cerliponase alfa

Samenstelling

Brineura XGVSAanvullende monitoring BioMarin Nederland bv

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
30 mg/ml
Verpakkingsvorm
2 flacons 5 ml + 1 flacon spoeloplossing 5 ml

Bevat tevens: natrium 44 mg per injectieflacon.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

cerliponase alfa vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Dit geneesmiddel is geregistreerd onder 'uitzonderlijke omstandigheden'; vanwege de zeldzaamheid van de ziekte zijn er weinig gegevens over de werkzaamheid en de veiligheid.

Indicaties

Neuronale ceroïdlipofuscinose type 2 (CLN2), ook bekend als tripeptidylpeptidase 1 (TPP1-)deficiëntie.

Dosering

Premedicatie: 30-60 minuten vóór begin van de infusie een antihistaminicum en eventueel een antipyreticum toedienen.

Regelmatig klinisch evalueren of de langetermijnbehandeling kan worden voortgezet.

Klap alles open Klap alles dicht

Neuronale ceroïdlipofuscinose type 2:

Kinderen ≥ 2 jaar:

300 mg elke 2 weken via intracerebroventriculaire infusie. De infusiesnelheid voor cerliponase α en de spoelvloeistof is 2,5 ml/uur.

Kinderen < 2 jaar:

Er zijn geen klinische gegevens voor kinderen < 2 jaar; de dosering die wordt voorgesteld is geschat op basis van de hersenmassa;

Kinderen 1 tot 2 jaar:

200 mg elke 2 weken gedurende de eerste 4 toedieningen, vervolgens 300 mg elke 2 weken.

Kinderen 6 maanden tot 1 jaar:

150 mg elke 2 weken.

Kinderen 0 tot 6 maanden:

100 mg elke 2 weken.

Bij ernstige bijwerkingen: indien de infusie niet wordt verdragen: overweeg om de dosering met 50% te verlagen en/of de infusiesnelheid te verlagen. Indien de infusie is onderbroken vanwege een overgevoeligheidsreactie: herstart de infusie op ca. de helft van de oorspronkelijke infusiesnelheid. Indien de intracraniële druk mogelijk stijgt tijdens de infusie (bv. hoofdpijn, misselijkheid, braken, bewustzijnsdaling): onderbreek de infusie en/of verlaag de infusiesnelheid (vooral bij kinderen < 3 jaar).

Toediening: cerliponase α wordt toegediend aan de cerebrospinale vloeistof door middel van infusie via een reservoir en katheter die operatief zijn geïmplanteerd (intracerebroventriculair toegangssysteem). Dit toegangssysteem moet worden geïmplanteerd vóór de eerste infusie. Het systeem moet geschikt zijn voor toegang tot de hersenventrikels om geneesmiddelen toe te dienen. De infusiesnelheid is 2,5 ml/uur. Dien ná de toediening van het geneesmiddel het spoelmiddel toe met dezelfde infusiesnelheid. Zie voor gedetailleerde toedieningsinformatie de officiële productinformatie CBG/EMA.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): bovensteluchtweginfectie. Overgevoeligheid. Prikkelbaarheid. Convulsies, hoofdpijn. Braken. Koorts. Toename of afname van het eiwitgehalte in de cerebrospinale vloeistof, pleiocytose in de cerebrospinale vloeistof, ECG-afwijkingen.

Vaak (1-10%): bradycardie. 'Dropped head'-syndroom. Blaarvorming mondslijmvlies en tong, buikpijn. Conjunctivitis, infectie door het toegangssysteem. Huiduitslag, urticaria. Nervositeit.

Verder is gemeld: meningitis.

Interacties

Er is geen onderzoek naar interacties uitgevoerd.

Zwangerschap

Gezien de geregistreerde indicatie in principe niet van toepassing.
Teratogenese: Zowel bij de mens als bij dieren, onvoldoende gegevens.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Lactatie

Gezien de geregistreerde indicatie in principe niet van toepassing.
Overgang in de moedermelk: Onbekend.
Advies: Het geven van borstvoeding ontraden.

Contra-indicaties

  • levensgevaarlijke anafylactische reactie op cerliponase α, indien hernieuwde toediening niet succesvol is;
  • ventriculoperitoneale shunt;
  • tekenen van acute lekkage of een storing van het intracerebroventriculaire toegangssysteem, of van een infectie die verband houdt met het toegangssysteem.

Waarschuwingen en voorzorgen

Voorzorgsmaatregelen toediening: Wees voorzichtig bij risicofactoren voor complicaties door de intracerebroventriculaire toediening zoals obstructieve hydrocefalie. Inspecteer de hoofdhuid vóór elke infusie op de integriteit van de huid, om er zeker van te zijn dat het toegangssysteem niet is aangetast. Sluit vóór de toediening lekkage en/of een storing in het intracerebroventriculaire toegangssysteem, uit. Wees voorbereid op een eventuele anafylactische reactie; wees extra voorzichtig bij hernieuwde toediening als eerder anafylaxie is opgetreden.

Infecties die verband houden met het toegangssysteem zijn waargenomen, waaronder meningitis (symptomen: koorts, hoofdpijn, stijfheid van de nek, lichtgevoeligheid, misselijkheid, braken en veranderingen in de psychische toestand) en subklinische infecties. In klinische onderzoeken werden antibiotica toegediend, werd het toegangssysteem vervangen en de behandeling met cerliponase α voortgezet.

Degradatie toegangssysteem: Na langdurig gebruik treedt degradatie op van het materiaal van het reservoir van het intracerebroventriculaire toegangssysteem. In twee klinische cases toonde het toegangssysteem geen tekenen van storing op het moment van infusie, maar werd na verwijdering wel degradatie aangetoond. Overweeg vervanging van het toegangssysteem binnen 4 jaar (geregeld) gebruik.

Controles: bewaak de vitale functies vóór, periodiek tijdens en na de infusie. Observatie na de toediening kan gedurende een langere periode nodig zijn, vooral bij kinderen < 3 jaar. Controleer tijdens de infusie het ECG bij patiënten met een voorgeschiedenis van bradycardie, een hartritmestoornis of een structurele hartziekte. Maak bij cardiaal normale patiënten elke 6 maanden een ECG. Stuur CSF-monsters routinematig voor laboratoriumonderzoek op, om subklinische infecties door het toegangssysteem op te sporen.

Onderzoeksgegevens: er zijn weinig gegevens over het gebruik bij patiënten > 8 jaar. De werkzaamheid en veiligheid bij kinderen < 3 jaar zijn nog niet vastgesteld. Er zijn weinig gegevens voor kinderen van 2 jaar en geen klinische gegevens voor kinderen < 2 jaar. Patiënten met gevorderde ziekteprogressie zijn uitgesloten van klinische trials. Bij gevorderde CLN2 en pasgeborenen is de integriteit van de bloed-hersenbarrière mogelijk verminderd; de effecten van de potentieel verhoogde blootstelling aan het geneesmiddel in de periferie zijn onbekend.

Eigenschappen

Recombinant humaan tripeptidylpeptidase 1 (rhTPP1), een proteolytisch inactief pro-enzym dat in het lysosoom wordt geactiveerd. Cerliponase α wordt opgenomen door doelcellen en getransloceerd naar de lysosomen via de kation-onafhankelijke mannose-6-fosfaatreceptor (CI-MPR). Vervolgens wordt het geactiveerd tot een proteolytisch enzym dat tripeptiden van de N-terminus van het doeleiwit afsplitst.

Bij neuronale ceroïdlipofuscinose type 2 (CLN2) is er sprake van een inadequaat TPP1-gehalte, wat leidt tot neurodegeneratie, epileptische aanvallen, verlies van neurologische functie, visusstoornissen/blindheid en overlijden tijdens de kinderjaren.

Kinetische gegevens

T maxca. 4,5 uur (in cerebrospinale vloeistof); ca. 12 uur (in plasma).
V dca. 435 ml, dit is groter dan het gebruikelijke CSF-volume (100 ml), wat wijst op distributie naar weefsels buiten de CSF. Het grootste deel van het toegediende cerliponase α blijft echter binnen de CSF. Er wordt waarschijnlijk geen therapeutische concentratie in het oog bereikt, vanwege de beperkte toegang vanuit de CSF tot de aangetaste cellen van de retina en de aanwezigheid van de bloed-retinabarrière.
Metaboliseringzoals alle eiwitten via proteolytisch katabolisme.
T 1/2ca. 7,4 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

cerliponase alfa hoort bij de groep middelen bij metabole aandoeningen, enzymen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Externe links