Samenstelling

Vfend Pfizer bv

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
50 mg, 200 mg
Toedieningsvorm
Poeder voor suspensie
Sterkte
40 mg/ml
Verpakkingsvorm
70 ml

Bevat tevens: sucrose 0,54 g/ml. Conserveermiddel: benzoëzuur.

Toedieningsvorm
Poeder voor infusievloeistof
Sterkte
200 mg
Verpakkingsvorm
met of zonder solvens 50 ml

Het poeder bevat tevens: sulfobutylether-β-cyclodextrine (SBECD).

Voriconazol Infusiepoeder/tabletten Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Poeder voor infusievloeistof
Sterkte
200 mg
Verpakkingsvorm
flacon

Bevat soms tevens: hydroxypropylbetadex (hulpstof), of sulfobutylether-β-cyclodextrine (SBECD).

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
50 mg, 200 mg

Uitleg symbolen

Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Bij candidiasis is voriconazol therapeutisch gelijk aan fluconazol. Fluconazol heeft de voorkeur op basis van ervaring en prijs. De toepassing van voriconazol dient te worden beperkt tot fluconazol-resistente stammen.

Invasieve aspergillose: Bij de primaire behandeling van bewezen of waarschijnlijke en progressieve, mogelijk levensbedreigende invasieve aspergillose is voriconazol eerste keus. Voriconazol geeft echter meer kans op interacties dan de verschillende formuleringen van amfotericine B. Voor voriconazol is voor mogelijke/vermoede Aspergillus-infecties (empirische/profylactisch) geen advies vastgesteld over de plaats in de medicamenteuze behandeling.

Verder kan voriconazol worden toegepast bij zeldzaam voorkomende infecties met Scedosporium– en Fusarium-species.

Indicaties

Behandeling van progressieve, mogelijk levensbedreigende, infecties bij volwassenen en kinderen ≥ 2 jaar met:

  • Invasieve aspergillose;
  • Candidemie bij niet-neutropenische patiënten;
  • Fluconazol-resistente ernstige invasieve Candida-infecties (waaronder ook C. krusei);
  • Ernstige schimmelinfecties veroorzaakt door Scedosporium spp. en Fusarium spp.

Profylactisch:

  • bij ontvangers (volwassenen of kinderen ≥ 2 jaar) van allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) die veel kans lopen op invasieve schimmelinfecties.

Dosering

Bij kinderen van 2–12 j. en van 12 t/m 14 j. met < 50 kg lichaamsgewicht starten met het intraveneuze schema en het orale schema alleen overwegen nadat er significante klinische verbetering is opgetreden. Dan bij kinderen van 2–12 jaar de suspensie gebruiken (tenzij er sprake is van malabsorptie of een voor de leeftijd zeer laag lichaamsgewicht; in die gevallen intraveneuze toediening continueren).

Het wordt geadviseerd over te schakelen van de intraveneuze naar de orale toedieningsvorm zodra dit mogelijk is. Bij overschakeling van de intraveneuze naar de orale toedieningsvorm bij volwassenen en kinderen ≥ 12 j. (12 t/m 14 j. met ≥ 50 kg lichaamsgewicht; 15 t/m 17 j. ongeacht het lichaamsgewicht) de aangegeven doseringen aanhouden; bij kinderen van 2–12 j. en van 12 t/m 14 j. met < 50 kg lichaamsgewicht is rekening gehouden met het feit dat een 8 mg/kg i.v.-dosis een ongeveer twee maal hogere blootstelling geeft dan een 9 mg/kg orale dosis.

Houd de behandelduur zo kort mogelijk, afhankelijk van de klinische en mycologische respons. Alleen op strikte indicatie langer behandelen dan 180 dagen (6 mnd.); bij langdurige behandeling is er meer kans op o.a. plaveiselcelcarcinoom van de huid en op niet-infectieuze periostitis.

Klap alles open Klap alles dicht

Behandeling van invasieve aspergillose, candidemie, ernstige invasieve Candida-infecties en andere schimmelinfecties:

Volwassenen en kinderen ≥ 12 j. (12 t/m 14 j. met ≥ 50 kg lichaamsgewicht; 15 t/m 17 j. ongeacht het lichaamsgewicht):

I.v.: oplaaddosis 6 mg/kg lichaamsgewicht iedere 12 uur, gedurende de eerste 24 uur, gevolgd door een onderhoudsdosis van 4 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag. Indien deze dosering niet wordt verdragen, verlagen tot 3 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag. Bij gelijktijdige toediening met fenytoïne en rifabutine de onderhoudsdosis verhogen tot 5 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag. De infusievloeistof maximaal 6 maanden toepassen. Bij gelijktijdige toediening van efavirenz de onderhoudsdosis verhogen naar 400 mg 2×/dag en de dosis efavirenz verlagen tot 300 mg 1×/dag; als met voriconazol wordt gestopt de oorspronkelijke dosering van efavirenz herstellen.

Oraal, lichaamsgewicht ≥ 40 kg: oplaaddosis 400 mg iedere 12 uur, gedurende de eerste 24 uur, gevolgd door een onderhoudsdosis van 200 mg 2×/dag. Bij onvoldoende respons de onderhoudsdosering verhogen tot 300 mg 2×/dag. Indien deze dosering niet wordt verdragen, verlagen in stappen van 50 mg tot 200 mg 2×/dag. Bij gelijktijdige toediening met fenytoïne de onderhoudsdosis verhogen naar 400 mg 2×/dag. Bij gelijktijdige toediening met rifabutine (liefst vermijden) de onderhoudsdosis verhogen naar 350 mg 2×/dag. Bij gelijktijdige toediening van efavirenz de onderhoudsdosis verhogen naar 400 mg 2×/dag en de dosis efavirenz verlagen met 50% (tot 300 mg 1×/dag); als met voriconazol wordt gestopt de oorspronkelijke dosering van efavirenz herstellen.

Oraal, lichaamsgewicht < 40 kg: oplaaddosis 200 mg iedere 12 uur, gedurende de eerste 24 uur, gevolgd door een onderhoudsdosis van 100 mg 2×/dag. Bij onvoldoende respons de onderhoudsdosering verhogen tot 150 mg 2×/dag. Indien deze dosering niet wordt verdragen, de dosering weer verlagen naar 100 mg 2×/dag. Bij gelijktijdige toediening met fenytoïne en rifabutine de onderhoudsdosis verhogen naar 200 mg 2×/dag.

Kinderen van 2–12 j. en van 12 t/m 14 j. met < 50 kg lichaamsgewicht :

I.v.: oplaaddosis 9 mg/kg lichaamsgewicht iedere 12 uur, gedurende de eerste 24 uur, gevolgd door een onderhoudsdosis van 8 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag. Zonodig de onderhoudsdosering met stappen van 1 mg/kg lichaamsgewicht aanpassen. Er zijn bij deze patiëntengroep geen gegevens over doseren in combinatie met andere geneesmiddelen zoals fenytoïne. De infusievloeistof maximaal 6 maanden toepassen.

Oraal: onderhoudsdosis 9 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag, max. 350 mg 2×/dag. Het wordt niet aanbevolen met de orale toediening te starten (zodoende is geen orale oplaaddosis gegeven). Zonodig de onderhoudsdosering met stappen van 1 mg/kg lichaamsgewicht aanpassen. Er zijn bij deze patiëntengroep geen gegevens over doseren in combinatie met andere geneesmiddelen zoals fenytoïne.

Kinderen < 2 jaar:

De veiligheid en werkzaamheid bij deze leeftijdscategorie is niet onderzocht, er kan geen dosisadvies worden gedaan.

Profylaxe van invasieve schimmelinfecties:

Volwassenen en kinderen ≥ 2 jaar:

Het aanbevolen doseringsregime is hetzelfde als voor de behandeling bij de verschillende leeftijdsgroepen. De profylaxe starten op de dag van de transplantatie; toedienen kán tot 100 dagen daarna. De profylaxe echter zo kort mogelijk toepassen, afhankelijk van het risico op invasieve schimmelinfecties, zoals bepaald door aanwezige neutropenie of immuunsuppressie. Alleen bij voortgezette immunosuppressie of graft-versus-host ziekte kan het gebruik tot 180 dagen worden voortgezet. Een langere gebruiksduur is niet voldoende onderzocht en geeft meer kans op ernstige bijwerkingen.

Bij profylaxe wordt géén dosisaanpassing geadviseerd bij gebrek aan werkzaamheid of het optreden van bijwerkingen. Bij optreden van bijwerkingen, zoals aanhoudende visuele stoornissen, ernstige huidreacties (incl. fototoxiciteit), periostitis en hepatotoxiciteit, het gebruik staken en alternatieve antimycotica overwegen.

Bij leverfunctiestoornissen: bij lichte tot matige levercirrose (Child–Pughscore 5–9) de onderhoudsdosis halveren. Het gebruik bij een ernstige chronische cirrose (Child-Pughscore ≥10) is niet onderzocht.

Bij nierfunctiestoornissen: het is niet nodig de dosis aan te passen bij een lichte tot ernstig verminderde nierfunctie. Vanwege accumulatie van de hulpstof SBECD bij een creatinineklaring van < 50 ml/min wordt het gebruik van de infusievloeistof die deze hulpstof bevat niet aangeraden indien dit vermijdbaar is. Indien de infusievloeistof toch gebruikt dient te worden zorgvuldig de serumcreatininewaarde controleren en bij toename zo mogelijk overgaan op orale toediening. Voriconazol wordt gedialyseerd; een 4 uur durende hemodialyse-sessie verwijdert echter niet genoeg voriconazol om een dosisaanpassing te rechtvaardigen.

Tabletten en suspensie minstens één uur voor of één uur na de maaltijd innemen. De suspensie vóór gebruik goed schudden (ca. 10 s).

I.v.-infusie gedurende 1–3 uur toedienen; infusiesnelheid max. 3 mg/kg lichaamsgewicht per uur. Niet met andere intraveneuze geneesmiddelen mengen die via dezelfde infuuslijn/canule worden geïnfundeerd. Niet gelijk toedieningen met bloedproducten of geconcentreerde elektrolytoplossingen, zelfs niet via een andere infuuslijn.

Bijwerkingen

Bij opvallend meer of ernstiger bijwerkingen kan sprake zijn van een CYP2C19-polymorfisme; bij bv. 15–20% van de Aziatische populatie verloopt het metabolisme van voriconazol traag. Van de blanke en negroïde populatie is 3–5% een zgn. poor metabolizer.

Zeer vaak (> 10%): (inspanningsgebonden) dyspneu. Koorts. Reversibele visusstoornissen (ca. 30%, incl. troebel zicht, chromatopsie, oscillopsie, kleurenblindheid, nachtblindheid, gezichtsvelduitval, mouches volantes, flikkerscotoom en fotofobie). Hoofdpijn. Buikpijn, misselijkheid, braken, diarree. Huiduitslag. Perifeer oedeem. Stijging van leverenzymwaarden (ASAT, ALAT, AF, γ-GT, bilirubine, LDH).

Vaak (1-10%): hypotensie, tachycardie, bradycardie, supraventriculaire aritmie. 'Acute respiratory distress syndrome' (ARDS), longoedeem. (Trombo)flebitis. Rillingen. Sinusitis. Cheilitis, gingivitis, dyspepsie, obstipatie. (Cholestatische) geelzucht, hepatitis. Retinale bloeding. Duizeligheid, slaperigheid, tremor, paresthesie, hypertonie, syncope, convulsie. Hallucinaties, depressie, angst, agitatie, verwardheid, slapeloosheid. Pijn op de borst, rugpijn. Asthenie. Exfoliatieve dermatitis, maculo–papuleuze huiduitslag, aangezichtsoedeem, jeuk, erytheem, alopecia. Acute nierinsufficiëntie, hematurie, verhoogde creatininewaarde in het bloed. Anemie, leukopenie, agranulocytose, trombocytopenie, pancytopenie. Hypoglykemie, hyponatriëmie, hypokaliëmie.

Soms (0,1-1%): ventrikelfibrilleren, (supra)ventriculaire tachycardie, ventriculaire extrasystolen, verlengd QTc-interval. Ataxie, extrapiramidale stoornis, hypesthesie, perifere neuropathie, dysgeusie, hersenoedeem, encefalopathie (incl. hypoxisch-ischemische en metabole encefalopathie, excl. van hepatische origine). Papiloedeem, oogzenuwstoornis (incl. optische neuritis), oculogyre crisis, diplopie, scleritis, blefaritis. Oorsuizen, hypoacusis, vertigo. Gezwollen tong, glossitis, gastro-enteritis, duodenitis, pseudomembraneuze colitis. Leverfalen, hepatomegalie, cholecystitis, cholelithiasis. Pancreatitis, peritonitis, lymfangitis. Artritis. Proteïnurie, nefritis, tubulusnecrose. Overgevoeligheid, allergische dermatitis, fotosensibilisatie (vooral bij langdurige behandeling), Stevens-Johnsonsyndroom, urticaria, purpura, eczeem. Reactie op de infusieplaats. Griepachtige symptomen, Lymfadenopathie. Bijnierschorsinsufficiëntie, hypothyreoïdie. Eosinofilie, beenmergfalen. Verhoogde bloedwaarden van ureum, cholesterol.

Zelden (< 0,1%): volledig atrioventriculair blok, bundeltakblok, nodale aritmie, 'torsade de pointes'. Diffuse intravasale stolling. Anafylactoïde reactie, angio-oedeem, actinische keratose, pseudoporfyrie, toxische epidermale necrolyse, erythema multiforme, geneesmiddeleruptie, (verergering van) psoriasis. Nystagmus, Guillain-Barré-syndroom. Hepatische encefalopathie. Optische atrofie, corneatroebeling. Pseudoporfyrie, geneesmiddelovergevoeligheid. Hyperthyreoïdie.

Verder zijn gemeld: cutane lupus erythematodes, efeliden, lentigo. Plaveiselcelcarcinoom (bij langere behandeling). (Niet-infectieuze) periostitis.

Bij kinderen is de incidentie van verhoogde transaminasewaarden hoger dan bij volwassenen, ook huidreacties, met name erytheem, komen mogelijk vaker voor.

Interacties

Voriconazol wordt gemetaboliseerd door én remt CYP3A4, CYP2C9 en CYP2C19. Gelijktijdig gebruik is daarom gecontra-indiceerd met: CYP3A4-substraten pimozide of kinidine (QTc-verlenging, in zeldzame gevallen 'torsade de pointes'); met rifampicine, carbamazepine, fenobarbital, sint-janskruid (klinisch relevante verlaging van voriconazolspiegel); met hoge doses ritonavir (400 mg 2×/dag en hoger) of hoge doses efavirenz (400 mg 1×/dag en hoger) in verband met een klinisch relevante verlaging van voriconazolspiegel; ergotamine (verhoogde ergotaminespiegel met ergotisme); sirolimus (klinisch belangrijke stijging sirolimusspiegel).

Via remming van CYP3A4 wordt de toxische grens eerder bereikt van sommige opiaten (alfentanil, fentanyl, sufentanil, methadon en oxycodon), sommige benzodiazepinen (zoals alprazolam en midazolam), sommige statinen, vinca-alkaloïden, sommige HIV–proteaseremmers en NNRTI's; verlaging van hun dosis overwegen. De dosis van indinavir hoeft niet te worden aangepast. Combinatie met everolimus wordt niet aanbevolen vanwege een klinisch belangrijke stijging van de everolimusspiegel. Bij combinatie met ciclosporine of tacrolimus de dosis van het immunosuppressivum verlagen om nefrotoxiciteit te voorkómen (ciclosporine 50% verlagen, tacrolimus 67% verlagen); bij staken van voriconazol de spiegel van het immunosuppressivum nauwgezet volgen en de dosering zonodig weer aanpassen.

Gelijktijdig gebruik met rifabutine of fenytoïne vermijden vanwege inductie van CYP3A4 door de genoemde stoffen; indien combinatie noodzakelijk is de voriconazoldosering verhogen (zie Doseringen) en controleer bij combinatie met rifabutine nauwgezet volledig bloedbeeld en op bijwerkingen door rifabutine zoals uveïtis en controleer bij combinatie met fenytoïne diens plasmaspiegel. Comedicatie met een lage dosering ritonavir (100 mg 2×/dag) alleen op strikte indicatie toepassen. Bij de combinatie met een lage dosering efavirenz de dosering van beide middelen aanpassen (zie Doseringen).

Controleer op bijwerkingen van voriconazol indien dit opeenvolgend aan fluconazol (eveneens CYP3A4, CYP2C9 en -2C19 remmer) wordt gebruikt.

Via remming van CYP2C9 door voriconazol kan de plasmaspiegel stijgen van sommige NSAID's (zoals diclofenac en ibuprofen) en van sulfonylureumderivaten (bv. tolbutamide). In combinatie met vitamine K–antagonisten kan een toename van de INR optreden.

De plasmaspiegels van protonpompremmers die een substraat zijn voor CYP2C19 kunnen stijgen (omeprazol, esomeprazol, lansoprazol en pantoprazol); bij starten van voriconazol bij een al ingestelde omeprazolbehandeling (indien ≥ 40 mg/dag) de omeprazoldosering halveren.

Wees voorzichtig met de combinatie met andere geneesmiddelen die het QT–interval verlengen zoals amiodaron, kinidine, disopyramide, sotalol, domperidon, tricyclische antidepressiva, sommige antipsychotica, methadon, macrolide antibiotica, fluorchinolonen, selectieve serotonine 5-HT3- receptorantagonisten (granisetron, ondansetron) of vlak na het gebruik van enkele andere antimycotica.

Bij combinatie met norethisteron/ethinylestradiol kunnen de blootstellingen aan deze stoffen en aan voriconazol stijgen.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren in therapeutische doseringen teratogeen gebleken.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.
Overig: Een vruchtbare vrouw dient adequate anticonceptieve maatregelen te nemen tijdens de behandeling.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend. Een nadelig effect bij de zuigeling kan niet worden uitgesloten.
Advies: Het gebruik van dit geneesmiddel of het geven van borstvoeding ontraden.

Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de hulpstof natriumsulfobutylether β-cyclodextrine (zie ook de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen).

Zie voor andere contra-indicaties de rubriek Interacties.

Waarschuwingen en voorzorgen

Bij opvallend weinig werkzaamheid of bij meer of ernstigere bijwerkingen kan sprake zijn van een CYP2C19-polymorfisme; volg de plasmaspiegel.

Voorzichtig bij overgevoeligheid voor andere azool–antimycotica.

Voorzichtig bij risicofactoren voor aritmieën en/of QT-verlenging zoals bradycardie, hypokaliëmie, hypocalciëmie, hypomagnesiëmie, cardiomyopathieën (m.n bij aanwezigheid van hartfalen), myocardinfarct, hogere leeftijd, bestaande symptomatische aritmieën, comedicatie met geneesmiddelen die QT-interval verlengen (zie Interacties) en congenitale of verworven QT-verlenging. Elektrolytstoornissen zoals hypokaliëmie, hypocalciëmie en hypomagnesiëmie vóór het instellen en tijdens de behandeling controleren en indien nodig corrigeren.

De leverfunctie controleren vóór het begin van de behandeling en ten minste wekelijks gedurende de eerste maand van de behandeling, daarna maandelijks mits de leverfunctie niet verslechtert. Bij klinische klachten en symptomen die overeenkomen met het ontwikkelen van een leveraandoening of bij significante stijging van de leverfunctiewaarden overwegen de toediening te staken. De leverdisfunctie is meestal reversibel na het staken van de therapie. Er is meer kans op ernstige hepatische reacties bij hematologische maligniteiten. Het gebruik bij ernstige chronische levercirrose (Child–Pughscore 10–15) is niet onderzocht. Er zijn weinig gegevens beschikbaar over de veiligheid bij afwijkende leverenzymwaarden (ASAT, ALAT, alkalische fosfatase of totaal bilirubine > 5× ULN).

Tijdens gebruik van voriconazol de nierfunctie controleren. Bij een matig tot ernstig gestoorde nierfunctie (creatinineklaring van < 50 ml/min) treedt er accumulatie op van de hulpstof natriumsulfobutylether β-cyclodextrine van sommige intraveneuze infusievloeistoffen; aanbevolen wordt over te schakelen naar de orale toedieningsvorm.

Bij risicofactoren voor acute pancreatitis (bv. recente chemotherapie, hematopoëtische stamceltransplantatie) is controle (bv. serumamylase of -lipase) aangewezen.

Ernstige huidreacties zoals het Stevens-Johnsonsyndroom zijn gemeld; bij een verdere uitbreiding van een eventuele huiduitslag de toediening staken. In verband met fotosensibilisatie blootstelling aan overvloedig zonlicht of UV–stralen vermijden en beschermende maatregelen nemen zoals beschermende kleiding en een zonnebrandcrème met een hoge beschermingsfactor. Bij fototoxiciteit is er kans op het ontstaan van plaveiselcelcarcinoom van de huid. Als fototoxische reacties (incl. efeliden, lentigo, actinische keratose, vooral bij langdurige behandeling) optreden, staken van de behandeling overwegen en doorverwijzen naar een dermatoloog. Bij optreden van premaligne huidlaesies of plaveiselcelcarcinoom (SCC) de behandeling staken. Bij kinderen treden vaker fototoxische reacties op; bij risicopatiëntjes ook na staken van de behandeling dermatologische controle blijven uitvoeren.

Bij optreden van skeletpijn de diagnose (niet-infectieuze) periostitis overwegen; bij radiologische bevestiging staken van de therapie overwegen.

Bij de profylaxe deze staken bij het optreden van (ernstiger) bijwerkingen zoals aanhoudende visuele stoornissen, ernstige huidreacties (incl. fototoxiciteit, SCC), periostitis en hepatotoxiciteit.

Bij kinderen van 2–12 jaar met malabsorptie en een, voor de leeftijd, zeer laag lichaamsgewicht kán de biologische beschikbaarheid beperkt zijn; i.v.-toediening wordt dan aanbevolen. Het gebruik bij kinderen van 2–12 jaar met lever- of nierinsufficiëntie is niet onderzocht. Het gebruik wordt niet aanbevolen bij kinderen jonger dan 2 jaar, vanwege onvoldoende gegevens over veiligheid en werkzaamheid.

Overdosering

Therapie
er is geen specifiek antidotum.

Voor meer informatie over een vergiftiging met voriconazol neem contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Triazoolderivaat met breedspectrum antifungale activiteit. Remt de – door het fungale CYP gemedieerde – demethylering van 14α-sterol, een essentiële stap in de fungale biosynthese van ergosterol. Voriconazol is selectiever voor de fungale CYP–enzymen van schimmels dan voor de verschillende CYP–enzymensystemen van zoogdieren.

Een gedeeltelijke of volledige respons is gezien bij: Aspergillus spp. (waaronder A. flavus, A. fumigatus, A. terreus, A. niger, A. nidulans), Candida spp. (waaronder bij fluconazol-resistente stammen van C. albicans en C. glabrata, het fluconazol-resistente C. krusei, en verder bij C. parapsilosis, C. tropicalis en een beperkt aantal van C. dubliniensis, C. inconspicua en C. guilliermondii), Scedosporium spp. (waaronder S. apiospermum en S. prolificans), en Fusarium spp.

Een gedeeltelijke of volledige respons is vaak gezien bij geïsoleerde gevallen van: Alternaria spp., Blastomyces dermatitidis, Blastoschizomyces capitatus, Cladosporium spp., Coccidioides immitis, Conidiobolus coronatus, Cryptococcus neoformans, Exserohilum rostratum, Exophiala spinifera, Fonsecaea pedrosoi, Madurella mycetomatis, Paecilomyces lilacinus, Penicillium spp. (waaronder P. marneffei), Phialophora richardsiae, Scopulariopsis brevicaulis en Trichosporon spp. (waaronder T. beigelii).

In vitro is werkzaamheid waargenomen tegen klinische isolaten van: Acremonium spp., Alternaria spp., Bipolaris spp., Cladophialophoa spp. en Histoplasma capsulatum.

Kinetische gegevens

ResorptieOraal: snel en bijna volledig, minder bij inname met een vetrijke maaltijd.
Fvan tablet en suspensie is ca. 96%.
T max1–2 uur (oraal).
V dca. 4,6 l/kg.
OverigUitgebreide distributie over de weefsels. Passeert de bloed–hersenbarrière.
OverigTherapeutische plasmaspiegel (dal): 2–5 mg/l.
Metaboliseringin de lever door vooral CYP2C19 en verder door CYP2C9 en CYP3A4 tot inactieve metabolieten.
Eliminatievnl. (≥ 80%) met de urine, < 2% onveranderd. Hemodialyse kan voriconazol en ook de hulpstof SBECD verwijderen.
T 1/2eldoor niet–lineaire kinetiek sterk afhankelijk van de dosis: ca. 6 uur bij 200 mg oraal.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

voriconazol hoort bij de groep triazolen.

Zie ook