrifosfaat) en blokkeert daardoor voortijdig de virale DNA-ketenverlenging.

Bij een hepatitis B-infectie berust het werkingsmechanisme op remming van viraal HBV-polymerase door incorporatie van lamivudinetrifosfaat in de keten, waardoor vorming van viraal DNA wordt geblokkeerd.

Kinetische gegevens

Resorptiegoed.
F80–85% volwassenen, 58–66% kinderen < 12 jaar.
T maxca. 1 uur, vertraagd met voedsel.
V dca. 1,3 l/kg.
Overigpenetratie in liquor: spiegels ca. 12% van die in plasma.
Metaboliseringin beperkte mate in de lever (5-10%), tot het inactieve lamivudine-trans-sulfoxide.
Eliminatievnl. onveranderd met de urine via glomerulaire filtratie en actieve secretie (organisch kationtransportsysteem), ca. 4% als lamivudine-trans-sulfoxide. Lamivudine wordt door hemodialyse verwijderd.
T 1/25–7 uur (plasma lamivudine), bij pas geboren neonaten 14 uur (range 6-35 uur).
T 1/2elintracellulair lamivudinetrifosfaat 16–19 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

lamivudine hoort bij de groep HIV nucleoside reverse-transcriptaseremmers.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links