Geneesmiddelenoverzicht erytropoëtische groeifactoren

Deze hoofdrubriek bevat 1 rubrieken:

Meer informatie over chronische nierschade. Een volledig overzicht van alle indicaties per geneesmiddel kunt u vinden in de geneesmiddelteksten.

erytropoëtische groeifactoren

Werking

Werkingsmechanisme

Erytropoëtische groeifactoren stimuleren de erytropoëse door:

  • bevordering van de delingsactiviteit van voorlopercellen van erytrocyten;
  • afname van de apoptose van voorlopercellen van erytrocyten.

Effect

  • toename van de aanmaak van erytrocyten. Hierdoor neemt de behoefte aan bloedtransfusies af en kan de kwaliteit van leven toenemen.

Meer informatie

Deze middelen worden geproduceerd via een recombinant DNA-techniek en zijn immunologisch en biologisch gelijk of nauw verwant aan humaan erytropoëtine (EPO), een glycoproteïne, dat overwegend in de nier wordt aangemaakt en de erytrocytenproductie in het beenmerg reguleert. De hoeveelheid erytropoëtine die wordt geproduceerd, is afhankelijk van de zuurstofvoorziening van de weefsels in relatie tot het zuurstofverbruik. Het EPO-systeem heeft een terugkoppelingsmechanisme. Bij zuurstoftekort van de weefsels wordt meer EPO geproduceerd en in de circulatie gebracht. Meer rode cellen worden aangemaakt: hierdoor daalt het zuurstoftekort van de weefsels en de EPO-productie wordt verminderd.

Typerende bijwerkingen

Relatief frequent:

  • hypertensie;
  • trombotische aandoeningen zoals TIA, myocardinfarct, DVT, longembolie, trombose ter hoogte van de veneuze toegangsweg;
  • shunt-trombose bij dialysepatiënten;
  • convulsies;
  • hoofdpijn;
  • griepachtige aandoening;
  • absoluut of functioneel ijzertekort.

Minder frequent:

  • trombocytose;
  • 'pure red-cell aplasia' (PRCA);
  • tumorgroei bij patiënten met kanker;
  • ernstige huidreacties, zoals Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN), soms fataal.

Meer informatie

Hypertensie wordt als bijwerking van erytropoëtische groeifactoren voornamelijk veroorzaakt door een toename van de viscositeit van het bloed. Om ernstige hypertensie en tevens hypertensieve encefalopathie (met convulsies) te vermijden, mag het Hb-gehalte niet te snel toenemen en niet boven de streefwaarde uitkomen [1].

Hoofdpijn wordt waarschijnlijk veroorzaakt door intracraniële hypertensie.

Griepachtige symptomen (o.a. artralgie, myalgie) treden op bij 5-18% na de eerste toediening. Dit kan voorkomen worden door groeifactor subcutaan toe te dienen i.p.v. intraveneus, of door met een lagere dosering te beginnen en deze heel langzaam te verhogen [1].

Na maanden- tot jarenlange toepassing vnl. bij chronische nierinsufficiëntie via de s.c. toedieningsweg is 'pure red-cell aplasia' (PRCA) gemeld. Bij een plotseling verminderde werkzaamheid (gekenmerkt door vermindering in hemoglobine) met een verhoogde behoefte aan transfusies, een reticulocytentelling uitvoeren en typische oorzaken van de verminderde werkzaamheid onderzoeken (ijzer-, foliumzuur- of vitamine B12-tekort, aluminiumvergiftiging, infectie of ontsteking, bloedverlies of hemolyse). Bij verdenking op PRCA de toediening staken, testen op erytropoëtine-antilichamen en een beenmergonderzoek overwegen; toediening van een ander erytropoëtine heeft in verband met kruisreactie geen zin. De incidentie van antilichaamgemedieerde erytrocytaire anemie is ongeveer 1 per 10.000 patiëntjaren [1].

Tumorgroei, vooral van myeloïde maligniteiten, valt bij gebruik van erytropoëse-stimulerende middelen niet uit te sluiten. Tijdens meerdere gecontroleerde onderzoeken is het gebruik van erytropoëse-stimulerende middelen in verband gebracht met een verminderde tumorcontrole of een verminderde algehele overleving bij anemie die gepaard gaat met kanker.

Literatuur:

  1. Aronson JK, et al. (eds). Meyler's side effects of drugs. 16th ed. Amsterdam: Elsevier, 2016.
  2. Brunton LL, et al. (eds). Goodman & Gilman’s The pharmacological basis of therapeutics. 12th ed. New York: McGraw-Hill, 2011.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Indicaties

Vergelijken

erytropoëtische groeifactoren vergelijken met een andere geneesmiddelgroep.