Samenstelling

Efexor (als hydrochloride) Pfizer bv

Toedieningsvorm
Capsule met gereguleerde afgifte 'XR'
Sterkte
37,5 mg, 75 mg, 150 mg

Venlafaxine Capsules/Tabletten (als hydrochloride) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Capsule met gereguleerde afgifte 'XR'
Sterkte
37,5 mg, 75 mg, 150 mg, 225 mg
Toedieningsvorm
Tablet met gereguleerde afgifte 'retard'
Sterkte
225 mg

Uitleg symbolen

Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Depressie: Kies bij de behandeling van een depressieve episode een antidepressivum op basis van comorbiditeit, bijwerkingen, interacties, ervaring en prijs. Bij eerstelijnszorg wordt een tricyclisch antidepressivum (TCA) of selectieve serotonineheropnameremmer (SSRI) aanbevolen. Voor de SSRI’s is er lichte voorkeur vanwege een iets gunstiger bijwerkingenprofiel. Start in tweedelijnszorg eventueel met een TCA, een SSRI, niet-selectieve serotonineheropnameremmer (SNRI), mirtazapine of bupropion. Bij klinisch opgenomen patiënten heeft een TCA de voorkeur.

Bij een angststoornis met een geringe ziektelast volstaan voorlichting en zelfhulpadviezen. Bij onvoldoende effect daarvan of bij ernstige ziektelast zijn cognitieve gedragstherapie, een antidepressivum of beide aangewezen. Er is een lichte voorkeur voor SSRI’s boven serotonerge TCA’s vanwege een geringere kans op ernstige bijwerkingen. Bij sociale fobie komen TCA’s niet in aanmerking. Na herstel van de angststoornis is begeleiding bij het stoppen van het antidepressivum en terugvalpreventie belangrijk. Bij examenangst/plankenkoorts kan incidenteel propranolol gegeven worden.

Aan de vergoeding van venlafaxine zijn voorwaarden verbonden, zie Regeling zorgverzekering, bijlage 2.

Indicaties

  • Depressie, vooral met vitale kenmerken. Gegeneraliseerde-angststoornis (GAS).
  • Sociale angststoornis.
  • Paniekstoornis, met of zonder agorafobie.

Gerelateerde informatie

Dosering

Doseer de preparaten met gereguleerde afgifte 1×/dag, zoveel mogelijk op hetzelfde tijdstip; tijdens een maaltijd met wat vloeistof innemen.

Klap alles open Klap alles dicht

Depressie:

Volwassenen:

aanbevolen dosering 75–375 mg per dag. Dosisverhogingen met een interval van eens per 2 weken of meer; bij ernstige depressie kunnen dosisverhogingen met kortere intervallen plaatsvinden, minimaal per 4 dagen. De behandelduur is gewoonlijk enkele maanden tot langer; na remissie de medicatie nog minstens 6 maanden handhaven. De dosering voor preventie is gelijk aan die voor behandeling van de depressieve episode.

Gegeneraliseerde-angststoornis:

Volwassenen:

75–225 mg 1×/dag. Dosisverhogingen met een interval van eens per 2 weken of meer. De behandelduur is gewoonlijk enkele maanden tot langer.

Sociale angststoornis:

Volwassenen:

75–225 mg 1×/dag. Dosisverhogingen met een interval van eens per 2 weken. De behandelduur is gewoonlijk enkele maanden tot langer.

Paniekstoornis:

Volwassenen:

begindosering 37,5 mg 1×/dag gedurende 7 dagen, vervolgens verhogen tot onderhoudsdosering van 75 mg 1×/dag; indien nodig in stappen van 75 mg met een interval van 2 weken of meer verhogen tot max. 225 mg per dag. De behandelduur is gewoonlijk enkele maanden tot langer.

Pas bij CYP2D6-polymorfisme zonodig de dosering of het middel aan in overleg met de apotheker.

Bij nierfunctiestoornissen: glomerulaire filtratiesnelheid < 30 ml/min en bij hemodialyse de dosering met 50% verlagen; ook bij mild tot matig verstoorde leverfunctie de dosering met 50% verlagen. Bij ernstige leverfunctiestoornis een reductie van meer dan 50% overwegen.

Bijwerkingen

Bij opvallend meer of ernstiger bijwerkingen kan sprake zijn van een CYP2D6-polymorfisme.

Zeer vaak (≥ 10%): slapeloosheid, duizeligheid, hoofdpijn, droge mond, sedatie, misselijkheid, obstipatie, (nachtelijke) transpiratie.

Vaak (1–10%): verhoogde cholesterolwaarden (vooral na langdurig gebruik en hoge dosis), gewichtsverandering, verminderde eetlust, abnormale dromen, depersonalisatie, agitatie, verlaagd libido, acathisie, psychomotorische rusteloosheid, paresthesie, tremor, veranderde smaak, slaperigheid, hypertonie, verwardheid, gapen, visusstoornis, accommodatiestoornis, tinnitus, dyspneu, hypertensie, tachycardie, hartkloppingen, blozen, diarree, braken, anorexie, verstoorde mictie, abnormale ejaculatie/orgasme, anorgasmie, erectiele disfunctie, menorragie, metrorragie, asthenie, vermoeidheid, rillingen, huiduitslag, jeuk, bloeduitstortingen.

Soms (0,1-1%): gastro-intestinale bloeding, fotosensitieve reactie, apathie, manie, hypomanie, hallucinaties, derealisatie, hypomanie, bruxisme, coördinatiestoornis, myoclonus, dyskinesie, (orthostatische) hypotensie, syncope, urticaria, alopecia, urineretentie, pollakisurie, urine-incontinentie, abnormale leverfunctietesten, angio–oedeem.

Zelden (0,01-0,1%): agranulocytose, aplastische anemie, neutropenie, pancytopenie, hepatitis, hyponatriëmie, SIADH, serotoninesyndroom, convulsies, dystonie, neuroleptisch maligne syndroom, nauwe-kamerhoekglaucoom, QT-verlenging, ventrikelfibrilleren, ventrikeltachycardie (inclusief 'torsade de pointes'), interstitiële longziekte, pulmonale eosinofilie, pancreatitis, erythema multiforme, Stevens-Johnsonsyndroom, toxische epidermale necrolyse, rabdomyolyse, anafylaxie.

Zeer zelden (< 0,01%): trombocytopenie, verhoogde prolactinewaarden, tardieve dyskinesie, slijmvliesbloeding, langere bloedingstijd.

Verder zijn gemeld: vertigo, suïcidale gedachten en gedrag, delirium, agressie.

Onthoudingsverschijnselen bij stoppen en dosisreductie, zijn gemeld met name bij hogere doses en langere behandelduur. Fout-positieve urinetesten voor PCP en amfetamine zijn gemeld.

Interacties

Gelijktijdig gebruik met en gebruik binnen twee weken na behandeling met SSRI's en/of MAO-remmers moet worden vermeden om het risico van het serotoninesyndroom met ernstige, soms fatale verschijnselen als tremor, myoclonus, zweten, misselijkheid, braken, hyperthermie met symptomen van het neuroleptisch maligne syndroom en insulten, te vermijden. Tevens dient men niet binnen zeven dagen na staken van een behandeling met venlafaxine te starten met een MAO-remmer. Bij gelijktijdig gebruik met andere serotonerge middelen als tramadol, tapentadol, pethidine, methadon, dextromethorfan, triptanen, lithium en preparaten die sint-janskruid bevatten is het risico van serotoninesyndroom vergroot. Gebruik van serotonineprecursors (tryptofaansupplement) vermijden. Gelijktijdig gebruik met middelen die het QT-interval verlengen, zoals klasse Ia en III-anti-aritmica, antipsychotica (fenothiazinen, pimozide, haloperidol), tricyclische antidepressiva, bepaalde antibiotica (moxifloxacine, erytromycine iv, pentamidine) en antihistaminica (mizolastine) vermijden. Gelijktijdig gebruik van HIV-proteaseremmers en efavirenz verhogen de plasmaconcentratie. De maximale plasmaconcentratie van haloperidol en metoprolol kan toenemen. CYP3A4-remmers kunnen de plasmaspiegel van venlafaxine verhogen. Venlafaxine is een relatief zwakke remmer van CYP2D6. Het kan de spiegel van clozapine verhogen. Bij gebruik van bloedverdunnende middelen dient men rekening te houden met een mogelijk langere bloedingstijd.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens onvoldoende gegevens. Bij dieren is reproductietoxiciteit aangetoond.
Farmacologische effect: Bij langdurig gebruik of tot aan de partus moet rekening worden gehouden met onthoudingsverschijnselen bij de pasgeborene, soms met complicaties. Gebruik van SSRI's, met name bij gevorderde zwangerschap, geeft waarschijnlijk meer kans op persisterende pulmonale hypertensie bij de pasgeborene.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja (venlafaxine en o–desmethylvenlafaxine).
Farmacologisch effect: Bij de pasgeborene is gemeld: huilen, prikkelbaar, abnormaal slaappatroon; onthoudingsverschijnselen bij stoppen van borstvoeding.
Advies: Weeg het risico van het gebruik van venlafaxine in combinatie met het geven van borstvoeding af.

Waarschuwingen en voorzorgen

Bij opvallend weinig werkzaamheid of bij meer of ernstiger bijwerkingen kan sprake zijn van een CYP2D6-polymorfisme.

Voor aanvang van de behandeling bloeddruk controleren en een verhoogde bloeddruk behandelen. Tijdens de behandeling regelmatig de bloeddruk controleren en bij langdurige behandeling de cholesterolspiegel.

De behandeling niet plotseling staken; de dosering moet geleidelijk over een periode van ten minste 1–2 weken of maanden worden verminderd volgens de behoefte van de patiënt; indien de gebruiksduur langer is dan zes weken moet de dosering gedurende een periode van minstens twee weken geleidelijk worden verminderd.

Een onderliggende manie kan manifest worden of verergeren.

Bij suïcidale gedachten of suïcidaal gedrag in de voorgeschiedenis, evenals bij patiënten < 25 jaar, is er meer kans op suïcidale gedachten en suïcide, nauwkeurig volgen van deze patiënten is aangewezen. Om suïcidepogingen te voorkomen, dient de patiënt slechts over kleine hoeveelheden antidepressiva te kunnen beschikken.

Wees voorzichtig bij epilepsie, een vergroot bloedingsrisico, organisch hersensyndroom, levercirrose, matige tot ernstige nierfunctiestoornis, mictiestoornissen, verhoogde intraoculaire druk, een voorgeschiedenis van agressie, voorgeschiedenis van bipolaire stoornis, risicofactoren voor QTc-verlenging, aritmieën en hartaandoeningen.

Het gebruik kan leiden tot verminderd reactie- en concentratievermogen. Vele dagelijkse bezigheden (bv. autorijden) kunnen daarvan hinder ondervinden.

Ouderen kunnen gevoeliger zijn voor de bijwerkingen. Venlafaxine is niet onderzocht of gebruikt bij instabiele hartaandoeningen of een recent myocardinfarct. Er is geen onderzoek naar combinatie met ECT. Venlafaxine is niet geïndiceerd voor gewichtsverlies of voor combinatie met afslankmiddelen. Niet gebruiken bij kinderen en adolescenten < 18 jaar omdat er meer kans is op suïcidaal gedrag en vijandigheid terwijl de werkzaamheid niet voldoende is vastgesteld en er onvoldoende gegevens zijn over het effect op groei en op de seksuele, cognitieve, emotionele ontwikkeling.

Overdosering

Symptomen
De meest voorkomende symptomen na overdosering bestaan uit tachycardie, veranderingen in het bewustzijnsniveau (variërend van slaperigheid tot coma), mydriase, convulsie en braken. Andere gemelde bijwerkingen zijn veranderingen in het elektrocardiogram (zoals verlenging van het QT-interval, bundeltak-blokkade, QRS verlenging), ventriculaire tachycardie, bradycardie, hypotensie, vertigo en overlijden.

Therapie
In verband met het mogelijk optreden van ernstige cardiovasculaire effecten, is na een mogelijk matige of ernstige intoxicatie observatie en bewaking van vitale functies (met name het hartritme) noodzakelijk. Geadviseerd wordt gedurende minimaal 24 uur te observeren en het verdere beleid af te stemmen op het klinisch beeld. Venlafaxine heeft een relatief groot verdelingsvolume, waardoor het uitvoeren van geforceerde diurese, dialyse, hemoperfusie en wisseltransfusie, waarschijnlijk niet zinvol zijn.

Zie voor meer informatie over symptomen en behandeling www.vergiftigingen.info.

Eigenschappen

Is vanwege zijn bijwerkingenprofiel ingedeeld bij de specifieke serotonineheropnameremmers (SSRI's). Venlafaxine en zijn actieve metaboliet o-desmethylvenlafaxine remmen sterk de heropname van serotonine en noradrenaline. Venlafaxine remt ook zwak de heropname van dopamine. Zowel na chronische als na acute toediening verminderen venlafaxine en zijn actieve metaboliet de gevoeligheid van de noradrenerge β-receptoren. Bij de rat (in vitro) heeft het nagenoeg geen affiniteit tot muscarine-, histamine- of α1-receptoren. Bij opvallend weinig werkzaamheid kan sprake zijn van een CYP2D6-polymorfisme. Werking: na 2–4 weken merkbaar.

Kinetische gegevens

Resorptiegoed.
F40–45%.
T maxXR 6 uur; O-desmethylvenlafaxine XR 9 uur.
V d4 l/kg.
Overigtherapeutische plasmaspiegel (venlafaxine+O-desmethylvenlafaxine): 0,25–0,75 mg/l.
Metaboliseringin de lever o.i.v. CYP2D6 tot o.a. actief O-desmethylvenlafaxine; o.i.v. CYP3A4 tot het minder werkzame N-desmethylvenlafaxine.
Eliminatievnl. via de nieren, 5% onveranderd.
T 1/2gem. 5 uur, 11 uur (o-metaboliet).

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

venlafaxine hoort bij de groep serotonineheropnameremmers, selectief.

venlafaxine vergelijken met een ander geneesmiddel

Zie ook