proteïne C

Samenstelling

Ceprotin XGVS Baxter bv

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Sterkte
500 IE
Verpakkingsvorm
met solvens 5 ml

Bevat tevens: 44 mg natriumchloride/flacon. Kan sporen van heparine bevatten.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

proteïne C vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Voor proteïne C is geen advies vastgesteld over de plaats in de medicamenteuze behandeling.

Indicaties

  • Purpura fulminans en door een vitamine K-antagonist geïnduceerde huidnecrose bij patiënten met ernstige, aangeboren proteïne C-deficiëntie.
  • Kortetermijnprofylaxe bij ernstige aangeboren proteïne C-deficiëntie, indien een heelkundige ingreep of invasieve therapie onvermijdelijk is of indien een therapie met vitamine K-antagonisten wordt ingesteld, niet mogelijk is of alleen niet voldoende is.

Dosering

Alleen toedienen indien monitoring van de proteïne C-activiteit met chromogene substraten mogelijk is. Bij acute, trombotische toestand de proteïne C-activiteit elke 6 uur meten tot de toestand is gestabiliseerd, daarna 2×/dag en steeds direct vóór de volgende injectie.

Dosering individueel, op basis van de proteïne C-activiteit. In het begin moet een proteïne C-activiteit van 100% worden verkregen, daarna een activiteit van > 25% nastreven.

Klap alles open Klap alles dicht

Proteïne C-deficiëntie:

Volwassenen en kinderen (incl. neonaten):

Begindosering: 60–80 IE/kg lichaamsgewicht intraveneus, om de recovery en de halfwaardetijd te bepalen. Maximale injectiesnelheid: 2 ml/min, bij kinderen met lichaamsgewicht < 10 kg: max.: 0,2 ml/kg/min.

Bij patiënten zonder intraveneuze toegang zijn in zeldzame en uitzonderlijke gevallen therapeutische niveaus van proteïne C-activiteit in plasma bereikt na subcutane infusie van 250 tot 350 IE/kg.

Bijwerkingen

Zelden (0,01-0,1%): overgevoeligheids- of allergische reacties (zoals angio-oedeem, brandend en stekend gevoel op de injectieplaats, rillingen, blozen, huiduitslag, urticaria, jeuk, hoofdpijn, hypotensie, piepende ademhaling, misselijkheid, braken, tachycardie, beklemming op de borst, rusteloosheid).

Verder zijn gemeld: door heparine geïnduceerde allergische reacties, gepaard gaande met een snelle afname van het aantal trombocyten (heparine geïnduceerde trombocytopenie (HIT)). Rusteloosheid, hyperhidrose, injectieplaatsreactie. Antistoffen die proteïne C remmen kunnen ontstaan bij ernstige, aangeboren proteïne C-deficiëntie.

Interacties

Er zijn geen interacties met proteïne C bekend.

Zwangerschap

Teratogenese: Zowel bij de mens als bij dieren, onvoldoende gegevens.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.
Overige: Eventuele overdracht van het Parvovirus B19 kan een zeer ernstige infectie geven van de foetus.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Contra-indicaties

  • Overgevoeligheid voor muizenproteïne of heparine, tenzij levensbedreigende, trombotische complicaties behandeld moeten worden.

Waarschuwingen en voorzorgen

Patiënten dienen bij optreden van vroegtijdige symptomen van overgevoeligheidsreacties, zoals al of niet uitgebreide urticaria, gevoel van beklemming op de borst, piepende ademhaling, hypotensie en anafylaxie de arts op de hoogte te stellen en het gebruik direct te staken.

De inactivering van virussen tijdens het productieproces is beperkt effectief tegen niet-omhulde virussen (zoals Parvovirus B19); extra voorzichtig zijn bij toegenomen erytropoëse, immunodeficiëntie of zwangerschap. Geschikte hepatitis-vaccinatie (hepatitis A en B) overwegen.

Bij acute fasen van de ziekte kunnen veel kleinere toenamen van de proteïne C-activiteit optreden. In verband met het grote verschil in individuele respons de coagulatieparameters regelmatig controleren. Bij acute, trombotische toestand de proteïne C-activiteit elke 6 uur meten tot de toestand is gestabiliseerd, daarna tweemaal per dag en steeds direct vóór de volgende injectie.

Bij nier- en leverfunctiestoornissen is zorgvuldige controle vereist, omdat ervaring hierbij ontbreekt.

Bij overschakeling op permanente profylaxe met vitamine K-antagonisten de substitutie van proteïne C pas stopzetten zodra een stabiele antistolling is verkregen. Tijdens de beginfase van een therapie met vitamine K-antagonisten bij voorkeur in plaats van een standaard oplaaddosis, met een lage dosis starten en deze geleidelijk verhogen.

Bij profylactisch gebruik van proteïne C kunnen hogere minimale concentraties noodzakelijk zijn bij situaties met meer kans op trombose, zoals infectie, trauma of operatieve ingreep.

Er zijn weinig klinische gegevens beschikbaar over werkzaamheid en veiligheid bij ernstige, aangeboren proteïne C-deficiëntie in combinatie met APC-weerstand.

In verband met mogelijke allergische symptomen van acute en levensbedreigende aard alleen toedienen indien adequate medische faciliteiten beschikbaar zijn.

Bij optreden van een door heparine geïnduceerde trombocytopenie (HIT) direct het aantal trombocyten bepalen en indien nodig de therapie staken. HIT is moeilijk vast te stellen, aangezien de symptomen reeds aanwezig kunnen zijn bij de acute fase van ernstige, aangeboren proteïne C-deficiëntie.

Eigenschappen

Proteïne C is een vitamine K-afhankelijke antistollingsproteïne, die in de lever gesynthetiseerd wordt. Door het trombine-/trombomodulinecomplex wordt proteïne C omgezet in geactiveerde proteïne C (APC) op het endotheeloppervlak. APC is een serine-protease met sterke antistollings-effecten, vooral in aanwezigheid van de eigen cofactor proteïne S. De werking van APC bestaat uit inactivering van de geactiveerde vormen van factor V en VIII, wat leidt tot een afname van de trombinevorming. Het is tevens gebleken dat APC beschikt over profibrinolytische effecten. Door de substitutie van proteïne C bij proteïne C-deficiëntie kunnen trombotische complicaties worden behandeld of vermeden.

Kinetische gegevens

T 1/24–16 uur. Bij acute trombose kan zowel de toename van het gehalte proteïne C in het plasma als de halfwaardetijd aanzienlijk worden beperkt.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

proteïne C hoort bij de groep antistollingsproteïnen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Externe links