rifampicine

Samenstelling

Rifadin Sanofi SA

Toedieningsvorm
Capsule
Sterkte
150 mg, 300 mg
Toedieningsvorm
Poeder voor infusievloeistof
Sterkte
600 mg
Verpakkingsvorm
met solvens 10 ml
Toedieningsvorm
Suspensie
Sterkte
20 mg/ml
Verpakkingsvorm
120 ml

Conserveermiddelen: methyl- en propylparahydroxybenzoaat. Bevat tevens: saccharose 400 mg/ml en natriummetabisulfiet.

Rifampicine Pharmachemie bv

Toedieningsvorm
Capsule
Sterkte
150 mg, 300 mg
Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
600 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

rifampicine vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

De behandeling van een latente tuberculose-infectie (LTBI) en de preventieve behandeling van personen die nauw contact hebben gehad met een open–longtuberculosepatiënt, maar bij wie geen infectie is aangetoond (primaire profylaxe), bestaat uit isoniazide, rifampicine of combinatietherapie. De standaardbehandeling van actieve tuberculose bestaat uit een behandelschema van minimaal 6 maanden met isoniazide, rifampicine, pyrazinamide en ethambutol. Laat ethambutol achterwege als, of zodra bekend is dat het om een goed gevoelige M. tuberculosis gaat. Bij de behandeling van tuberculose heeft rifabutine geen voordelen ten opzichte van rifampicine. Alleen bij multiresistentie komt rifabutine eventueel in aanmerking. Bij resistentie tegen rifampicine heeft rifabutine in 30–40% van de gevallen nog effect. Het starten van rifabutine is voorbehouden aan een tuberculosedeskundige.

Lepra: De combinatie dapson, clofazimine en rifampicine wordt gezien als eerstekeusbehandeling van multibacillaire lepra. Bij paucibacillaire lepra wordt de combinatie dapson en rifampicine aanbevolen.

Omdat dit geneesmiddel voor meerdere indicaties in uiteenlopende doseringen kan worden voorgeschreven én er sprake is van een smalle therapeutische breedte of risico van ernstige bijwerkingen (toxiciteit), dient volgens de Regeling Geneesmiddelenwet de reden van voorschrijven op het recept te worden vermeld.

Indicaties

Behandeling van:

  • alle vormen van tuberculose (pulmonaal en extrapulmonaal), in combinatie met andere tuberculosemiddelen;
  • alle vormen van lepra (zowel paucibacillair als multibacillair), in combinatie met andere antileprotica;
  • brucellose;
  • in uitzonderingsgevallen bij andere acute infecties, veroorzaakt door voor rifampicine gevoelige micro-organismen, in combinatie met andere antimicrobiële middelen én alléén voor een kortdurende behandeling.

Profylaxe van:

  • meningokokkenmeningitis bij contacten van een meningitispatiënt en ter eliminatie van meningokokken uit de nasofarynx van asymptomatische dragers. Rifampicine is niet geïndiceerd voor manifeste meningokokkenmeningitis.

Gerelateerde informatie

Dosering

De orale en intraveneuze dosis zijn bij rifampicine gelijk.

Rifampicine wordt bij normale gevoeligheid van Mycobacterium tuberculosis gegeven in combinatie met isoniazide, pyrazinamide en zonodig ethambutol tijdens de eerste fase van de behandeling (fase waarin de tuberkelbacillen worden gedood, symptomen verdwijnen en de patiënt niet meer besmettelijk wordt) en in combinatie met isoniazide tijdens de vervolgfase. Naast een behandelschema met dagelijkse doses zijn eventueel ook nog schema's met intermitterende doses beschikbaar zie het Handboek Tuberculose Nederland (2018, rubriek 5.3.1).

Klap alles open Klap alles dicht

Behandeling van tuberculose:

Volwassenen:

Altijd in combinatie met andere tuberculosemiddelen: 10 mg/kg lichaamsgewicht 1×/dag. Dit is bij een lichaamsgewicht ≥ 50 kg: 600 mg 1×/dag en bij < 50 kg: 450 mg 1×/dag. Bij normaal gevoelige Mycobacterium tuberculose in combinatie met isoniazide (5 mg/kg lichaamsgewicht per dag, max. 300 mg/dag), pyrazinamide (25–30 mg/kg per dag, max. 2 g/dag) en zonodig ethambutol (15–20 mg/kg per dag, max. 1,6 g/dag), gedurende 2 maanden, daarna in combinatie met alleen isoniazide gedurende 4 maanden. De behandeling kan (volgens de fabrikant) 6–9 maanden duren, of ten minste 6 maanden na omslag van het specimen (=negatieve kweek).

Kinderen 1–18 jaar:

Altijd in combinatie met andere tuberculosemiddelen: 10–20 mg/kg 1×/dag, max. 600 mg 1×/dag. De behandeling kan (volgens de fabrikant) 6–9 maanden duren, of ten minste 6 maanden na omslag van het specimen (=negatieve kweek).

Kinderen < 1 jaar:

Altijd in combinatie met andere tuberculosemiddelen: 10 mg/kg 1×/dag.

Behandeling van lepra:

Volwassenen:

Altijd in combinatie met andere antileprotica: Volgens de WHO-richtlijn: Paucibacillair: rifampicine 600 mg 1×/maand in combinatie met dapson (100 mg 1×/dag), gedurende 6 maanden. Enkelvoudige huidlaesie paucibacillair: eenmalige dosis rifampicine 600 mg in combinatie met eenmalige doses ofloxacine 400 mg en minocycline 100 mg. Multibacillair: rifampicine 600 mg 1×/maand in combinatie met dapson (100 mg 1×/dag) en clofazimine (100 mg 3×/week + 300 mg 1×/maand), gedurende 12 maanden. Clofazimine is geregistreerd, maar wordt in Nederland niet meer regulier geleverd.

Kinderen 10–14 jaar:

Altijd in combinatie met andere antileprotica: Volgens de WHO-richtlijn: Paucibacillair: rifampicine 450 mg 1×/maand in combinatie met dapson (50 mg 1×/dag), gedurende 6 maanden. Multibacillair: rifampicine 450 mg 1×/maand in combinatie met dapson (50 mg 1×/dag) en clofazimine (50 mg om de dag + 150 mg 1×/maand), gedurende 12 maanden. Clofazimine is geregistreerd, maar wordt in Nederland niet meer regulier geleverd.

Kinderen < 10 jaar:

Altijd in combinatie met andere antileprotica: 10 mg/kg lichaamsgewicht 1×/maand.

Behandeling van brucellose:

Volwassenen:

Altijd in combinatie met een tetracyclinederivaat: 1×/dag rifampicine 900 mg 's ochtends, in combinatie met bv. 1×/dag doxycycline 200 mg bij de avondmaaltijd; gedurende ca. 45 dagen.

Behandeling van andere infecties:

Volwassenen:

Altijd in combinatie met andere antimicrobiële middelen: bij een lichaamsgewicht ≥ 50 kg: 600 mg 1×/dag en bij < 50 kg: 450 mg 1×/dag. In ernstige gevallen de dosis verdubbelen en deze hoeveelheid in 2 giften per dag toedienen.

Kinderen (algemeen):

Altijd in combinatie met andere antimicrobiële middelen: 10–20 mg/kg per dag.

Kinderen van 1 maand tot 18 jaar:

Volgens het Kinderformularium van het NKFK (rifampicine) zowel oraal als intraveneus: 20 mg/kg/dag in 2 doses, max. 1,2 g/dag.

Kinderen van 1 week tot 1 maand:

Volgens het Kinderformularium van het NKFK (rifampicine): intraveneus: indien géén sprake is van hyperbilirubinemie 20 mg/kg/dag in 2 doses, max. 1,2 g/dag. Bij hyperbilirubinemie: 10 mg/kg/dag.

Kinderen < 1 week:

Intraveneus: 10 mg/kg/dag in 1 dosis.

Profylaxe meningokokkenmeningitis:

Volwassenen en kinderen ≥ 12 jaar:

De profylaxe moet zo vroeg mogelijk beginnen: 600 mg 2×/dag (iedere 12 uur), gedurende 2 dagen.

Kinderen tot 12 jaar:

De profylaxe moet zo vroeg mogelijk beginnen: volgens het Kinderformularium van het NKFK: 0–3 maanden: 10 mg/kg lichaamsgewicht/dag in 2 doses; 3 mnd.–12 jaar: 20 mg/kg lichaamsgewicht/dag in 2 doses, max. 1200 mg/dag. Behandelduur is 2 dagen.

Verminderde nierfunctie: de dosering hoeft niet te worden aangepast. Volgens het Kinderformularium van het NKFK (rifampicine) en conform SWAB: bij kinderen van 1 maand tot 18 jaar: creatinineklaring < 80 ml/min: de normale keerdosis gebruiken met een toedieningsinterval van 24 uur.

Bij gestoorde leverfunctie: in het bijzonder bij chronisch alcoholisme of levercirrose onder medisch toezicht toedienen.

Toedieningsinformatie: rifampicine intraveneus toedienen via een langzaam lopend infuus (infusietijd 1–3 uur). De capsules en suspensie innemen 1 uur vóór of 2 uur na de maaltijd; bij maag-darmklachten toediening direct na de maaltijd overwegen. De suspensie schudden voor gebruik.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): koorts, rillingen.

Vaak (1-10%): misselijkheid, braken, buikpijn, opgeblazen gevoel, anorexie. Vermoeidheid, slaperigheid, duizeligheid, licht gevoel in het hoofd, hoofdpijn. Jeuk (met of zonder huiduitslag), urticaria. Opvliegers. Reversibele trombocytopenie en trombocytopenische purpura (voornamelijk bij intermitterende therapie). Asymptomatische stijging van bilirubine en leverenzymwaarden (ASAT, ALAT). Roodverkleuring van tanden en lichaamsvloeistoffen en afscheidingen zoals urine, feces, speeksel, sputum, tranen en zweet, roodheid van de ogen.

Soms: (0,1-1%): diarree. Voorbijgaande leukopenie.

Zelden (0,01-0,1%): circulatoir collaps, shock, oedeem. Icterus, hepatitis, hepatorenaal syndroom. Inductie of verergering porfyrie. Spierzwakte, ataxie. Verwardheid. Visuele stoornis, exsudatieve conjunctivitis. Ernstige huidreacties zoals Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), exfoliatieve dermatitis, toxische epidermale necrolyse (TEN), pemfigoïde reacties en het DRESS-syndroom (geneesmiddelreactie met eosinofilie en systemische symptomen). Vasculitis. Hemolyse, hemolytische anemie, agranulocytose en eosinofilie. Acuut nierfalen ten gevolge van hemoglobinurie, hematurie, acute interstitiële nefritis, glomerulonefritis en acute tubulaire necrose. Menstruatiestoornissen waaronder amenorroe, inductie van een Addison-crisis (bij patiënten met deze ziekte).

Zeer zelden (< 0,01%): erosieve gastritis, pseudomembraneuze colitis.

Verder zijn gemeld: bloeddrukdaling, diffuse intravasale stolling. Anafylaxie. Pancreatitis. Hersenbloedingen, al dan niet fataal, na continuering of hervatting van de therapie na het optreden van purpura. Postpartumbloeding, foetale-maternale bloeding. Dyspneu, piepende ademhaling. Myopathie, botpijn. Psychotische stoornis. Bijnierinsufficiëntie bij een pre-existente aangetaste bijnierfunctie. Hypothyreoïdie (door toegenomen klaring van thyroxine door de lever en excretie van mono-joodthyronine). Hyperbilirubinemie. Toegenomen waarde alkalische fosfatase (vooral bij kinderen en meer uitgesproken bij combinatie met isoniazide). Overmatig blozen. Allergische dermatitis, acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP). Bij gebruik van de suspensie ook: astmatische episoden en anafylactische symptomen bij patiënten gevoelig voor metabisulfiet. Bij gebruik van de infusievloeistof ook: flebitis en pijn op de infusieplaats.

Bij intermitterende therapie of bij hervatting van de therapie na een tijdelijke onderbreking kan een influenza-achtig syndroom ('griep-syndroom') ontstaan met koorts, koude rillingen, soms hoofdpijn, duizeligheid en pijn in het bewegingsapparaat, in zeldzame gevallen gevolgd door trombocytopenie, purpura, dyspneu, astma-achtige aanvallen, hemolytische anemie, shock en acuut nierfalen. Deze complicaties kunnen echter ook onafhankelijk van het griep-syndroom optreden (zie ook de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen).

Interacties

Rifampicine is de sterkste inductor van het cytochroom P450-systeem, vooral van CYP3A(4) en CYP2C. Verder induceert rifampicine ook UDP-glucuronyltransferase (UGT) en de transporter P-glycoproteïne (Pgp). Deze inducerende effecten van rifampicine kunnen leiden tot subklinische plasmaspiegels van gelijktijdig gebruikte geneesmiddelen die voor hun eliminatie afhankelijk zijn van deze iso-enzymen, met als gevolg een verminderd of zelfs verlies van effect. Bij een prodrug die juist geactiveerd wordt kan er sprake zijn van een toename aan bijwerkingen. De enzyminductie is maximaal binnen ca. 10 dagen en neemt geleidelijk af gedurende 2 of meer weken na het staken van de behandeling. Houd hiermee rekening bij de combinatie met andere geneesmiddelen. Vanwege het bovenstaande is gelijktijdig gebruik van rifampicine met de volgende geneesmiddelen gecontra-indiceerd: voriconazol, HIV-proteaseremmers (met uitzondering van ritonavir bij een volledige dosering of 600 mg 2×/dag). Gelijktijdig gebruik wordt niet aanbevolen met o.a.: nevirapine, ritonavir (in lage doses als booster), simvastatine en systemisch toegediend ketoconazol (verlaging van de plasmaspiegel van zowel ketoconazol als rifampicine).

Bij gelijktijdig gebruik met veel andere geneesmiddelen kunnen speciale voorzorgen en/of aanpassing van de dosering nodig zijn; raadpleeg hiervoor altijd de betreffende geneesmiddelteksten vóór het toepassen van de combinatie met rifampicine. Met name bij gelijktijdig gebruik van vitamine K-antagonisten, orale bloedglucoseverlagende middelen, ciclosporine, sirolimus, tacrolimus, cimetidine, carbamazepine, fenytoïne, benzodiazepinen, clozapine, haloperidol, tricyclische antidepressiva, methadon, morfine, efavirenz, kinidine en fluvastatine moet hiermee rekening worden gehouden door eventuele aanpassing van de dosering van deze middelen. Ook bij gelijktijdig gebruik van β-blokkers, calciumantagonisten, digoxine, disopyramide, propafenon, diazepam, nitrazepam, chlooramfenicol, claritromycine, corticosteroïden, ketoconazol, itraconazol, en zidovudine rekening houden met een verminderde werking van deze middelen. Dit is echter geen volledige opsomming.

De betrouwbaarheid van systemische hormonale anticonceptiva kan verminderen; adviseer om over te stappen op andere anticonceptieve methoden.

Rifampicine kan de galuitscheiding vertragen van röntgencontrastmiddelen die voor galblaasonderzoek worden gebruikt.

Combinatie met halothaan kan de hepatotoxiciteit van beide geneesmiddelen vergroten; de combinatie vermijden.

Zwangerschap

Rifampicine passeert de placenta, waarbij de serumconcentratie van de foetus ca. ⅓ is van die van de moeder.
Teratogenese: Gegevens over toepassing bij de mens: geen kanstoename op aangeboren afwijkingen.
Farmacologisch effect: Gebruik van rifampicine gedurende de laatste weken van de zwangerschap heeft incidenteel een verhoogde bloedingsneiging bij de neonaat laten zien. Volgens de fabrikant kunnen er in de postnatale fase ook bloedingen bij de moeder veroorzaakt worden.
Advies: Niet behandelen van actieve tuberculose tijdens de zwangerschap is schadelijker voor moeder en kind dan wel behandelen (o.a. vroeggeboorte, laag geboortegewicht, ook congenitale tuberculose is beschreven). Rifampicine kan veilig gebruikt worden. Bij afwezigheid van tekenen van een actieve tuberculose kan de behandeling wel worden uitgesteld tot na de zwangerschap. Bij een co-infectie met HIV of bij immunosuppressie is de kans op het actief worden van de tuberculose toegenomen, de behandeling dan niet uitstellen.
Overig: Niet duidelijk is of het profylactisch geven van vitamine K aan de moeder vóór de bevalling zinvol is, omdat vitamine K nauwelijks de placenta passeert. Geef de pasgeborene direct na de bevalling eenmalig parenteraal vitamine K. Ook bij de moeder kan behandeling met (parenteraal) vitamine K nodig zijn.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja, de hoeveelheid die de zuigeling via de moedermelk ontvangt is echter slechts ca. 0,05% van de aan de moeder toegediende dosis. Er zijn geen nadelige effecten op de zuigelingen vastgesteld.
Advies: Kan waarschijnlijk veilig worden gebruikt.
Overig: De moedermelk kan rood verkleuren.

Contra-indicaties

  • een door geneesmiddelen geïnduceerde acute leverziekte (bv. hepatitis) in de voorgeschiedenis;
  • icterus;
  • overgevoeligheid voor andere rifamycinen.
  • door eerder gebruik van rifampicine ontstane:
    • acute nierinsufficiëntie;
    • overgevoeligheid;
    • trombocytopenie of hemolytische anemie.

Zie voor meer contra-indicaties de rubriek Interacties.

Waarschuwingen en voorzorgen

Controles: vóór aanvang van de behandeling leverenzymwaarden, bilirubine, serumcreatinine, volledige bloedwaarden en het aantal bloedplaatjes bepalen. Bij langdurig gebruik en bij leverfunctiestoornissen ook het bloedbeeld volgen.

Leverfunctie: wees voorzichtig bij verminderde leverfunctie; bij deze patiënten tijdens de therapie wekelijks, of iedere 2 weken, ALAT en ASAT controleren en eventueel de rifampicinespiegel bepalen voor optimalisering van de dosis. Bij een normale leverfunctie stijgen de transaminasespiegels vaak gedurende de eerste weken van de behandeling tot boven de ULN; deze dalen meestal vanzelf gedurende de derde behandelmaand, zonder de behandeling te onderbreken. Voer ook leverfunctietesten uit als koorts, braken, geelzucht of andere verslechtering van de conditie van de patiënt daarna optreedt. Ook hyperbilirubinemie kan ontstaan, op cellulair niveau van de uitscheidingswegen van de lever, door competitie van rifampicine en bilirubine. Een matige toename van bilirubine en/of transaminasewaarden is op zichzelf geen indicatie om de behandeling te onderbreken; herhaal de leverfunctietesten en volg de trends van de waarden in relatie tot de klinische conditie van de patiënt. Het wordt aanbevolen de behandeling met rifampicine te staken als de leverfunctie niet naar de normale waarden terugkeert of als de transaminasen 5× de ULN overstijgen. Indien de leverfunctie tot normaalwaarden is teruggekeerd, de leverfunctie dagelijks volgen totdat de onderhoudsbehandeling is bereikt; hierna gedurende twee weken wekelijks testen en daarna gedurende zes weken iedere twee weken. Hierna de leverfunctie periodiek volgen. Bij signalen van leverbeschadiging de behandeling met rifampicine stoppen. Bij patiënten met chronische leverziekten, bij alcoholici en bij ondervoede patiënten het therapeutisch nut van de behandeling afwegen tegen de risico's van verdere leverbeschadiging. Wees zeer voorzichtig bij prematuren en neonaten omdat hun leverenzymsysteem nog niet volledig ontwikkeld is. De combinatie van rifampicine met isoniazide en/of pyrazinamide vermeerdert de kans op bijwerkingen op de lever.

Ernstige acute overgevoeligheidsreacties: de behandeling onmiddellijk stoppen en nooit meer hervatten als (de eerste tekenen van) ernstige acute overgevoeligheidsreacties optreden zoals dyspneu en astma-achtige aanvallen, koorts, lymfadenopathie, purpura, nierfalen, shock, en afwijkingen van de lever of van de bloedcellijnen (hemolytische anemie, eosinofilie of trombocytopenie). Bij symptomen van AGEP, SJS of TEN de behandeling ook onmiddellijk staken. Fatale gevallen van DRESS-syndroom (geneesmiddelexantheem met eosinofilie en systemische symptomen) zijn gemeld; vroege uitingen hiervan als koorts, lymfadenopathie, eosinofilie en leverafwijkingen kunnen aanwezig zijn zonder dat er huiduitslag is.

Influenza-achtige symptomen: Bij intermitterende therapie of bij hervatting van de therapie na een onderbreking kunnen influenza-achtige symptomen voorkomen, die een voorbode kunnen zijn van ernstige complicaties (zie rubriek Bijwerkingen). De frequentie varieert en kan oplopen tot 50% van de patiënten die wekelijks ≥ 25 mg/kg rifampicine krijgen. Overweeg bij optreden van influenza-achtige verschijnselen bij intermitterende therapie over te schakelen naar dagelijkse medicatie, hierbij insluipend doseren (zie rubriek Dosering).

Verkleuring: urine, zweet, speeksel, traanvocht en feces kunnen oranje/rood verkleuren. Zachte contactlenzen kunnen blijvend rood kleuren.

Microbiologische methoden voor de bepaling van de plasmaconcentraties van foliumzuur en cyanocobalamine (vitamine B12) kunnen niet gebruikt worden tijdens de behandeling met rifampicine, omdat rifampicine in competitie is met bilirubine en broomsulfaleïne. Om fout-positieve reacties te voorkomen de broomsulfaleïne test uitvoeren de ochtend vóór toediening van rifampicine.

Overdosering

Symptomen
de symptomen en gevolgen van overdosering van rifampicine zijn variabel. Onder de symptomen behoren o.a. maag-darmklachten, zweten, dyspneu, convulsies, nierfalen, levertoxiciteit, gedaald bewustzijn, gegeneraliseerde jeuk, gezichtsoedeem, mogelijk longoedeem. Roodoranje verkleuring van huid en urine.

Therapie
opname in een ziekenhuis kan geïndiceerd zijn. Anti-emetica kunnen nodig zijn bij ernstige maag-darmklachten. Actieve diurese bevordert de renale uitscheiding. Hoewel niet bij de mens waargenomen, is bij dierexperimentele studies bij zeer hoge doseringen een neuro-depressieve werking gezien. Mogelijk kan beademing geïncideerd zijn of geraken.

Voor meer informatie over een vergifting met rifampicine neem contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Rifamycine-derivaat. Rifampicine werkt bactericide door het blokkeren van het DNA-afhankelijke RNA-polymerase bij gevoelige bacteriën. Het werkingsspectrum is smal. Rifampicine is werkzaam in zowel de extra- als de intracellulaire ruimten.

Doorgaans gevoelig zijn: Mycobacterium tuberculosis, andere atypische species van Mycobacterium (in variabele mate), Mycobacterium leprae, en sommige andere Gram-positieve (o.a. stafylokokken en Bacillus anthracis) en Gram-negatieve bacteriën.

In vitro zijn ook gevoelig: Brucella spp., Neisseria meningitidis en Staphylococcus aureus.

Omdat resistentie snel kan optreden wordt rifampicine altijd in combinatietherapie toegepast.

(Een verworven) resistentie kan een probleem zijn bij (o.a.): Haemophilus influenzae, Neisseria gonorrhoeae, Legionella pneumophila en Listeria monocytogenes.

Intrinsiek resistent zijn: de Enterobacteriaceae, Acinetobacter spp., Pseudomonas spp.

Kinetische gegevens

Resorptieoraal vrijwel volledig.
Fvoedsel kan de biologische beschikbaarheid en de opnamesnelheid verminderen, de werkzaamheid blijft echter ruim voldoende.
T max2–4 uur (oraal).
V dca. 1,6 l/kg (volwassenen), ca. 1,1 l/kg (kinderen).
OverigRifampicine diffundeert goed naar de meeste lichaamsweefsels; de concentraties in lever, longweefsel, milt en nieren zijn hoger dan de serumspiegel; in het pleuravocht is de concentratie nagenoeg gelijk aan die in het serum. In het cerebrospinaalvocht worden concentraties verkregen die hoger zijn dan de MRC's van de meest voorkomende pathogene kiemen die meningitis kunnen veroorzaken. Ook in het botweefsel diffundeert rifampicine, vooral in de epifysen. Rifampicine penetreert goed in het exsudaat van de ontstekingshaarden. Rifampicine ondergaat een enterohepatische kringloop.
Eiwitbinding60–90%.
Metaboliseringin de lever deels tot o.a. het actieve desacetylrifampicine.
Eliminatievnl. met de gal (rifampicine en vooral desacetylrifampicine), ca. 30% met de urine (overige metabolieten). Rifampicine wordt niet door hemodialyse en peritoneale dialyse uit het bloed verwijderd.
T 1/2el3–5 uur aan het begin van de behandeling; na 2–4 weken 2–3 uur (door auto-inductie).

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

rifampicine hoort bij de groep rifamycine-groep.

rifampicine hoort bij de groep tuberculosemiddelen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links