acenocoumarol

Samenstelling

Zie voor hulpstoffen de productinformatie van CBG/EMA of raadpleeg een apotheker.

Acenocoumarol Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Tablet
Sterkte
1 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

acenocoumarol vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Na een TIA of herseninfarct is er naast niet-medicamenteuze adviezen een indicatie voor secundaire cardiovasculaire risicopreventie en antitrombotische behandeling. Deze bestaat uit clopidogrel monotherapie, acetylsalicylzuur in combinatie met dipyridamol of monotherapie met acetylsalicylzuur. Bij aanwezigheid van atriumfibrilleren of een andere cardiale emboliebron wordt behandeld met DOAC's (directwerkende orale anticoagulantia) of vitamine K-antagonisten in plaats van met trombocytenaggregatieremmers (zie hieronder).

Na een intracerebrale bloeding bestaat secundaire preventie alleen uit bloeddrukverlagende therapie.

Bij atriumfibrilleren > 48 uur en bij paroxismaal atriumfibrilleren is bij alle patiënten > 65 jaar antitrombotische behandeling aangewezen, vanwege meer kans op trombo-embolische complicaties (m.n. ischemisch CVA). Uitzondering hierop vormen mannen < 75 jaar zonder (risicofactoren voor) cardiovasculaire morbiditeit, hypertensie of diabetes. De behandeling bestaat uit een DOAC of een vitamine K-antagonist (VKA).

Een veneuze trombo-embolie of longembolie kan behandeld worden met een directwerkend oraal anticoagulans (DOAC) of met de combinatie van een laagmoleculairgewicht heparine (LMWH) en een vitamine K-antagonist (VKA) als initiële behandeling, gevolgd door een 3 maanden durende onderhoudsbehandeling met een VKA.

De keuze van de vitamine K-antagonist wordt vooral bepaald door de ervaring van lokale of regionale trombosediensten.

De keuze voor tromboseprofylaxe ter preventie van veneuze trombo-embolie (VTE) wordt bepaald door de soort ingreep, het bloedingsrisico en individuele risicofactoren. Bij grote orthopedische ingrepen is tromboseprofylaxe in alle gevallen geïndiceerd. Bij een preoperatief niet-ontstolde patiënt is een laagmoleculairgewicht heparine (LMWH) eerste keus. Tweede keus bij een electieve totale heup- of knievervangende operatie is een DOAC (dabigatran, apixaban of rivaroxaban) of fondaparinux. Bij heupfractuurchirurgie is fondaparinux tweede keus. Bij atroscopie van de knie is profylaxe doorgaans niet nodig. Overweeg een LMWH bij een risicopatiënt die een complexe ingreep ondergaat. Bij rugchirurgie is tromboseprofylaxe geïndiceerd bij een patiënt met ≥1 additionele risicofactor(en) voor VTE. Kies voor een LMWH of mechanische profylaxe. Bij een patiënt zonder additionele risicofactoren voor VTE kan tromboseproflaxe worden overwogen.

Vitamine K-antagonisten worden als tromboseprofylaxe na grote orthopedische ingrepen niet aanbevolen vanwege een lagere effectiviteit in de initiële profylaxe en mogelijk meer kans op ernstige bloedingen op de iets langere termijn, vergeleken met LMWH’s.

Indicaties

  • Profylaxe en therapie van trombo-embolische aandoeningen.

Gerelateerde informatie

Dosering

Het INR–streefgebied is afhankelijk van de indicatie. In Nederland worden de volgende INR-streefgebieden aangehouden (Federatie van Nederlandse Trombosediensten): 2,0–3,0 voor de lage intensiteitsgroep en 2,5–3,5 voor de hoge intensiteitsgroep.

Bij ernstig verhoogde INR-waarden (6-8) acenocoumarol tijdelijk staken en behandeling vervolgen met een dosering lager dan de voorafgaande gemiddelde dagdosering; bij INR > 8 acenocoumarol tijdelijk staken, eventueel fytomenadion geven en behandeling vervolgen met een dosering lager dan de voorafgaande gemiddelde dagdosering.

Zie voor meer informatie de richtlijn voor het doseren van vitamine K-antagonisten van de FNT, De kunst van het doseren.

Klap alles open Klap alles dicht

Trombo-embolische aandoeningen

Volwassenen < 70 j.

Dag 1: 6 mg, dag 2: 4 mg, dag 3: 2 mg.

Onderhoudsdosering: 1–8 mg/dag (in 1 dosis) op geleide van de INR.

Bij leeftijd ≥ 70 jaar of relatieve contra-indicaties (gestoorde leverfunctie, ziekte of algemeen slechte conditie): Dag 1: 4 mg of 3 mg, dag 2: 2 mg, dag 3: 1 mg.

Onderhoudsdosering: 1–8 mg/dag (in 1 dosis) op geleide van de INR.

Zie voor informatie over overstappen van een DOAC naar een vitamine K-antagonist de afzonderlijke preparaatteksten:

Bij omzetten van acenocoumarol naar een DOAC eerst acenocoumarol stoppen en DOAC starten bij een INR < 2.

Acenocoumarol kan, afhankelijk van de indicatie, tijdelijk gecombineerd worden met een LMWH, zolang INR < 2.

Pas bij VKORC1- of CYP2C9-polymorfisme zonodig de dosering of het middel aan in overleg met de apotheker.

Een gemiste dagdosis kan, indien het dezelfde dag wordt opgemerkt, alsnog worden ingenomen. Anders contact opnemen met de trombosedienst om eventueel het innameschema aan te passen.

In incidentele gevallen en bij patiënten waarbij het risico groot is (bv. na een myocardinfarct) is rebound hypercoagulabiliteit niet uitgesloten; bij deze patiënten de behandeling geleidelijk staken.

Toediening: De tabletten dagelijks op hetzelfde tijdstip, bij voorkeur 's avonds, innemen zonder kauwen en met vloeistof.

Bijwerkingen

Vaak (1–10%): bloedingen (gerelateerd aan de dosering, de leeftijd van de patiënt en de onderliggende ziekte).

Zelden (0,01–0,1%): misselijkheid, braken, verlies van eetlust. Allergische reacties (huiduitslag), reversibele alopecia.

Zeer zelden (< 0,01%): hemorragische huidnecrose (meestal in relatie tot gebrek aan proteïne C of S), vasculitis en leverbeschadiging.

Verder is gemeld: calciphylaxis.

Interacties

Acenocoumarol niet gelijktijdig gebruiken met een DOAC (apixaban, dabigatran, edoxaban, rivaroxaban) met uitzondering van kortdurende combinatie tijdens overstappen.

Acenocoumarol wordt voornamelijk gemetaboliseerd door CYP2C9, in mindere mate ook door CYP1A2 en CYP2C19. Controleer vóór toevoegen van hieronder genoemde middelen aan de behandeling en regelmatig tijdens de behandeling de INR. NSAID's versterken de werking van acenocoumarol, gelijktijdig gebruik wordt ontraden. Bij acetylsalicylzuur < 100 mg/dag is er wel meer kans op bloedingen maar pas bij > 3 g/dag ook een verhoogde INR. De werking van vitamine K-antagonisten kan daarnaast worden versterkt door o.a. capecitabine, 5-fluoro-uracil, heparine, LMWH, , thyroïdhormonen, allopurinol, danazol, disulfiram, anabole/androgene steroïden, remmers van CYP2C9 (zoals amiodaron, azoolantimycotica (miconazol is gecontra-indiceerd, ook uitwendig/oromucosaal gebruik), isoniazide, SSRI's (zoals fluvoxamine, sertraline), propafenon en antibiotica (zoals erytromycine, amoxicilline, tetracyclinen, fluorchinolonen, sulfonamiden (co–trimoxazol vermijden), cefalosporinen van de derde generatie), sulfonylureumderivaten (tolbutamide), lipidenverlagende middelen (statinen, gemfibrozil, bezafibraat), valproïnezuur, benzbromaron, cimetidine, omeprazol, esomeprazol, leflunomide, kinidine, tamoxifen.

De werking van vitamine K-antagonisten kan worden verzwakt door o.a. inductoren van CYP2C9 of CYP2C19 (carbamazepine, barbituraten, rifampicine gedurende minstens 5 dagen), chronisch gebruik van alcohol (effect kan variabel zijn), bosentan, fosaprepitant, aprepitant, sint-janskruid, HIV-proteaseremmers, orale anticonceptiva, thyreostatica.

Bij eventueel gelijktijdige medicatie met colestyramine (een anionenuitwisselend polystyreenhars) moet colestyramine steeds ten minste 4 uur ná acenocoumarol worden toegediend, omdat acenocoumarol anders aan colestyramine wordt geadsorbeerd.

Het hypoglykemisch effect van sulfonylureumderivaten zoals tolbutamide kan worden versterkt.

Mogelijk stijgen de serumspiegels van fenytoïne.

Bij combinatie met glucosamine kan de INR toenemen; de INR extra controleren bij het starten, een dosisverandering of het stopzetten van de behandeling met glucosamine.

De werking van vitamine K-antagonisten wordt in een aantal uren geantagoneerd door toediening van fytomenadion (vitamine K1).

Zwangerschap

Acenocoumarol passeert de placenta.

Teratogenese: Gebruik van acenocoumarol is schadelijk tijdens de 6e tot en met de 12e week van de zwangerschap o.a. vanwege meer kans op een spontane abortus en structurele afwijkingen bij de foetus (o.a. nasale hypoplasie en skeletafwijkingen). Ook bij toepassing na het 1e trimester worden afwijkingen van het centraal zenuwstelsel (o.a. atrofie van de nervus opticus), oogafwijkingen en gehoorschade gezien en is er meer kans op groeivertraging en mentale retardatie.

Farmacologisch effect: Foetale bloedingen. Tevens is er een verhoogd bloedingsgevaar tijdens en na de bevalling.

Advies: Gebruik vanaf de 6e t/m de 12e zwangerschapsweek ontraden wegens de teratogene risico's en voorafgaand aan de bevalling vanwege het bloedingsgevaar tijdens en na de bevalling (zowel bij moeder als kind); tijdens de verdere zwangerschap alleen op strikte indicatie gebruiken.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Niet of in zeer geringe mate.

Farmacologisch effect: Bij pasgeborenen is geen verandering in de stollingstijd waargenomen. Bovendien krijgen pasgeborenen die borstvoeding krijgen dagelijks fytomenadion (vitamine K1) ter preventie van bloedingen.

Advies: Kan volgens voorschrift worden gebruikt.

Contra-indicaties

  • kort voor of na operaties aan het oog of het centrale zenuwstelsel, trauma met uitgebreide weefselschade;
  • bloedende tumoren, holtevorming in de longen, afwijkingen in de schedelholte (bijvoorbeeld bestaand aneurysma);
  • pericardiale effusie, endocarditis lenta (subacute bacteriële endocarditis) en andere septische condities;
  • verhoogde fibrinolytische activiteit zoals bijvoorbeeld na operatie aan de longen, uterus, prostaat, etc.

Voor meer contra-indicaties zie rubriek Interacties.

Waarschuwingen en voorzorgen

De gevoeligheid voor vitamine K-antagonisten is individueel verschillend en kan bovendien tijdens de behandeling veranderen (bv. door ziekte, geneesmiddelgebruik, verandering in gastro–intestinale absorptie). Regelmatige controle van de bloedstolling (INR) en de daarop gebaseerde dosering is daarom noodzakelijk. Indien regelmatige controle niet mogelijk is, een andere behandeling overwegen.

Voorzichtig toepassen bij bloedingen in de voorgeschiedenis gelegen in de tractus digestivus, ulcera of bloedingen in de tractus urogenitalis of tractus respiratorius, cerebrovasculaire bloedingen, en daarnaast bij verhoogde fragiliteit van de vaten (bijvoorbeeld door ernstige hypertensie of diabetes met fundusafwijkingen), bij bekende of verwachte proteïne C- of S-deficiëntie, hematologische aandoeningen met een verhoogde bloedingsneiging en andere vormen van hemorragische diathesen of hemorragische bloeddyscrasie.

Bij gestoorde leverfunctie zowel de leverfunctie als de INR nauwkeuriger controleren, omdat de aanmaak van de stollingsfactoren verminderd kan zijn of omdat er een onderliggende plaatjesdisfunctie kan zijn.

Nierinsufficiëntie kan gepaard gaan met stollingsstoornissen of plaatjesdisfunctie; extra voorzichtig zijn bij toepassing van acenocoumarol.

Voorzichtig zijn bij ernstig hartfalen, omdat de activering of gamma-carboxylering van de stollingsfactoren verminderd kan zijn.

Na longresectie, operaties aan geslachtsorganen, maag en galwegen, bij hartfalen, arteriosclerose en hypertensie is zorgvuldige bewaking van de met acenocoumarol behandelde patiënt nodig.

Intra-musculaire injecties vermijden vanwege de kans op hematomen, bijzondere voorzichtigheid is geboden bij intra–arteriële puncties, s.c. en i.v. injecties leiden in het algemeen niet tot complicaties.

Voorzichtig zijn bij het beoefenen van contactsporten of sporten met meer kans op een bloeding. Na een trauma bedacht zijn op een bloeding, die aanvankelijk niet ernstig lijkt of niet gezien wordt.

Bij huidnecrose de werking met fytomenadion opheffen en op heparine overgaan.

Calciphylaxis is gemeld bij gebruik van vitamine K-antagonisten, hoofdzakelijk bij dialysepatiënten in het eindstadium van de nierziekte of bij risicofactoren, zoals proteïne C-of S-deficiëntie, hyperfosfatemie, hypercalciëmie of hypoalbuminemie. Bij vaststellen van calciphylaxis een passende behandeling instellen en overwegen de behandeling te staken.

Voorzichtig toepassen bij kinderen wegens weinig ervaring; INR frequenter controleren.

Volgens de richtlijn Antitrombotica van het Kenniscentrum Mondzorg (KIMO) 2019 is staken van een vitamine K-antagonist (VKA) niet nodig bij een INR ≤ 3,5 (maximaal 24 uur ervoor bepaald). Aanvullende maatregelen (zoals verkleinen van het wondoppervlak, faseren van de behandeling, inhechten resorbeerbare wondverbanden) kunnen overwogen worden bij meerdere factoren die het bloedingsrisico verhogen. Eventueel overleggen met de voorschrijver/trombosedienst als wordt ingeschat dat deze aanvullende maatregelen mogelijk niet voldoende zijn. Bij een recente INR > 3,5 eerst overleggen met de trombosedienst. Als er geen recente (≤ 24 uur oud) INR bekend is, deze eerst bepalen. Bij geleidingsanesthesie hoeft een VKA niet gestaakt te worden. Voor een abcesincisie bij twijfel overleggen met een MKA-chirurg. Bij combinatie van een VKA met een trombocytenaggregatieremmer overleggen met de trombosedienst. Zie voor meer informatie, ook over eventueel te nemen lokale maatregelen, de richtlijn Antitrombotica van het KIMO (2019).

Overdosering

Symptomen

naast een verhoogde INR: bloedingen, meestal cutane bloeding (80%), hematurie (52%), hematoma, gastro-intestinale bloeding, hematemese, uteriene bloeding, epistaxis, tandvleesbloeding, gewrichtsbloeding.

Indien nodig fytomenadion (vitamine K) toedienen op geleide van de protrombinetijd, zie ook fytomenadion. Zie voor meer symptomen en behandeling toxicologie.org en/of vergiftigingen.info.

Eigenschappen

Vitamine K-antagonist. Racemisch mengsel. Acenocoumarol remt de bloedstolling door als antagonist van vitamine K de synthese van de stollingsfactoren II, VII, IX en X en van proteïne–C of proteïne–S te blokkeren. Reeds gevormde stollingsfactoren worden niet beïnvloed. Werking: max. na 36–72 uur, onafhankelijk van dosis. Werkingsduur: tot 48 uur na de laatste dosis.

Kinetische gegevens

Resorptie > 60%.
T max 1–3 uur.
V d R-enantiomeer: 0,16–0,18 l/kg; S-enantiomeer: 0,22–0,34 l/kg.
Eiwitbinding 99%.
Metabolisering in de lever tot inactieve metabolieten, vnl. door CYP2C9, in mindere mate door CYP1A2 en CYP2C19.
Eliminatie na 1 week ca. 60% met de urine en ca. 29% met de feces.
T 1/2el 8–11 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

acenocoumarol hoort bij de groep vitamine k antagonisten.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links