Samenstelling

Zie voor hulpstoffen de productinformatie van CBG/EMA of raadpleeg een apotheker.

Rapibloc (hydrochloride) XGVS Aanvullende monitoring Amomed Pharma GmbH

Toedieningsvorm
Concentraat voor injectievloeistof
Sterkte
10 mg/ml
Verpakkingsvorm
ampul 2 ml

Bevat na verdunning: landiololhydrochloride 2 mg/ml.

Toedieningsvorm
Poeder voor infusievloeistof
Sterkte
300 mg
Verpakkingsvorm
flacon

Bevat na reconstitutie: landiololhydrochloride 6 mg/ml.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Bij een indicatie voor verlaging van de ventrikelfrequentie bij atriumfibrilleren vormt metoprolol met vertraagde afgifte de eerste keus, tenzij sprake is van niet-gecorrigeerde overvulling, al dan niet gepaard gaande met hartfalen. Bij een contra-indicatie voor een β-blokker is diltiazem geïndiceerd, tenzij er sprake is van hartfalen. Bij (vermoeden van) hartfalen is digoxine geïndiceerd. Indien met een β-blokker of diltiazem in maximale dosering geen voldoende verlaging van de ventrikelfrequentie optreedt, is toevoeging van digoxine aangewezen.

De indicatie tot behandeling van ritmestoornissen is afhankelijk van de soort ritmestoornis, de prognose, en het bestaan van objectieve klachten. Behandeling vindt voornamelijk plaats bij de tweedelijnszorg, meestal door cardioversie; niet-medicamenteus door elektrische conversie (defibrillatie) of katheterablatie, of medicamenteus met anti-aritmica. Zie voor meer informatie over de behandeling van een ventriculaire ritmestoornis de guidelines op escardio.org (ESC) Ventricular arrhythmias and the prevention of sudden cardiac death (2015) en Supraventricular tachycardia (2019) voor de behandeling van een supraventriculaire ritmestoornis.

Indicaties

  • Supraventriculaire tachycardie en snelle kortdurende controle van de ventriculaire frequentie bij atriumfibrilleren of atriumflutter tijdens perioperatieve, postoperatieve of andere omstandigheden waarbij dit nodig is.
  • Niet-compensatoire sinustachycardie (kortdurend).

Gerelateerde informatie

Dosering

Klap alles open Klap alles dicht

Supraventriculaire tachycardie, niet-compensatoire sinustachycardie:

Volwassenen (incl. ouderen > 65 j.):

Poeder voor infusievloeistof: Intraveneus: oplaaddosis 100 microg/kg lichaamsgewicht in 1 min, gevolgd door continue infusie van 10–40 microg/kg/min (= 600–2400 microg/kg/uur), max. 80 microg/kg/min (=4800 microg/kg/uur); er is beperkt ervaring met een infusieduur langer dan 24 uur. Als geen snelle aanvang van het bradycard effect (binnen 2–4 min) nodig is, dan kan met continue infusie van 10–40 microg/kg/min (zonder oplaaddosis) binnen 10–20 min effect worden bereikt. Bij hypotensie of bradycardie de toediening herstarten in een lagere dosering, en pas nadat de bloeddruk of hartfrequentie op een aanvaardbaar niveau is teruggekeerd.

Concentraat voor injectievloeistof: Intraveneus: bolusinjectie 100–200 microg/kg lichaamsgewicht; het bradycard effect kan 5–20 min aanhouden. Bij onvoldoende effect de dosis verhogen tot 200–300 microg/kg lichaamsgewicht. Bolustoediening zo nodig herhalen tot maximaal 100 mg/dag (verdeeld over 5–15 doses). Gebruik voor een langere toediening het poeder voor infusievloeistof (zie hierboven).

Hartdisfunctie: bij een linkerventrikeldisfunctie (LVEF< 40%, cardiale index <2,5 l/min/m², NYHA-III–IV) bijvoorbeeld na hartchirurgie, tijdens ischemie of in septische situaties zijn lagere doses, vanaf 1 microg/kg/min (=60 microg/kg/uur) en onder nauwlettende controle van de bloeddruk bruikbaar. Eventueel stapsgewijs verhogen tot 10 microg/kg/min (=600 microg/kg/uur).

Leverfunctiestoornis: op basis van relatief weinig gegevens wordt geadviseerd te beginnen met de laagste dosering bij alle gradaties van een leverfunctiestoornis.

Nierfunctiestoornis: geen dosisaanpassing nodig.

Bij overstappen op een ander geneesmiddel (bv. een oraal anti-aritmicum): binnen het eerste uur nadat de eerste dosis van het andere geneesmiddel is toegediend de dosering van landiolol halveren. Na toediening van de tweede dosis van het andere middel kan landiolol, bij voldoende controle van de hartfrequentie gedurende ten minste 1 uur, gestaakt worden.

Bij abrupt staken van landiolol na continue infusie gedurende 24 uur is geen onthoudingstachycardie gezien; de patiënt nauwkeurig monitoren.

Toedieningsinformatie:

  • Poeder voor infusievloeistof: reconstitueer 1 flacon met 50 ml van één van de volgende oplossingen: NaCl 0,9%, glucose 5%, of Ringer(lactaat) en dien onmiddellijk daarna toe.
  • Concentraat voor injectievloeistof: verdun 1 ampul met 8 ml van één van de volgende oplossingen: NaCl 0,9%, glucose 5%, of Ringer(lactaat) en dien onmiddelijk daarna toe.
  • Toedienen via een centrale of perifere lijn; niet via dezelfde intraveneuze lijn als andere geneesmiddelen worden toegediend en niet mengen met andere geneesmiddelen.

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): bradycardie. Hypotensie.

Soms (0,1-1%): pneumonie. Pulmonaal oedeem. Cerebrale ischemie, hoofdpijn. Hartstilstand, sinusstilstand, tachycardie. Hypertensie. Misselijkheid, braken. Leveraandoening. ST-segmentdepressie, afwijking van hartindex, stijging van transaminasewaarden (ALAT/ASAT) of creatinineconcentratie, afwijkingen van de witte bloedceltelling, rode bloedceltelling, plaatjestelling, hemoglobine, hematocriet, lactaatdehydrogenase, bilirubine, ureumconcentratie, creatinekinase, eiwittotaal, albumineconcentratie, natriumconcentratie, kaliumconcentratie, cholesterolconcentratie en van de triglyceridenconcentratie. Proteïnurie. Hyponatriëmie.

Zelden (0,01-0,1%): mediastinitis. Cerebrovasculair accident (o.a. infarct), insult. Myocardinfarct, ventriculaire tachycardie, atriumfibrilleren, laag hartminuutvolume-syndroom ('low cardiac output syndrome'), AV-blok, rechterbundeltakblok, (supra)ventriculaire extrasystole. Shock, opvliegers. Astma-aanval, ademnood, bronchospasmen, andere luchtwegaandoeningen, dyspneu, hypoxie. Buikklachten, orale afscheiding, stinkende adem. Erytheem, koud zweet. Koorts, koude rillingen, borstongemak, pijn op de toedieningsplaats. Spierspasmen. Nierfalen, acuut nierletsel, oligurie. T-golfinversie, verbreding van het QRS-complex, stijging van de pulmonale arteriële druk, daling van de pO2, afwijkingen van de neutrofielentelling, de alkalische fosfatase concentratie, de vrije vetzuren en van de chlorideconcentratie. Glucosurie. Trombocytopenie, bloedplaatjesaandoeningen. Hyperbilirubinemie, hyperglykemie.

Verder zijn gemeld: reacties op de injectieplaats, drukgevoel.

Interacties

Bij combinatie met calciumantagonisten, zoals dihydropyridinederivaten (bv. nifedipine) is er meer kans op hypotensie. Bij combinatie met verapamil, diltiazem, klasse I-anti-aritmica, amiodaron of digoxine extra voorzichtig titreren vanwege de kans op overmatige onderdrukking van de hartfunctie en/of AV-geleidingsstoornissen. Niet combineren met verapamil of diltiazem bij AV-geleidingsstoornissen.

β-Blokkers kunnen bij diabetes de symptomen van een acute hypoglykemie maskeren en het herstel uit een hypoglykemie vertragen. Door vermindering van de insulinegevoeligheid kan landiolol ook hyperglykemie veroorzaken; dosering van insuline of orale bloedglucoseverlagende middelen eventueel aanpassen op geleide van de bloedglucosespiegel.

Bij combinatie met inhalatie-anesthetica kunnen de hypotensieve effecten versterkt worden; de dosering van één van beide middelen kan zo nodig worden aangepast om de gewenste hemodynamische effecten te handhaven. Wees voorzichtig bij combinatie met anesthetica met een bradycard effect, esterase-substraten (zoals suxamethonium) of cholinesteraseremmers (zoals neostigmine) vanwege de kans op een toename van het bradycard effect en verlenging van de werkingsduur van landiolol. Ook kan de duur van een neuromusculair blok door suxamethonium worden verlengd. Bij voortzetting van landiolol tijdens de inductie van de narcose, intubatie en na beëindiging van de narcose is er minder kans op aritmie. Bij combinatie met (andere) antihypertensiva of als de intravasculaire volumestatus onduidelijk is, kan een reflextachycardie minder uitgesproken zijn en is er meer kans op hypotensie.

Bij combinatie met heparine tijdens cardiovasculaire chirurgie daalde de plasmaconcentratie van landiolol met ca. 50%, in combinatie met bloeddrukdaling door de heparine en toename van de circulatietijd van landiolol. De hartfrequentiewaarden veranderden hierdoor niet.

Bij combinatie met tricyclische antidepressiva, ganglionblokkers, fenothiazinen (bv. levomepromazine, promethazine) of barbituraten is het hypotensief effect verhoogd.

NSAID's kunnen het bloeddrukverlagend effect verminderen.

Wees voorzichtig bij combinatie met amisulpride vanwege een mogelijke toename van het bradycard effect.

Bij combinatie met een β2-agonist kan het nodig zijn de dosering van de β2-agonist en/of van landiolol te verhogen of overstappen op een ander middel.

Bij combinatie met catecholamine-afbrekende middelen of middelen die de sympathische activiteit remmen (zoals clonidine, dexmedetomidine) kan het effect sterker zijn. De kans op rebound-hypertensie na het staken van clonidinetoediening kan worden vergroot.

β-Blokkers antagoneren de β-mimetische werking van adrenaline, dit is met name riskant bij anafylaxie (verminderde bronchusverwijding en verminderde hemodynamische werking). Deze interactie is vooral gemeld voor niet-selectieve β-blokkers.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid.

Farmacologisch effect: Remming van foetale autonome reflexen, contractie van de uterus, verminderde uterus- en placentadoorbloeding. Bij gebruik tijdens de late zwangerschap en partus kunnen bij foetus en neonaat onder andere nog optreden: hypoglykemie, gedaald bewustzijn, ademhalingsproblemen, hypotensie en bradycardie; deze kunnen tot enkele dagen na de bevalling optreden.

Advies: Gebruik ontraden. Als landiolol toch gebruikt moet worden, het pasgeboren kind nauwlettend controleren. Wees voorzichtig met ethanol in het concentraat voor injectievloeistof.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend bij de mens. Ja, bij dieren. Het concentraat voor injectie-vloeistof bevat ethanol dat overgaat in de moedermelk.

Farmacologisch effect: Een nadelig effect bij de zuigeling kan niet worden uitgesloten.

Advies: Het gebruik van dit geneesmiddel óf het geven van borstvoeding ontraden.

Contra-indicaties

  • sick-sinussyndroom;
  • ernstige geleidingsstoornissen in de AV-knoop zonder pacemaker: tweede- en derdegraads AV-blok;
  • ernstige hypotensie;
  • cardiogene shock;
  • ernstige bradycardie (< 50 slagen/min);
  • gedecompenseerd hartfalen (als dit geen verband houdt met de aritmie);
  • pulmonale hypertensie;
  • onbehandeld feochromocytoom;
  • acute astma-aanval;
  • ernstige, niet corrigeerbare metabole acidose.

Waarschuwingen en voorzorgen

Tijdens de behandeling voortdurend bloeddruk en ECG monitoren.

Wees voorzichtig bij diabetes of hypoglykemie. β-Blokkers kunnen de prodromale symptomen van hypoglykemie, zoals tachycardie, maskeren. Het herstel van de glucosespiegel na hypoglykemie kan worden vertraagd; dit effect is sterker bij niet-selectieve β-blokkers.

Landiolol niet gebruiken bij het pre-excitatiesyndroom in combinatie met atriumfibrilleren. β-blokkade van de AV-knoop kan ventrikelfibrilleren veroorzaken door toename van de geleiding via de accessoire bundel.

Wees voorzichtig bij Prinzmetal-angina-pectoris omdat β–blokkers het aantal en de duur van de angineuze aanvallen kunnen doen toenemen door ongehinderde α–receptorgemedieerde vasoconstrictie van de kransslagaders.

Voorzichtig toepassen bij eerstegraads AV-blok vanwege het negatieve effect op de geleidingstijd.

Bij chronische obstructieve longaandoeningen landiolol voorzichtig titreren en bij optreden van een bronchospasme de infusie direct staken en eventueel een β2–sympathicomimeticum toedienen.

Perifere doorbloedingsstoornissen (zoals ziekte of fenomeen van Raynaud, claudicatio intermittens) kunnen verergeren door het gebruik van landiolol.

Wees voorzichtig bij gebruik ter controle van een supraventriculaire tachycardie bij (reeds aanwezig) hartfalen of een verstoorde hemodynamiek of bij combinatie met geneesmiddelen die een of meerdere van de volgende functies verminderen: myocardvulling, myocardcontractiliteit, geleiding van de elektrische impuls in het myocard of perifere weerstand. Weeg de voordelen van potentiële frequentiecontrole af tegen de kans dat de myocardcontractiliteit verder afneemt. Bij tekenen van hartfalen de behandeling staken.

Bij een verminderde nierfunctie landiolol voorzichtig toepassen. De belangrijkste metaboliet wordt uitgescheiden via de nieren; deze metaboliet heeft echter geen β–blokkerende werking.

Wees verder voorzichtig bij ernstige overgevoeligheidsreacties in de voorgeschiedenis en tijdens desensibilisatietherapie, omdat met name niet-selectieve β-blokkers de gevoeligheid voor allergenen en de ernst van anafylactoïde reacties kunnen doen toenemen. Daarnaast kan het zijn dat patiënten geen respons vertonen op een gebruikelijke dosis adrenaline, omdat β-blokkers de β-mimetische werking van adrenaline antagoneren.

Concentraat voor injectie: De injectieplaats monitoren vanwege de kans op tromboflebitis omdat het concentraat hyperosmolair is. Vermijd extravasatie en gebruik een andere injectieplaats als dit toch optreedt.

Onderzoeksgegevens: Er zijn onvoldoende gegevens betreffende werkzaamheid en veiligheid bij kinderen.

Hulpstoffen: Wees voorzichtig met ethanol (in concentraat voor injectievloeistof) bij alcoholisme, ernstige leverfunctiestoornis, epilepsie, zwangerschap, lactatie en jonge kinderen. Ethanol kan een effect op andere medicatie hebben. Wees bij risicogroepen voorzichtig met gelijktijdig gebruik van andere middelen die ethanol of propyleenglycol bevatten.

Overdosering

Symptomen

Ernstige hypotensie en bradycardie, AV-blok, hartfalen, cardiogene shock, hartstilstand, bewustzijnsverlies tot coma, respiratoire insufficiëntie, bronchospasme, convulsies, misselijkheid, braken, hypoglykemie, hyperkaliëmie. Het kan langer dan 30 minuten na staken van de toediening duren tot de symptomen verdwijnen.

Therapie

Neem voor meer informatie over een vergiftiging met landiolol contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Ultrakortwerkende, hydrofiele, selectieve β1-blokker zonder intrinsieke sympathicomimetische activiteit (ISA) en zonder membraanstabiliserende eigenschappen. Landiolol vermindert de invloed van adrenerge prikkels op het hart. De hartfrequentie, het hartminuutvolume en het cardiale zuurstofverbruik nemen af. Tevens wordt de AV-geleiding vertraagd.

Werking: snel. Na bolusinjectie of oplaaddosering 2–4 min, na starten met alleen de onderhoudsinfusiesnelheid 10–20 min. Werkingsduur: kort.

Kinetische gegevens

V d 0,3–0,4 l/kg, lager bij een leverfunctiestoornis.
Metabolisering voornamelijk in het plasma door pseudocholinesterasen en carboxylesterasen. Door hydrolyse wordt een ketaal gevormd, dat vervolgens wordt opgesplitst in glycerol en aceton, en carbonzuur (metaboliet M1, onwerkzaam), dat via β-oxidatie metaboliet M2 (een benzoëzuur, onwerkzaam) vormt.
Eliminatie voornamelijk via de nieren binnen 4 uur (ca. 75%), en dan vnl. als metabolieten M1 en M2. Binnen 24 uur is > 99% van landiolol en de belangrijkste metabolieten ervan, geëlimineerd.
T 1/2el 3,2–3,6 min na een enkele bolustoediening; 4,5 min na continue infusie gedurende 20 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd