isoniazide

Samenstelling

Isoniazide drank FNA Formularium der Nederlandse Apothekers

Toedieningsvorm
Drank
Sterkte
10 mg/ml

(Mixtura isoniazidi FNA). Bevat o.a. propyleenglycol (9,1 mg/ml) en conserveermiddel methylparahydroxybenzoaat.

Isoniazide injectievloeistof FNA XGVS Formularium der Nederlandse Apothekers

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
ampul 2 ml

Isoniazide tablet Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Tablet
Sterkte
200 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

isoniazide vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

De behandeling van een latente tuberculose-infectie (LTBI) en de preventieve behandeling van personen die nauw contact hebben gehad met een open–longtuberculosepatiënt, maar bij wie geen infectie is aangetoond (primaire profylaxe), bestaat uit isoniazide, rifampicine of combinatietherapie. De standaardbehandeling van actieve tuberculose bestaat uit een behandelschema van minimaal 6 maanden met isoniazide, rifampicine, pyrazinamide en ethambutol. Laat ethambutol achterwege als, of zodra bekend is dat het om een goed gevoelige M. tuberculosis gaat.

Indicaties

Behandeling van:

  • actieve tuberculose, in combinatie met andere tuberculosemiddelen;
  • een latente tuberculose-infectie (LTBI).

Profylaxe van tuberculose als monotherapie in de volgende situaties:

  • er is veel kans op infectie aanwezig, maar een dergelijke infectie is (nog) niet aantoonbaar;
  • besmetting heeft aantoonbaar plaatsgevonden maar manifeste ziektesymptomen zijn nog niet aanwezig;
  • inadequate medicamenteuze behandeling van tuberculose in de voorgeschiedenis;
  • toevallig gevonden longafwijkingen en positieve tuberculinereactie die wijzen op een vroeger doorgemaakte tuberculose.

Gerelateerde informatie

Dosering

Klap alles open Klap alles dicht

Behandeling van tuberculose (volgens Handboek Tuberculose 2018, KNCV Tuberculosefonds):

Volwassenen en kinderen > 25 kg lichaamsgewicht:

Intensieve fase: 5 mg/kg lichaamsgewicht 1×/dag (max. 300 mg per dag). Behandelduur: gedurende twee maanden, gevolgd door de continueringsfase. De standaardbehandeling is in combinatie met rifampicine, pyrazinamide en ethambutol.

Continueringsfase: 5 mg/kg lichaamsgewicht (max. 300 mg per dag). Bij de standaardbehandeling in combinatie met rifampicine. Bij intermitterende behandeling: (altijd onder 'directly observed treatment') is een dosering van 15 mg/kg driemaal per week (max. 900 mg per dag) mogelijk. Behandelduur: gedurende ten minste 4 maanden; voorafgegaan door ca. 2 maanden continue therapie met 5 mg/kg per dag. Bij een blijvend positieve sputumkweek ná twee maanden behandeling bij holtevorming bij het begín van de behandeling óf in geval van meningitis tuberculosa wordt de continueringsfase verlengd tot 7 maanden (totale behandeling is dan 2+7 maanden). In geval van meningitis tuberculosa overwegen corticosteroïden toe te voegen.

Kinderen ≤ 25 kg lichaamsgewicht:

10 (met een range van 7–15) mg/kg 1×/dag (max. 300 mg per dag). De basisprincipes van de behandeling zijn hetzelfde als bij volwassenen, met uitzondering van meningitis tuberculosa en osteoarticulaire tuberculose waarvoor 9–12 maanden behandeling geadviseerd wordt.

Tuberculeuze meningitis:

Volgens de fabrikant: 10-30 mg/kg lichaamsgewicht/dag in 2-3 doses (continue behandeling). Volgens het Handboek Tuberculose 2018 (KNCV Tuberculosefonds): in geval van meningitis tuberculosa wordt de continueringsfase verlengd tot 7 maanden (de totale behandeling is dan 2+7 maanden). Overweeg ook om corticosteroïden toe te voegen.

Behandeling van een latente tuberculose-infectie (LTBI):

Volwassenen:

Volgens het Handboek Tuberculose 2018 (KNCV Tuberculosefonds): De behandeling is gericht op enerzijds het voorkomen van actieve tuberculose bij de patiënt, anderzijds het voorkomen dat de persoon met LBTI een besmettelijke bron wordt en zo tuberculose verspreidt. De standaardrichtlijn is 6 maanden isoniazide óf 3 maanden isoniazide én rifampicine. Bij bewezen resistentie voor isoniazide bij de geïnfecteerde contact(en), maar gevoeligheid voor rifampicine 4 mnd. rifampicine. Vóór (of tijdens) anti-TNF-α therapie, óf bij een co-infectie met HIV; in dit geval wordt geadviseerd 9 mnd. te behandelen. Deze behandelduur ook toepassen als sprake is van fibrotische afwijkingen op de thoraxfoto passend bij oude, nooit behandelde, tuberculose; óf 4 maanden in combinatie met rifampicine.

De doseringen zijn hetzelfde als bij actieve tuberculose (zie boven).

Kinderen:

In de WHO richtlijn wordt voor kinderen met een LBTI 10 mg/kg geadviseerd. De Commisie voor Praktische Tuberculosebestrijding heeft de door de WHO aanbevolen behandelregimes voor LBTI ook in Nederland doorgevoerd (2016); het betreft in het geval van monotherapie met isoniazide een behandelduur van 6 mnd. óf in combinatie met rifampicine gedurende 3 mnd.

Primaire profylaxe:

Volwassenen en kinderen ≥ 5 j. mét een verminderde weerstand

Volgens het Handboek Tuberculose 2018 (KNCV Tuberculosefonds): In geval van verminderde weerstand (bv. HIV-infectie (met een laag CD4-aantal), TNF-α blokkerende of gebruik van immunosuppressieve geneesmiddelen) én als een TBC-infectie (nog) niet betrouwbaar is/kan worden aangetoond én na nauw contact met een sputum ZN-positieve patiënt: een volledige preventieve behandeling toepassen. De behandelduur is 9 maanden, óf indien gecombineerd met rifampicine; 4 maanden.

Kinderen vanaf 6 mnd. tot 5 jaar:

Volgens het Handboek Tuberculose 2018 (KNCV Tuberculosefonds): Start zodra bekend is dat er intensief contact is geweest met een patiënt met 'open tuberculose', ook al is de tuberculinehuidtest (nog) negatief. Als twee maanden na het laatste broncontact de tuberculinehuidtest nog negatief is; de profylaxe staken.

Zuigelingen tot 6 mnd.

De tuberculinehuidtest kan onbetrouwbaar zijn; overleg met een tuberculosedeskundige is noodzakelijk.

Nierfunctiestoornis: isoniazide wordt verwijderd door hemodialyse en peritoneale dialyse; daarom toedienen onmiddellijk ná dialyse. Bij nierfunctiestoornissen zonder dialyse is geen dosisaanpassing nodig, controleer wel op bijwerkingen.

Leverfunctiestoornis: voorzichtig doseren op geleide van de plasmaspiegel.

Toedieningsinformatie: De drank of de tablet ten minste 1 uur vóór of 2 uur ná de maaltijd innemen. Bij maagklachten eventueel tijdens de maaltijd innemen. De tabletten kunnen verdeeld worden in gelijke doses. De intraveneuze injectie toedienen als langzame injectie (3–5 min) of als infusie opgelost in NaCl 0,9% (in 15 min.)

Bijwerkingen

Soms (0,1–1%): hepatitis (soms fataal), in het bijzonder bij al bestaande leverafwijkingen, ouderen, kleine kinderen, alcoholgebruikers en bij gecombineerde therapie met rifampicine.

Zelden: (0,01–0,1%): toxische epidermale necrolyse, geneesmiddelexantheem met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS-syndroom).

Verder zijn gemeld: verhoogde serumtransaminasewaarden, geelzucht, bilirubinemie. LE-achtig syndroom. Gynaecomastie. Hyperglykemie.

Neurotoxische reacties: perifere neuropathie, pyridoxinedeficiëntie (pyridoxineprofylaxe; zie Waarschuwingen en voorzorgen), optische neuritis, convulsies, psychische veranderingen (incl. psychotische reacties, vooral bij een voorgeschiedenis hiervan), spiertrekkingen, duizeligheid, hoofdpijn, ataxie, stupor en toxische encefalopathie.

Voorts: overige overgevoeligheidsreacties zoals koorts, andere huidreacties (bv. erythema multiforme, purpura, exfoliatieve dermatitis, Stevens-Johnsonsyndroom), vasculitis, lymfadenopathie. Hypotensie. Optische atrofie. Hematologische reacties zoals agranulocytose, eosinofilie, trombocytopenie, (hemolytische, sideroblastische of aplastische) anemie. Maag-darmstoornissen (misselijkheid, braken, droge mond, epigastrisch ongemak). Pancreatitis. Metabole acidose. Pellagra (nicotinezuur (vitamine B3)-deficiëntie). Alopecia. Reumatische symptomen, paresthesie, spierzwakte.

Interacties

Rifampicine, halothaan, alcohol en ook aminosalicylzuur vermeerderen de kans op hepatotoxische reacties.

Gelijktijdige toediening met corticosteroïden kan de plasmaspiegels van isoniazide verlagen door verhoging van de metabole of renale klaring; aanpassing van de isoniazide-dosering kan nodig zijn.

Isoniazide kan de plasmaspiegel van carbamazepine verhogen tot soms toxische waarden; bij gelijktijdig gebruik de plasmaspiegel van carbamazepine controleren en letten op eerste tekenen van carbamazepine-intoxicatie zoals hoofdpijn, ataxie, slaperigheid, verwardheid, wazig zien en braken. Ook de plasmaspiegel van fenytoïne kan stijgen; dit lijkt vooral van belang bij langzame acetyleerders. Omdat rifampicine (vaak gebruikt in combinatietherapie) de fenytoïneplasmaspiegel juist kan verlagen, is het effect bij gelijktijdige toediening van fenytoïne moeilijk in te schatten. Isoniazide verhoogt daarnaast ook de plasmaspiegel van theofylline, aanpassing van de theofyllinedosering kan nodig zijn.

Isoniazide heeft lichte tot matige MAO-remmende eigenschappen. Wees voorzichtig met het combineren met serotonerge geneesmiddelen (zoals serotonineheropname-remmers; bv. SSRI's en SNRI's) en controleer bij combinatie op tekenen van het serotoninesyndroom. Voedsel met een hoog gehalte aan tyramine of histamine vermijden; door remming van monoamine-oxydase en histaminase kan voedsel dat tyramine (kaas, rode wijn) of histamine (bv. tonijn) bevat leiden tot hypertensie, tachycardie, hartkloppingen, hoofdpijn, overmatig blozen en misselijkheid.

Combinatie met disulfiram kan leiden tot coördinatiestoornissen en psychotische verschijnselen; de combinatie vermijden.

De centrale bijwerkingen van diazepam kunnen toenemen.

Aluminiumbevattende preparaten (bv. antacida) kunnen de resorptie van isoniazide verminderen; neem isoniazide één uur eerder in dan het aluminiumbevattende preparaat.

Zwangerschap

Isoniazide passeert de placenta. Bij de geboorte is de serumconcentratie van isoniazide in de navelstreng tussen 0–66% van die in het maternale serum.
Teratogenese: Ruime ervaring bij de mens wijst niet op meer kans op aangeboren afwijkingen.
Farmacologisch effect: Tijdens de zwangerschap en post partum is er iets meer kans op hepatotoxiciteit bij de zwangere (zie ook Waarschuwingen en Voorzorgen).
Advies: Niet behandelen van tuberculose tijdens de zwangerschap is schadelijker voor moeder en kind (o.a. vroeggeboorte en laag geboortegewicht) dan wel behandelen. Isoniazide kan tijdens de zwangerschap worden gebruikt. Vanwege meer kans op neuropathie bij de zwangere tevens pyridoxine (vitamine B6) geven: 20 mg 1×/dag. Bij afwezigheid van tekenen van een actieve tuberculose de profylactische toepassing van isoniazide zo mogelijk uitstellen tot na de zwangerschap.

Lactatie

Isoniazide gaat in relatief grote hoeveelheden over in de moedermelk (concentratie gelijk aan maternaal plasma), maar er zijn nooit nadelige effecten bij de zuigeling gemeld.
Advies: Kan worden gebruikt. Wees echter toch alert op mogelijke levertoxiciteit bij de zuigeling. Volgens behandelrichtlijn NVALT: vanwege meer kans op neuropathie bij vrouwen die borstvoeding geven, tevens pyridoxine (vitamine B6) geven: gebruikelijk is 10-20 mg 1×/dag. Borstvoeding door vrouwen met een co-infectie met HIV wordt wél ontraden; dit om het overdragen van HIV te voorkómen.

Contra-indicaties

  • acute leverziekte (zoals virale hepatitiden, symptomatische hepatitis);
  • ernstige isoniazide-geassocieerde leverschade, óf (andere) ernstige isoniazide-geassocieerde bijwerkingen in de voorgeschiedenis, zoals koorts, rillingen en reumatische symptomen.

Waarschuwingen en voorzorgen

Wees voorzichtig bij:

  • epilepsie of andere neurologische aandoeningen;
  • alcoholisten;
  • AIDS-patiënten;
  • ernstig gestoorde nierfunctie;
  • diabetes mellitus;
  • chronische leverziekte (o.a. hepatitis);
  • G6PD-deficiëntie (vanwege kans op hemolyse).

Leverfunctie: controleer op symptomen van hepatitis (misselijkheid, braken, zwakte, geelzucht, donkere urine, koorts, huiduitslag en paresthesieën). Serumtransaminasespiegels (ASAT, ALAT) en bilirubine bepalen bij het begin van de therapie. Regelmatige controle van deze spiegels tijdens de behandeling wordt aanbevolen. Tijdens de zwangerschap de eerste 8 weken iedere 2 weken controleren, daarna maandelijks. De toediening staken bij het optreden van overgevoeligheidsreacties en bij ernstige of progressieve leverfunctiestoornissen (ASAT en/of ALAT > 5× ULN of bij > 3× ULN én klachten; alle tuberculosemiddelen tijdelijk staken). De transaminasen normaliseren (bij hepatitis geïnduceerd door isoniazide en/of rifampicine) meestal 10–14 dagen na het staken van de therapie. De potentieel hepatotoxische middelen één voor één hervatten wanneer de enzymwaarden gedaald zijn tot < 2× ULN. Overleg met een tuberculose-deskundige is meestal gewenst bij onbekendheid met het onderbreken/herstarten van tuberculosemiddelen; en ook bij rifampicine monoresistentie. Patiënten met chronisch leverlijden of ernstige nierfunctiestoornissen hebben meer kans op bijwerkingen.

Pyridoxineprofylaxe (vitamine B6 20 mg per dag) toepassen bij volwassenen met een dosering > 5 mg/kg per dag, bij langzame acetyleerders, bij nierfunctiestoornissen, diabetes mellitus, bij ouderen, HIV-geïnfecteerden, alcoholisten en ondervoede kinderen.

De hulpstof propyleenglycol kan bij langdurig gebruik en/of gebruik van hoge doses, ernstige bijwerkingen geven, vooral bij een verlaagd metabolisme ervan, zoals bij jonge kinderen. Er gelden doseringslimieten; zie de informatie van de EMA: Questions and answers on propylene glycol (pdf 0,2 MB).

Overdosering

Bij intoxicatie is opname in een ziekenhuis geïndiceerd. Na inname van 2–3 g treden toxische verschijnselen op. Inname van 10–15 g door een volwassene is levensbedreigend.

Symptomen
pupilverwijding, optische hallucinaties, perifere neuropathie, convulsies, coma, ernstige metabole acidose, acetonurie, hyperglykemie.

Therapie
zo spoedig mogelijk pyridoxine i.v. toedienen in een hoeveelheid die in grammen equivalent is aan de hoeveelheid ingenomen isoniazide. De toedieningssnelheid is 500 mg/min. Bij een onbekende dosis is de pyridoxinedosering bij volwassenen 5 gram; bij kinderen 70 mg/kg (max. 5 gram). Bij aanhoudende convulsies of het optreden van coma pyridoxine elke 5–20 minuten herhalen tot de convulsies uitblijven. De pyridoxinetoediening kan een isoniazide-geïnduceerd coma tegengaan. Bij convulsies en/of bij sterke achteruitgang van de leverfunctie die langer dan 24 uur duurt, ook hemodialyse toepassen, omdat indien niet toegepast de metabolisering van isoniazide sterk afneemt en de T1/2 aanzienlijk kan worden verlengd. Het gebruik van fenytoïne bij convulsies vermijden, o.a. vanwege CYP2C9 remming door isoniazide.

Zie voor meer informatie over symptomen en behandeling op toxicologie.org de monografie isoniazide.

Eigenschappen

Tuberculostaticum, in hoge doseringen werkt het bactericide. Het werkingsmechanisme is niet geheel bekend, een van de belangrijkste effecten lijkt de remming van de mycolzuursynthese in de celwand van de bacterie. Isoniazide is alleen werkzaam bij delende cellen.

Het werkingsspectrum is smal en omvat alleen mycobacteriën (zowel intra- als extracellulair). Bij monotherapie ontstaat gemakkelijk selectie van resistente mutanten, daarom wordt isoniazide bij de behandeling gecombineerd met andere tuberculostatica. Atypische mycobacteriën zijn doorgaans resistent.

Kinetische gegevens

Resorptiegoed.
T max1–2 uur.
OverigIsoniazide dringt goed door in weefsels en lichaamsholtes, óók in de liquor cerebrospinalis (ca. 90% van de plasmaconcentratie).
Metaboliseringin grote mate; in de lever middels acetylering (de snelheid hiervan, het acetyleringsvermogen, is genetisch bepaald) en hydrolyse tot inactieve metabolieten.
Eliminatiemet de urine, vnl. als metabolieten (bij kinderen sneller). Hemodialyse en peritoneale dialyse verwijderen isoniazide.
T 1/2el½–1½ uur (snelle acetyleerders), 2–4 uur (langzame acetyleerders).

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

isoniazide hoort bij de groep tuberculosemiddelen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links