epoëtine zèta

Samenstelling

Retacrit Bijlage 2 Pfizer bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
3.333 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,3 ml, 0,6 ml, 0,9 ml

Bevat tevens fenylalanine.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
10.000 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,4 ml, 0,5 ml, 0,6 ml, 0,8 ml, 1 ml

Bevat tevens fenylalanine.

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
40.000 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,75 ml, 1 ml

Bevat tevens fenylalanine.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

epoëtine zèta vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

De toepassing van epoëtine bij de behandeling van anemie betreft vooral de anemie ten gevolge van chronische nierinsufficiëntie.

Behandel, indien mogelijk, de oorzaak van chronische nierschade. Start daarnaast behandeling om het grotere risico van (vnl. cardiovasculaire) morbiditeit te verminderen en progressie van nierschade te voorkomen of beperken. Behandel de complicaties van nierschade en start eventueel niervervangende therapie (dialyse).

Epoëtine kan worden voorgeschreven aan patiënten met anemie ontstaan door chemotherapie van maligne aandoeningen ter vermindering van de behoefte aan bloedtransfusie of ter verbetering van de kwaliteit van leven. Hierbij wordt een Hb-gehalte van 7,4 mmol/l als maximale waarde beschouwd. De huidige wetenschappelijke discussie over mogelijke effecten op de overleving dient hierbij in aanmerking te worden genomen. Erytrocytenconcentraat heeft veelal de voorkeur omdat het sneller werkzaam en goedkoper is.

Voor epoëtine zèta is voor de indicatie ter vermindering van allogene bloedtransfusies bij patiënten die voor een grote electieve orthopedische ingreep zijn ingepland geen advies vastgesteld over de plaats in de medicamenteuze behandeling.

Aan de vergoeding van epoëtine zèta zijn voorwaarden verbonden, zie Regeling zorgverzekering, bijlage 2.

Indicaties

  • Behandeling van symptomatische anemie, die samenhangt met chronisch nierfalen bij volwassenen en kinderen.
  • Behandeling van anemie bij volwassen patiënten die chemotherapie krijgen voor vaste tumoren, maligne lymfoom of multipel myeloom; ter vermindering van de behoefte aan bloedtransfusies (bv. reeds bestaande anemie bij het begin van de chemotherapie) en ter verbetering van de algemene toestand (bv. cardiovasculaire status).
  • Symptomatische anemie (Hb ≤ 6,2 mmol/l) bij volwassenen met een laag of intermediair-1 risico (IPSS) primair myelodysplastisch syndroom (MDS) én een laag serumgehalte van erytropoëtine (< 200 milli-eenheden/ml).
  • Ter verhoging van de opbrengst van autoloog bloed van patiënten in een predonatieprogramma; deze behandeling mag uitsluitend worden gegeven aan patiënten met matig-ernstige anemie (zonder ijzerdeficiëntie), indien de bloedbewaarprocedures niet beschikbaar of onvoldoende zijn en de geplande grote electieve operatieve ingreep grote hoeveelheden bloed vereist.
  • Ter vermindering van de blootstelling aan allogene bloedtransfusies voorafgaand aan een grote, electieve orthopedische ingreep. Deze behandeling mag uitsluitend worden gegeven aan volwassenen met matige anemie (zonder ijzerdeficiëntie), waarbij vooraf geen voorraad autoloog bloed is verzameld en het te verwachten bloedverlies matig zal zijn (900–1800 ml).

Gerelateerde informatie

Dosering

De te bereiken hemoglobineconcentratie bij volwassenen ligt tussen 6,2–7,5 mmol/l, bij kinderen tussen 5,9–6,8 mmol/l. Deze waarde mag de bovengrens niet overschrijden.

Klap alles open Klap alles dicht

Patiënten die hemodialyse ondergaan:

Volwassenen:

Correctieve fase: i.v. of subcutaan 50 IE/kg 3×/w. Dosisaanpassing moet stapsgewijs gebeuren, in stappen van ten minste 4 weken. De verhoging of verlaging van de dosis moet telkens met 25 IE/kg 3×/w. gebeuren. Onderhoudsfase: 75–300 IE/kg/w.

Kinderen die hemodialyse ondergaan:

Correctieve fase: i.v. 50 IE/kg 3×/w. Dosisaanpassing in stappen van 25 IE 3×/w. gedurende ten minste 4 weken. In het algemeen hebben kinderen en adolescenten met een gewicht < 30 kilo hogere onderhoudsdoses nodig dan kinderen > 30 kilo en dan volwassenen. De volgende onderhoudsdoses worden hierbij gehanteerd: 3×/w. bij kinderen < 10 kg 75–150 IE, bij kinderen 10–30 kg 60–150 IE en bij kinderen > 30 kg 30–100 IE.

Patiënten die peritoneale dialyse ondergaan:

Volwassenen:

i.v. of subcutaan 50 IE/kg 2×/w. Aanpassing van de dosis om het Hb op peil te houden. Onderhoudsdosis 25–50 IE/kg 2×/w. in 2 gelijkwaardige injecties.

Patiënten met nierinsufficiëntie die nog niet worden gedialyseerd:

Volwassenen:

Startdosis: i.v. of subcutaan 50 IE/kg 3×/w. indien nodig gevolgd door een periodieke dosisverhoging met 25 IE/kg (3×/w.), in stappen van ten minste 4 weken. Onderhoudsfase: als het Hb tussen 6,2 en 7,5 mmol/l is, geef i.v. 3×/week of s.c. 1×/week of 1×/2 weken. Bij langere intervallen kan een verhoging van de dosering nodig zijn. Maximale doseringen: i.v. 150 IE/kg 3×/w.; s.c. 240 IE/kg (max. 20.000 IE) 1×/w. of s.c. 480 IE/kg (max. 40.000 IE) 1× per 2 weken.

Patiënten met anemie, veroorzaakt door chemotherapie:

Volwassenen:

s.c. 150 IE/kg 3×/w. of 450 IE/kg 1×/w. Deze dosering handhaven indien na 4 weken therapie een Hb-stijging van ten minste 0,6 mmol/l of een reticulocytengehalte ≥ 40.000/microl wordt bereikt. Bij onvoldoende reactie de dosering verhogen tot 300 IE/kg 3×/w.; indien na nog eens vier weken de Hb-stijging ≥ 0,6 mmol/l en aantal reticulocyten ≥ 40.000/microl is, deze dosering handhaven. Wanneer de hemoglobinewaarden stijgen met > 1,2 mmol/l per maand, moet de dosis verminderd worden met ca. 25–50%. Bij hemoglobinewaarden > 7,4 mmol/l, moet de therapie stopgezet worden tot de waarden < 7,4 mmol/l zijn, waarna de therapie opnieuw ingesteld moet worden, met een dosis die 25% lager ligt dan de vorige. De behandeling voortzetten tot een maand na het einde van de chemotherapie.

Symptomatische anemie bij MDS:

Volwassenen:

s.c. 450 IE/kg (max. 40.000 IE/week) 1×/week, met ten minste 5 dagen tussen 2 opeenvolgende doses. De initiële erythroïde respons 8-12 weken na de start van de behandeling beoordelen. Bij een verminderde respons of een Hb-verlaging ≥ 0,6 mmol/l na een dosisverlaging de dosis met één doseringsniveau verhogen (deze zijn: 337,5 IE/kg, 450 IE/kg, 787,5 IE/kg of max. 1050 IE/kg); maximale dosis is 80.000 IE/week. Tussen elke dosisverhoging moet ten minste 4 weken zitten. Bij een aanhoudend Hb–gehalte > 7,5 mmol/l de therapie onderbreken; als het Hb-gehalte gedaald is tot < 6,8 mmol/l de toediening eventueel hervatten op hetzelfde doseringsniveau of één doseringsniveau lager. Bij een Hb-stijging van > 1,2 mmol/l per maand overwegen de dosering met één doseringsniveau te verlagen.

Operatiepatiënten in het autologe predonatieprogramma:

Volwassenen:

Patiënten met een milde vorm van anemie (hematocriet van 33–39%) die op voorhand ≥ 4 eenhedenbloed nodig hebben: i.v. 600 IE/kg lichaamsgewicht 2×/w., gedurende 3 weken voorafgaand aan de operatie. Deze therapie in combinatie met ijzersuppletie toepassen.

Patiënten ingepland voor een grote electieve orthopedische ingreep:

Volwassenen:

s.c. 600 IE/kg lichaamsgewicht 1×/w. gedurende 3 weken (op dag 21, 14 en 7) en op de dag van de ingreep (dag 0). Bij een preoperatieve voorbereidingsperiode korter dan 3 weken: s.c. 300 IE/kg 1×/dag gedurende de 10 opeenvolgende dagen vóór de ingreep, de dag van de ingreep en de eerste 4 dagen erna. Bij preoperatieve hemoglobinewaarden ≥ 9,3 mmol/l, moet de therapie stopgezet worden en mogen geen verdere doses meer worden gegeven. Bij een hemoglobinewaarde > 8,1 mmol/l vóór de start van de behandeling mag epoëtine zèta niet gebruikt worden. Deze therapie in combinatie met ijzersuppletie toepassen; ijzersuppletie indien mogelijk al voorafgaand aan de behandeling met epoëtine zèta starten.

Toedieningsinformatie: De intraveneuze injectie toedienen in > 1 en < 5 minuten, afhankelijk van de totale dosis. Wanneer een patiënt reageert met griepachtige verschijnselen de injectie langzamer toedienen. Bij dialysepatiënten kan de injectie via de dialyselijn worden toegediend. Bij subcutane toediening de injectie in de ledematen of in de voorste buikwand geven; hiervoor geldt een maximum van 1 ml per injectieplaats.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): bij patiënten met chronisch nierfalen: duizeligheid, gewrichtspijn, griepachtige symptomen, gevoel van zwakte, vermoeidheid. Bij patiënten met kanker: hoofdpijn.

Vaak (1–10%): beroerte, bloeddrukverhoging, aspecifieke huiduitslag, stolling in een kunstnier. Bij patiënten met chronisch nierfalen: hoofdpijn. Bij patiënten met kanker: diepveneuze trombose, duizeligheid, longembolie, gewrichtspijn, griepachtige symptomen, gevoel van zwakte, vermoeidheid.

Soms (0,1–1%): hersenbloeding. Luchtwegcongestie (congestie van de bovenste luchtwegen, neuscongestie, nasofaryngitis).

Zelden (0,01–0,1%): overgevoeligheidsreacties.

Zeer zelden (< 0,01%): trombocytose, anafylactische reactie, angio–oedeem.

Verder zijn gemeld: 'Pure Red Cell Aplasia' (PRCA), herseninfarct, TIA, hypertensieve encefalopathie, retinale trombose, myocardinfarct, myocardiale ischemie, arteriële trombose, hypertensieve crisis, jeuk, aneurysma. Bij patiënten met chronisch nierfalen: diepveneuze trombose, longembolie.

Verder is gemeld bij gebruik van epoëtinen: ernstige huidreacties, zoals Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN), soms fataal.

Interacties

Bij geneesmiddelen die zich aan rode bloedcellen binden, zoals ciclosporine, kan aanpassing van de dosering van deze middelen noodzakelijk zijn wanneer de hematocriet onder invloed van epoëtine zèta stijgt.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens onvoldoende gegevens. Bij dieren aanwijzingen voor schadelijkheid.
Farmacologisch effect: In onderzoek bij dieren is aangetoond dat bij doses 20× zo hoog als de aanbevolen wekelijkse dosis voor de mens het lichaamsgewicht van de foetus afnam, de ossificatie was vertraagd en de foetale mortaliteit toenam.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend, maar onwaarschijnlijk vanwege het hoge molecuulgewicht van de epoëtinen. Daarnaast worden ze in het maag-darmkanaal van de zuigeling afgebroken, mocht er toch enige blootstelling via de melk zijn.
Advies: Gebruik van dit middel tijdens de borstvoeding is waarschijnlijk veilig.

Contra-indicaties

  • ongecontroleerde hypertensie;
  • het niet kunnen toepassen van adequate antitrombotische profylaxe;
  • 'Pure Red Cell Aplasia' (PRCA, aplastische anemie) bij gebruik van erytropoëse-stimulerende middelen in de anamnese.
  • Bij de indicatie 'verhoging van de opbrengst van autoloog bloed':
    • instabiele angina pectoris;
    • (recent) myocardinfarct of CVA;
    • groter risico van trombo-embolieën.
  • Bij de indicatie 'voorafgaand aan een grote operatieve ingreep':
    • een ernstige aandoening van: de kransslagaders, de perifere arteriën, de halsslagaders of de bloedvaten van de hersenen, waaronder ook patiënten die recent een myocardinfarct of een cerebrovasculair accident hebben doorgemaakt.

Waarschuwingen en voorzorgen

Bij gebruik van epoëtinen is (soms fatale) Stevens-Johnsonsyndroom (SJS) of Toxische Epidermale Necrolyse (TEN) gemeld. Instrueer de patiënt bij het begin van de behandeling om direct contact op te nemen met de arts en de behandeling te staken bij symptomen van ernstige cutane bijwerkingen; dit zijn o.a. wijdverspreide uitslag met rood worden van en blaarvorming op de huid en het mondslijmvlies, de ogen, de neus, de keel, of de geslachtsdelen, voorafgegaan door griepachtige symptomen waaronder koorts, vermoeidheid, spier- en gewrichtspijn. Vaak leidt dit tot het vervellen en loslaten van de aangedane huid, wat eruitziet als een ernstige brandwond. Als een patiënt ooit een ernstige huidreactie, zoals SJS of TEN, heeft gehad na het gebruik van een epoëtine, mag nooit meer een epoëtine gegeven worden.

Tijdens behandeling regelmatig de bloeddruk, het trombocytenaantal (gedurende de eerste 8 weken), het Hb-gehalte en de serumelektrolyten controleren.

Alle andere oorzaken van anemie (ijzerdeficiëntie, hemolyse, bloedverlies, vitamine B12- of foliumzuurdeficiëntie) in overweging nemen en behandelen voor en tijdens de therapie met epoëtine zèta. In de meeste gevallen zullen de ferritinewaarden in het serum dalen, samen met de stijging in het packed-cell volume. Om een optimale respons op de behandeling met erytropoëtine te verzekeren zorgen voor adequate ijzeropslagwaarden.

Bij een plotseling verminderde werkzaamheid (gekenmerkt door verlaging van de hemoglobineconcentratie en ontwikkeling van ernstige anemie met een laag aantal reticulocyten) de behandeling staken en testen op anti-erytropoëtine antilichamen.

Wees voorzichtig bij patiënten met chronisch nierfalen omdat hoge cumulatieve epoëtinedoses mogelijk samenhangen met het toenemen van mortaliteit, ernstige cardiovasculaire en cerebrovasculaire voorvallen.

Bij chronische nierinsufficiëntie is het aanbevolen om het aantal reticulocyten regelmatig te controleren om mogelijk gebrek aan werkzaamheid op te sporen.

Bij chronische nierinsufficiëntie en klinisch vastgestelde ischemische hartaandoeningen of hartfalen mag de onderhoudsconcentratie van het Hb de bovenste limiet van de beoogde concentratie niet overschrijden.

Bij een beperkte respons moeten hier alternatieve verklaringen voor gezocht worden.

Bij verlengde toedieningsintervallen, langer dan één week, is het soms nodig de dosering te verhogen omdat het Hb-gehalte niet hoog genoeg blijft.

Bij patiënten die een grote electieve orthopedische ingreep ondergaan, is er meer kans op trombotische voorvallen, met name bij hart– en vaatziekten.

Extra voorzichtig bij kankerpatiënten met meer kans op trombotische vasculaire voorvallen, zoals patiënten met obesitas of patiënten met een voorgeschiedenis van trombotische vasculaire voorvallen (bv. diepveneuze trombose of longembolie).

Erytropoëtinereceptoren kunnen expressie hebben op het oppervlak van verschillende tumorcellen. Zoals voor alle groeifactoren geldt, is het mogelijk dat epoëtine de groei van een vorm van maligniteit stimuleert. Epoëtine had geen invloed op de algehele overleving of het risico van tumorprogressie bij patiënten met anemie door kanker.

Overdosering

Neem voor informatie over een vergiftiging met epoëtine zèta contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Glycoproteïne via recombinant DNA-techniek geproduceerd, stimuleert de erytropoëse. Het is immunologisch en biologisch gelijk aan humaan erytropoëtine, dat hoofdzakelijk wordt geproduceerd door de nier bij verminderde weefseloxygenatie.

Kinetische gegevens

Fs.c. ca. 20%.
T maxs.c. 12–18 uur.
T 1/2i.v.: 4–5 uur, ca. 6 uur bij kinderen, s.c. ca. 24 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

epoëtine zèta hoort bij de groep erytropoëtische groeifactoren.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links