epoëtine bèta

Samenstelling

NeoRecormon (bèta) Bijlage 2 Roche Nederland bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
1667 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,3 ml = 500 IE
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
6667 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,3 ml = 2000 IE
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
10.000 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,3 ml = 3000 IE
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
13.333 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,3 ml = 4000 IE
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
16.667 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,3 ml = 5000 IE, 0,6 ml = 10.000 IE
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
20.000 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,3 ml = 6000 IE
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
50.000 IE/ml
Verpakkingsvorm
wegwerpspuit 0,6 ml = 30.000 IE

De flacons bevatten fenylalanine.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

epoëtine bèta vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

De toepassing van epoëtine bij de behandeling van anemie betreft vooral de anemie ten gevolge van chronische nierinsufficiëntie.

Behandel, indien mogelijk, de oorzaak van chronische nierschade. Start daarnaast behandeling om het grotere risico van (vnl. cardiovasculaire) morbiditeit te verminderen en progressie van nierschade te voorkomen of beperken. Behandel de complicaties van nierschade en start eventueel niervervangende therapie (dialyse).

Epoëtine kan worden voorgeschreven aan patiënten met anemie ontstaan door chemotherapie van maligne aandoeningen ter vermindering van de behoefte aan bloedtransfusie of ter verbetering van de kwaliteit van leven. Hierbij wordt een Hb-concentratie van 7,5 mmol/l als maximale waarde beschouwd. De huidige wetenschappelijke discussie over mogelijke effecten op de overleving dient hierbij in aanmerking te worden genomen. Erytrocytenconcentraat heeft veelal de voorkeur omdat het sneller werkzaam en goedkoper is.

Er zijn gegevens waaruit blijkt dat toepassing van epoëtine tezamen met ijzersuppletie bij te vroeg geboren kinderen (zwangerschapsduur < 32 weken; geboortegewicht < 1500 g) met anemie de transfusiebehoefte in beperkte mate vermindert. Er zijn geen aanwijzingen dat deze behandeling de ontwikkeling van de kinderen op langere termijn beïnvloedt.

Aan de vergoeding van epoëtine bèta zijn voorwaarden verbonden, zie Regeling zorgverzekering, bijlage 2.

Indicaties

  • Behandeling van symptomatische anemie als gevolg van chronisch nierfalen.
  • Symptomatische anemie bij volwassenen met non-myeloïde maligniteiten die behandeld worden met chemotherapie.
  • Preventie van anemie bij prematuren met een geboortegewicht tussen 750–1500 g en een zwangerschapsduur < 34 weken.
  • Ter verhoging van de opbrengst van autoloog bloed bij een patiënt in een predonatieprogramma, om het gebruik van homoloog bloed te vermijden. Behandeling bij deze indicatie alleen toepassen in geval van matige anemie (Hb 6,2–8,1 mmol/l, geen Fe-tekort) en als procedures om bloed te conserveren niet beschikbaar of onvoldoende zijn als de geplande grote heelkundige ingreep een groot volume aan bloed vraagt (≥ 4 eenheden bloed bij vrouwen of ≥ 5 eenheden bij mannen) of als benodigde periode om gevraagde hoeveelheid bloed te verkrijgen te kort is.

Gerelateerde informatie

Dosering

Klap alles open Klap alles dicht

Anemie door chronisch nierfalen:

Volwassenen en kinderen:

Bij hemodialysepatiënten gedurende circa 2 minuten langzaam intraveneus toedienen via de arterioveneuze fistel aan het eind van de dialyse; bij niet-hemodialyse patiënten verdient de subcutane toediening de voorkeur om aanprikken van perifere bloedvaten te voorkomen. Streefwaarde van het Hb-gehalte tussen 6,2–7,5 mmol/l. Bij een Hb-stijging van > 1,25 mmol/l per maand of bij een aanhoudend Hb–gehalte > 7,5 mmol/l de dosering met ca. 25% verlagen. Bij aanhoudende Hb-stijging de therapie onderbreken tot deze begint te dalen; dan therapie hervatten met een ca. 25% lagere dosis.

Subcutaan: aanvankelijk 20 IE/kg lichaamsgewicht driemaal per week, zo nodig de dosis elke 4 weken verhogen met 20 IE/kg lichaamsgewicht driemaal per week tot max. 720 IE/kg lichaamsgewicht per week. Onderhoudsfase: op geleide van effect, veelal de helft van de laatst toegediende dosis tijdens de correctiefase. Vervolgens dosering instellen met intervallen van 1-2 weken. De weekdosering kan worden toegediend als 1 injectie/w. of verdeeld over 3 of 7 doses per week; patiënten die stabiel zijn op een onderhoudsdosering 1×/w. kunnen worden overgezet op een onderhoudsdosering eenmaal per 2 weken, zo nodig moet de dosis hierbij worden verhoogd.

Intraveneus (langzaam, in ca. 2 min): aanvankelijk 40 IE/kg lichaamsgewicht 3×/w., zo nodig de dosis na 4 weken verhogen tot 80 IE/kg lichaamsgewicht 3×/w., zo nodig daarna de dosis elke twee maanden verhogen met 20 IE/kg lichaamsgewicht 3×/w., tot max. 720 IE/kg lichaamsgewicht per week. Onderhoudsfase: op geleide van effect, veelal de helft van de laatst toegediende dosis tijdens de correctiefase. Vervolgens dosering instellen met intervallen van 1-2 weken.

Symptomatische anemie bij kankerpatiënten:

Subcutaan: startdosis 30.000 IE/week (overeenkomend met ± 450 IE/ kg lichaamsgewicht/week). De weekdosering kan worden toegediend als 1 injectie/w. of verdeeld over 3 of 7 doses per week. Streefwaarde van het Hb-gehalte tussen 6,2–7,5 mmol/l. Behandeling tot 4 weken na de chemotherapie voortzetten. Indien na 4 weken het Hb-gehalte niet met ten minste 0,6 mmol/l is gestegen, een verdubbeling van de wekelijkse dosering overwegen. Indien na 8 weken het Hb-gehalte niet met ten minste 0,6 mmol/l is gestegen de behandeling staken, Maximale dosering 60.000 IE/w. Bij een Hb-stijging van > 1,3 mmol/l per 4 weken óf bij een aanhoudend Hb–gehalte > 7,5 mmol/l óf als de individuele streefwaarden voor de patiënt bereikt zijn; de dosering met 25-50% verlagen. Bij een Hb-gehalte > 8,1 mmol/l de therapie onderbreken; bij Hb < 7,5 mmol/l de therapie opnieuw instellen met een dosis die 75% van de oorspronkelijke dosis bedraagt.

Preventie van anemie bij prematuren:

Behandeling zo snel mogelijk beginnen, bij voorkeur vóór dag 3 na de geboorte: 250 IE/kg s.c. 3×/w., gedurende 6 weken.

Verhoging opbrengst van autoloog bloed:

Volwassenen:

Subcutaan: individueel, afhankelijk van de vereiste hoeveelheid autoloog bloed en de endogene rode bloedcelreserve, 2×/w. toedienen over een periode van 4 weken, maximaal 1200 IE/kg lichaamsgewicht per week. Gedurende de behandelperiode mag de hematocriet de 48% niet overschrijden.

Intraveneus (langzaam, in ca. 2 min): individueel, afhankelijk van de vereiste hoeveelheid autoloog bloed en de endogene rode bloedcelreserve, 2×/w. toedienen over een periode van 4 weken, maximaal 1600 IE/kg lichaamsgewicht per week. Gedurende de behandelperiode mag de hematocriet de 48% niet overschrijden.

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): bij renale anemie: hypertensie, hoofdpijn. Bij kankerpatiënten: hypertensie, hoofdpijn, trombo-embolische complicaties. In het kader van het programma autologe bloeddonatie: hoofdpijn. Bij prematuren: daling van het serumijzergehalte.

Soms (0,1-1%): bij renale anemie: hypertensieve crisis, incidenteel met encefalopathische symptomen (zoals hoofdpijn, sensomotorische stoornissen, verwardheid) en met gegeneraliseerd tonisch-klonisch insult.

Zelden (0,01-0,1%): huiduitslag, jeuk, urticaria, reacties op de injectieplaats. Bij renale anemie: shunttrombose, vooral bij neiging tot hypotensie en complicaties van de arterioveneuze fistulae (bv. stenose, aneurysma's).

Zeer zelden (< 0,01%): vooral in het begin van de behandeling: griepachtige symptomen zoals koorts, koude rillingen, hoofd-en gewrichtspijn, malaise. Anafylactoïde reacties. Bij renale anemie tevens: trombocytose, hyperkaliëmie en erytrocytaire aplasie door de vorming van neutraliserende antilichamen.

Verder is gemeld bij gebruik van epoëtinen: ernstige huidreacties, zoals Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN), soms fataal.

Interacties

Er zijn geen interacties met epoëtine bèta bekend.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken. Gebruik ter verhoging van de opbrengst van autoloog bloed tijdens zwangerschap wordt afgeraden.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend, maar onwaarschijnlijk vanwege het hoge molecuulgewicht van de epoëtinen. Daarnaast worden ze in het maag-darmkanaal van de zuigeling afgebroken, mocht er toch enige blootstelling via de melk zijn.
Advies: Gebruik van dit middel tijdens de borstvoeding is waarschijnlijk veilig; bij patiënten in een predonatieprogramma met autoloog bloed gebruik ontraden.

Contra-indicaties

  • Ongecontroleerde hypertensie.
  • Voor toepassing bij het vermeerderen van autoloog bloed tevens:
    • myocardinfarct of CVA in de maand voorafgaand aan de behandeling;
    • onstabiele angina pectoris;
    • meer kans op diepveneuze trombose zoals bij een voorgeschiedenis van veneuze trombo–embolische aandoeningen.

Waarschuwingen en voorzorgen

Bij gebruik van epoëtinen is (soms fatale) Stevens-Johnsonsyndroom (SJS) of Toxische Epidermale Necrolyse (TEN) gemeld. Instrueer de patiënt bij het begin van de behandeling om direct contact op te nemen met de arts en de behandeling te staken bij symptomen van ernstige cutane bijwerkingen; dit zijn o.a. wijdverspreide uitslag met rood worden van en blaarvorming op de huid en het mondslijmvlies, de ogen, de neus, de keel, of de geslachtsdelen, voorafgegaan door griepachtige symptomen waaronder koorts, vermoeidheid, spier- en gewrichtspijn. Vaak leidt dit tot het vervellen en loslaten van de aangedane huid, wat eruitziet als een ernstige brandwond. Als een patiënt ooit een ernstige huidreactie, zoals SJS of TEN, heeft gehad na het gebruik van een epoëtine, mag nooit meer een epoëtine gegeven worden.

Vóór het begin van de behandeling foliumzuur- en vitamine B12-tekort uitsluiten. Voorafgaand en tijdens behandeling het ijzergehalte bepalen en eventueel corrigeren. Tijdens behandeling, de bloeddruk, het trombocytenaantal (gedurende de eerste 8 w.), en de serumelektrolyten controleren. Bij prematuren kan er een lichte stijging in trombocytenaantal voorkomen; daarom regelmatig (m.n. tot dag 14 na de geboorte) het trombocytengehalte controleren. Bij patiënten in een autoloog bloed predonatieprogramma het trombocytenaantal minstens 1 maal per week controleren en de toediening staken bij een toename van meer dan 150 × 109/l of bij een trombocytenaantal boven de bovengrens van de normaalwaarde.

Voorzichtig toepassen bij epilepsie, trombocytose, chronische leverinsufficiëntie en refractaire anemie met een overmaat aan blasten in transformatie. Bij optreden van acute, stekende migraine-achtige hoofdpijn bedacht zijn op een hypertensieve crisis.

Toepassing bij nefrosclerotische predialyse-patiënten kan mogelijk een versnelling van de progressie van nierfalen geven. Na maanden- tot jarenlange toepassing vnl. bij chronische nierinsufficiëntie via de s.c. toedieningsweg is 'pure red cell'-aplasie (PRCA) gemeld. Bij een plotseling verminderde werkzaamheid (gekenmerkt door vermindering in hemoglobine) met een verhoogde behoefte aan transfusies, een reticulocytentelling uitvoeren en typische oorzaken van de verminderde werkzaamheid onderzoeken (ijzer-, foliumzuur- of vitamine B12-tekort, aluminiumvergiftiging, infectie of ontsteking, bloedverlies of hemolyse). Bij verdenking op PRCA de toediening staken, testen op erytropoëtine antilichamen en een beenmergonderzoek overwegen; toediening van een ander erytropoëtine heeft in verband met kruisreactie geen zin. Bij hyperkaliëmie deze behandelen en overwegen om de toediening van epoëtine β te onderbreken tot normalisatie van het kaliumgehalte optreedt. Bij chronisch nierfalen werd meer kans op overlijden of ernstige cardiovasculaire of cerebrovasculaire incidenten aangetoond bij hemoglobinewaarden boven de streefwaarde (> 7,5 mmol/l); er is geen voordeel aangetoond van hemoglobinewaarden boven deze streefwaarde.

Ter preventie van verstopping van het hemodialysesysteem kan verhoging van de heparinedosis tijdens behandeling met epoëtine β noodzakelijk zijn. Vanwege het optreden van shunttrombose bij hemodialysepatiënten, wordt vroege revisie van de shunt en tromboseprofylaxe aanbevolen.

Tumorgroei, vooral van myeloïde maligniteiten, valt bij gebruik van erytropoëse-stimulerende middelen niet uit te sluiten. In meerdere gecontroleerde onderzoeken is niet aangetoond dat epoëtinen de totale overleving verbeteren of het risico van tumorprogressie verkleinen bij anemie die gepaard gaat met kanker.

Bij autologe bloeddonatie dienen de speciale waarschuwingen en voorzorgen van een dergelijk programma te worden gevolgd.

Omdat een stijging van de hematocriet meestal gepaard gaat met een daling van de ferritinewaarden in het serum, wordt ijzersuppletie aanbevolen voor patiënten met chronische nierinsufficiëntie met een ferritineserumwaarde lager dan 100 nanog/ml en voor alle kankerpatiënten met een transferrineverzadiging lager dan 20%. Bij kankerpatiënten die chemotherapie krijgen en een transfusierisico hebben, moet een interval van 2–3 weken in acht worden genomen tussen de toediening van epoëtine en de evaluatie van de stijging van epoëtinegeïnduceerde rode bloedcellen, voordat bepaald kan worden of een verdere behandeling met epoëtine is aangewezen. Bij chronische nierinsufficiëntie en klinisch vastgestelde ischemische hartaandoeningen of hartfalen mag de onderhoudsconcentratie van het Hb de bovenste limiet van de beoogde concentratie niet overschrijden.

Voorzichtigheid is geboden bij gebruik van epoëtine bèta bij ernstige vormen van fenylketonurie.

Overdosering

Neem voor informatie over een vergiftiging met epoëtine β contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Glycoproteïne dat via recombinant DNA-techniek wordt geproduceerd. Het verschil tussen epoëtine alfa en bèta zit in de samenstelling en positie van het koolhydraatgedeelte; het eiwitgedeelte is identiek. Epoëtine stimuleert de erytropoëse. Het is immunologisch en biologisch gelijk aan humaan erytropoëtine, dat hoofdzakelijk wordt geproduceerd en gereguleerd door de nier als reactie op hypoxie.

Kinetische gegevens

Fs.c. 23–42%.
T maxs.c. 12–28 uur.
T 1/2i.v.: ca. 4–12 uur, s.c. 13–28 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

epoëtine bèta hoort bij de groep erytropoëtische groeifactoren.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links