citalopram

Samenstelling

Zie voor hulpstoffen de productinformatie van CBG/EMA of raadpleeg een apotheker.

Cipramil (als hydrobromide) Lundbeck bv

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
20 mg, 40 mg

Cipramil (als hydrochloride) Lundbeck bv

Toedieningsvorm
Druppelvloeistof
Sterkte
40 mg/ml
Verpakkingsvorm
15 ml (1 druppel = 2 mg citalopram)

Conserveermiddel: methyl- en propylparahydroxybenzoaat en alcohol.

Citalopram (als hydrobromide) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
10 mg, 20 mg, 30 mg, 40 mg

Citalopram (als hydrochloride) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Druppelvloeistof
Sterkte
40 mg/ml
Verpakkingsvorm
15 ml (1 druppel = 2 mg citalopram)

Conserveermiddel: methyl- en propylparahydroxybenzoaat en alcohol.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

citalopram vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Kies bij de behandeling van een depressieve episode een antidepressivum op basis van comorbiditeit, bijwerkingen, interacties, ervaring en prijs. Bij voorschrijven in de huisartsenpraktijk wordt een tricyclisch antidepressivum (TCA) of selectieve serotonineheropnameremmer (SSRI) aanbevolen. Er is een lichte voorkeur voor de SSRI’s vanwege een iets gunstiger bijwerkingenprofiel. Start in de gespecialiseerde GGZ eventueel met een TCA, een SSRI, een niet-selectieve serotonineheropnameremmer (SNRI), mirtazapine of bupropion. Bij klinisch opgenomen patiënten heeft een TCA de voorkeur. Binnen de groep SSRI’s is er voorkeur voor middelen waarmee veel ervaring is opgedaan: citalopram, escitalopram, fluvoxamine, fluoxetine, paroxetine en sertraline.

Offlabel: Bij een angststoornis met een geringe ziektelast volstaan voorlichting en zelfhulpadviezen. Bij onvoldoende effect daarvan of bij ernstige ziektelast zijn cognitieve gedragstherapie, een antidepressivum of beide aangewezen. Er is een lichte voorkeur voor SSRI’s boven serotonerge TCA’s vanwege een geringere kans op ernstige bijwerkingen. Bij sociale fobie komen TCA’s niet in aanmerking. Na herstel van de angststoornis is begeleiding bij het stoppen van het antidepressivum en terugvalpreventie belangrijk. Bij examenangst/plankenkoorts kan incidenteel propranolol gegeven worden.

De plaats van een antidepressivum bij de behandeling van een depressieve episode van een bipolaire stoornis is in algemene zin controversieel vanwege relatief weinig bewijs voor effectiviteit. Als een antidepressivum wordt toegevoegd, hebben SSRI’s (uitgezonderd paroxetine) en bupropion de voorkeur. Het toevoegen van een serotonine-noradrenaline-heropnameremmer (SNRI) of een tricyclisch antidepressivum (TCA) (uitgezonderd imipramine) pas overwegen als andere antidepressiva niet effectief zijn gebleken. Antidepressiva kunnen een manie uitlokken. Voor de standaardbehandeling van een bipolaire stoornis, zie Bipolaire stoornis.

Indicaties

  • Depressieve episode;
  • Paniekstoornis, met of zonder agorafobie;
  • Offlabel: Angststoornis.

Gerelateerde informatie

Dosering

Bij dit geneesmiddel wordt (tevens) gedoseerd op geleide van de bloedspiegel; zie voor meer informatie hierover op Selectieve serotonine heropnameremmers (SSRI) van tdm-monografie.org.

De tabletten van 20, 30 en 40 mg kunnen een deelstreep bevatten en kunnen in gelijke helften worden gedeeld.

Klap alles open Klap alles dicht

Depressieve episode

Volwassenen

Bij de keuze van de dosering dient men rekening te houden met een circa 25% hogere biologische beschikbaarheid van de druppelvloeistof vergeleken met de tablet. Begindosering: 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) 1×/dag; afhankelijk van de respons verhogen tot max. 40 mg/dag (of 16 druppels (= 32 mg) per dag). In klinisch onderzoek was de meest effectieve dosis 40 mg (of 16 druppels (= 32 mg)) 1×/dag, in individuele gevallen kan 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag voldoende zijn.

De eerste therapeutische effecten ontstaan doorgaans na 2 weken. De behandeling voortzetten totdat de patiënt 4–6 maanden volledig symptoomvrij is, om voldoende bescherming te bieden tegen een mogelijke terugval.

Ouderen

Aanbevolen dosering: 10–20 mg (of 4–8 druppels (= 8–16 mg)) per dag, afhankelijk van de individuele respons max. 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag.

Paniekstoornis zonder agorafobie

Volwassenen

Bij de keuze van de dosering dient men rekening te houden met een circa 25% hogere biologische beschikbaarheid van de druppelvloeistof vergeleken met de tablet. Begindosering: 10 mg (of 4 druppels (= 8 mg)) 1×/dag; na 1 week verhogen naar 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg) 1×/dag). Afhankelijk van de respons verhogen tot max. 40 mg/dag (of 16 druppels (= 32 mg) per dag). In klinisch onderzoek was de meest effectieve dosis 40 mg (of 16 druppels (= 32 mg)) 1×/dag, in individuele gevallen kan 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag voldoende zijn.

Een lage begindosering is aanbevolen om paradoxale reacties te vermijden (zoals paniek, angst), die gewoonlijk vroeg in de behandeling optreden. De eerste therapeutische effecten ontstaan doorgaans na 2–4 weken. Het kan tot 3 maanden duren totdat volledige therapeutische respons ontwikkeld is. Het kan nodig zijn de behandeling voor enkele maanden voort te zetten. Er is nog onvoldoende documentatie beschikbaar uit klinische studies over behandeling langer dan 6 maanden.

Ouderen

Aanbevolen dosering 10–20 mg (of 4–8 druppels (= 8–16 mg)) per dag, afhankelijk van de individuele respons max. 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag.

Offlabel: Angststoornis

Volwassenen

Volgens de NHG-Standaard Angst: startdosis gedurende 1–2 weken: 10 mg/dag (of 4 druppels (= 8 mg/dag)); langzaam ophogen tot 20 (of 8 druppels (= 16 mg)) mg/dag. Evalueer het effect 4 tot 6 weken na instelling. Bij onvoldoende effect de dosering verhogen tot max. dosering 40 mg/dag (of 16 druppels (= 32 mg)/dag).

Continueer bij voldoende effect ten minste 6 tot 12 maanden na remissie. Adviseer om daarna geleidelijk af te bouwen om onthoudingsverschijnselen te voorkomen.

Ouderen

Max. 20 mg/dag (of 8 druppels (= 16 mg).

Pas bij CYP2C19-polymorfisme zonodig de dosering of het middel aan, in overleg met de apotheker.

Verminderde nierfunctie: Bij lichte of matige nierfunctiestoornis (creatinineklaring ≥ 30 ml/min): een dosisaanpassing is niet nodig. Bij een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring < 30 ml/min) kan geen dosisaanbeveling worden gedaan vanwege onvoldoende gegevens.

Verminderde leverfunctie: Bij lichte of matige leverfunctiestoornis: begindosering 10 mg (of 4 druppels (= 8 mg)) 1×/dag gedurende de eerste 2 behandelweken, afhankelijk van de respons verhogen tot. max. 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag. Wees voorzichtig bij verhoging van de dosering bij een ernstige leverfunctiestoornis.

Zie voor informatie over geleidelijk afbouwen het multidisciplinair document afbouwen SSRI's en SNRI's van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Voorbeelden van afbouwschema's zijn weergegeven in tabel 2 en 3 van het document.

Zie voor informatie over overschakelen van en naar andere antidepressiva de switchtabel van psychiatrienet.nl.

Toediening: Eenmaal per dag toedienen, mag in de ochtend of de avond, en mag zowel mét als zonder voedsel. De druppelvloeistof niet mengen met melk of thee.

Bijwerkingen

Toon bijwerkingen per frequentieToon bijwerkingen per tractus.

Zeer vaak

Huid en onderhuid

  • Hyperhidrose

Maagdarmstelsel

  • Droge mond
  • Nausea

Psyche

  • Insomnia

Zenuwstelsel

  • Hoofdpijn
  • Somnolentie

Vaak

Ademhalingsstelsel, borstkas en mediastinum

  • Geeuwen

Algemeen en toedieningsplaats

  • Asthenie
  • Vermoeidheid

Huid en onderhuid

  • Pruritus

Infecties

  • Rhinitis
  • Sinusitis

Maagdarmstelsel

  • Braken
  • Buikpijn
  • Diarree
  • Dyspepsie
  • Flatulentie
  • Obstipatie

Nieren en urinewegen

  • Urineretentie

Onderzoeken

  • Gewicht verlaagd

Oor en evenwichtsorgaan

  • Tinnitus

Psyche

  • Abnormale dromen
  • Agitatie
  • Angst
  • Libidoverlies
  • Nerveuze spanning

Skeletspieren en bindweefsel

  • Artralgie
  • Myalgie

Stofwisseling en voeding

  • Anorexie

Voortplantingsstelsel en borst

  • Ejaculatiestoornis
  • Erectiele disfunctie

Zenuwstelsel

  • Concentratieverlies
  • Duizeligheid
  • Paresthesie
  • Stoornis van aandacht
  • Tremor

Soms

Hart

  • Bradycardie
  • Tachycardie

Huid en onderhuid

  • Alopecia
  • Purpura
  • Rash
  • Urticaria

Onderzoeken

  • Gewicht verhoogd

Oog

  • Mydriase

Psyche

  • Agressie
  • Hallucinatie
  • Manie

Stofwisseling en voeding

  • Gestimuleerde eetlust

Voortplantingsstelsel en borst

  • Menorragie

Zenuwstelsel

  • Syncope

Zelden

Algemeen en toedieningsplaats

  • Ontwenningssyndroom bij staken van antidepressiva
  • Pyrexie

Bloedvaten

  • Hemorragie

Lever en galwegen

  • Hepatitis

Stofwisseling en voeding

  • Hyponatriëmie

Zenuwstelsel

  • Dysgeusie
  • Dyskinesie
  • Gegeneraliseerd tonisch-clonisch insult

Beschreven, met onbekende frequentie

Ademhalingsstelsel, borstkas en mediastinum

  • Bloedneus

Bloed en lymfestelsel

  • Trombocytopenie

Bloedvaten

  • Orthostatische hypotensie

Endocrien

  • Abnormale secretie van antidiuretisch hormoon

Hart

  • Torsade de pointes
  • Ventriculaire aritmie

Huid en onderhuid

  • Angio-oedeem
  • Ecchymose

Immuunsysteem

  • Anafylactische reactie
  • Overgevoeligheid

Letsels, intoxicaties en complicaties

  • Botbreuk

Lever en galwegen

  • Leverfunctie afwijkend

Maagdarmstelsel

  • Gastro-intestinale bloeding

Onderzoeken

  • Elektrocardiogram QT verlengd

Oog

  • Gezichtsvermogen afgenomen

Psyche

  • Paniekaanval
  • Rusteloosheid
  • Suïcidaal gedrag
  • Tandenknarsen

Stofwisseling en voeding

  • Hypokaliëmie

Voortplantingsstelsel en borst

  • Galactorroe
  • Metrorragie
  • Priapisme

Zenuwstelsel

  • Acathisia
  • Bewegingsstoornis
  • Convulsie
  • Extrapiramidale aandoening
  • Serotoninesyndroom

Zwangerschap, perinataal en postpartum

  • Postpartumbloeding

Ademhalingsstelsel, borstkas en mediastinum (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Geeuwen Vaak
Beschreven, met onbekende frequentie
Bloedneus

Algemeen en toedieningsplaats (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Asthenie Vaak
Vermoeidheid
Ontwenningssyndroom bij staken van antidepressiva Zelden
Pyrexie

Bloed en lymfestelsel (Beschreven, met onbekende frequentie)

Beschreven, met onbekende frequentie
Trombocytopenie

Bloedvaten (Tussen de 0,01% en 0,1% van de gevallen)

Hemorragie Zelden
Beschreven, met onbekende frequentie
Orthostatische hypotensie

Endocrien (Beschreven, met onbekende frequentie)

Beschreven, met onbekende frequentie
Abnormale secretie van antidiuretisch hormoon

Hart (Tussen de 0,1% en 1% van de gevallen)

Bradycardie Soms
Tachycardie
Beschreven, met onbekende frequentie
Torsade de pointes
Ventriculaire aritmie

Huid en onderhuid (In meer dan 10% van de gevallen)

Hyperhidrose Zeer vaak
Pruritus Vaak
Alopecia Soms
Purpura
Rash
Urticaria
Beschreven, met onbekende frequentie
Angio-oedeem
Ecchymose

Immuunsysteem (Beschreven, met onbekende frequentie)

Beschreven, met onbekende frequentie
Anafylactische reactie
Overgevoeligheid

Infecties (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Rhinitis Vaak
Sinusitis

Letsels, intoxicaties en complicaties (Beschreven, met onbekende frequentie)

Beschreven, met onbekende frequentie
Botbreuk

Lever en galwegen (Tussen de 0,01% en 0,1% van de gevallen)

Hepatitis Zelden
Beschreven, met onbekende frequentie
Leverfunctie afwijkend

Maagdarmstelsel (In meer dan 10% van de gevallen)

Droge mond Zeer vaak
Nausea
Braken Vaak
Buikpijn
Diarree
Dyspepsie
Flatulentie
Obstipatie
Beschreven, met onbekende frequentie
Gastro-intestinale bloeding

Nieren en urinewegen (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Urineretentie Vaak

Onderzoeken (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Gewicht verlaagd Vaak
Gewicht verhoogd Soms
Beschreven, met onbekende frequentie
Elektrocardiogram QT verlengd

Oog (Tussen de 0,1% en 1% van de gevallen)

Mydriase Soms
Beschreven, met onbekende frequentie
Gezichtsvermogen afgenomen

Oor en evenwichtsorgaan (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Tinnitus Vaak

Psyche (In meer dan 10% van de gevallen)

Insomnia Zeer vaak
Abnormale dromen Vaak
Agitatie
Angst
Libidoverlies
Nerveuze spanning
Agressie Soms
Hallucinatie
Manie
Beschreven, met onbekende frequentie
Paniekaanval
Rusteloosheid
Suïcidaal gedrag
Tandenknarsen

Skeletspieren en bindweefsel (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Artralgie Vaak
Myalgie

Stofwisseling en voeding (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Anorexie Vaak
Gestimuleerde eetlust Soms
Hyponatriëmie Zelden
Beschreven, met onbekende frequentie
Hypokaliëmie

Voortplantingsstelsel en borst (Tussen de 1% en 10% van de gevallen)

Ejaculatiestoornis Vaak
Erectiele disfunctie
Menorragie Soms
Beschreven, met onbekende frequentie
Galactorroe
Metrorragie
Priapisme

Zenuwstelsel (In meer dan 10% van de gevallen)

Hoofdpijn Zeer vaak
Somnolentie
Concentratieverlies Vaak
Duizeligheid
Paresthesie
Stoornis van aandacht
Tremor
Syncope Soms
Dysgeusie Zelden
Dyskinesie
Gegeneraliseerd tonisch-clonisch insult
Beschreven, met onbekende frequentie
Acathisia
Bewegingsstoornis
Convulsie
Extrapiramidale aandoening
Serotoninesyndroom

Zwangerschap, perinataal en postpartum (Beschreven, met onbekende frequentie)

Beschreven, met onbekende frequentie
Postpartumbloeding

Toelichting

  • Abnormale secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH): vooral bij oudere vrouwen.
  • Acathisie: vooral in de eerste weken van de behandeling.
  • Botbreuk vooral boven een leeftijd van 50 jaar (bij gebruik van een SSRI of TCA).
  • Elektrocardiogram QT verlengd, ventriculaire aritmie (incl. 'torsade de pointes'): vooral bij vrouwen, hypokaliëmie en hartziekten.
  • Suïcidaal gedrag: tijdens behandeling en vlak na staken.

Bij opvallend meer of ernstiger bijwerkingen kan sprake zijn van een CYP2C19-polymorfisme.

Interacties

Gecontra-indiceerd is gelijktijdig gebruik met middelen die het QT-interval verlengen, zoals klasse Ia en III-anti-aritmica, antipsychotica (fenothiazinen, pimozide, haloperidol), tricyclische antidepressiva, bepaalde antibiotica (moxifloxacine, erytromycine i.v., pentamidine, behandeling bij malaria) en antihistaminica (hydroxyzine, mizolastine).

Gecontra-indiceerd is gelijktijdig gebruik met MAO-remmers (incl. selegiline in doseringen > 10 mg/dag en linezolid zònder klinische bewaking van de bloeddruk), vanwege de kans op het 'serotoninesyndroom' met ernstige verschijnselen als agitatie, hyperthermie, tremor, convulsies en delirium. Niet binnen zeven dagen na staken van citalopram, starten met een MAO-remmer (incl. selegiline, moclobemide en linezolid). Niet gebruiken binnen 14 dagen na behandeling met een irreversibele MAO-remmer (selegiline); na gebruik van een reversibele MAO-remmer kan men een kortere onttrekkingsperiode aanhouden.

Citalopram is een zwakke remmer van CYP2D6; wees voorzichtig met middelen die door dit enzym worden omgezet en een smalle therapeutische breedte hebben zoals flecaïnide, propafenon, metoprolol, clomipramine, nortriptyline, risperidon en haloperidol. Wees voorzichtig met CYP2C19-remmers als cimetidine en omeprazol; verlaging van de dosering van citalopram kan noodzakelijk zijn.

Gelijktijdig gebruik van serotonerge geneesmiddelen, zoals opioïden (zoals tramadol) en triptanen (zoals sumatriptan) kan de serotonerge werking mogelijk versterken en leiden tot het serotoninesyndroom. Gelijktijdig gebruik van SSRI's met lithium of tryptofaan kan leiden tot een hogere incidentie van bijwerkingen.

Wees voorzichtig met middelen die hypokaliëmie/hypomagnesiëmie induceren en middelen die de convulsiedrempel verlagen (antipsychotica, antidepressiva, mefloquine, bupropion, tramadol).

Wees voorzichtig met gelijktijdig gebruik met geneesmiddelen die het risico op bloedingen verhogen (zoals vitamine K-antagonisten, NSAID's, acetylsalicylzuur, dipyridamol, ticlopidine en atypische antipsychotica).

Gelijktijdig gebruik van preparaten die Hypericum perforatum (sint-janskruid) bevatten vermeerdert de kans op bijwerkingen.

Zwangerschap

Teratogenese: Een licht verhoogd risico op specifieke (hart)afwijkingen is niet uitgesloten.

Farmacologisch effect: Het optreden van persisterende pulmonale hypertensie bij de neonaat (PPHN) is beschreven bij het gebruik van SSRI’s. Na langdurig gebruik van antidepressiva tot aan de bevalling kunnen neonatale onthoudingsverschijnselen optreden (zoals prikkelbaarheid, hypertonie, tremoren, onregelmatige ademhaling, slecht drinken en hard huilen); de verschijnselen zijn doorgaans mild, van voorbijgaande aard en dosisafhankelijk. Er is onvoldoende bekend over lange-termijneffecten bij het kind na gebruik van een SSRI tijdens de zwangerschap. Observationele gegevens laten een verschil zien van post-partumbloedingen, namelijk bijna tweemaal vaker na blootstelling aan een SSRI/SNRI in de maand voorafgaand aan de geboorte.

Advies: Maak een zorgvuldige afweging tussen de nadelige gevolgen van de depressie voor moeder en kind, tegen die van het geneesmiddel. Het abrupt staken of switchen van een antidepressivum tijdens de zwangerschap wordt afgeraden. In verband met veranderende farmacokinetiek in de zwangerschap is het aan te raden om regelmatig plasmaspiegels te bepalen. In het 2e en met name het 3e trimester kunnen de plasmaspiegels dalen en is dosisverhoging misschien noodzakelijk. Controleer de pasgeborene op onthoudingsverschijnselen en verschijnselen van PPHN, zoals blauwe verkleuring en ademhalingsproblemen.

Vruchtbaarheid: Er zijn aanwijzingen dat sommige SSRI's bij mannen de kwaliteit van het sperma (reversibel) veranderen. Er is geen effect op de vruchtbaarheid bij de mens waargenomen.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja; in geringe hoeveelheden. Relatieve kinddosis is ca. 5%.

Farmacologisch effect: Bloedspiegels van citalopram bij de zuigeling waren zeer laag of niet aantoonbaar.

Advies: Kan waarschijnlijk veilig worden gebruikt. Controleer voor de zekerheid de zuigeling de eerste weken op slecht slapen, sufheid, geïrriteerdheid, veel huilen, koliek, slecht drinken en slecht groeien.

Overige: Met alle antidepressiva is onvoldoende ervaring opgedaan om een uitspraak te kunnen doen over de effecten op de lange termijn.

Contra-indicaties

  • verlengd QT-interval.

Zie voor meer contra-indicaties de rubriek Interacties.

Waarschuwingen en voorzorgen

CYP2C19-polymorfisme: Bij opvallend weinig werkzaamheid of bij meer of ernstiger bijwerkingen kan sprake zijn van een CYP2C19-polymorfisme.

Staak SSRI-gebruik indien insulten optreden of de frequentie van insulten toeneemt.

Cardiovasculaire effecten: Wees voorzichtig bij meer kans op het ontwikkelen van 'torsade de pointes', zoals bij congestief hartfalen, recent myocardinfarct, bradyaritmieën, of risicofactoren voor hypokaliëmie of hypomagnesiëmie. Voor start van de behandeling een ECG overwegen bij patiënten met een stabiele hartaandoening. Bij tekenen van aritmie, de behandeling staken en een ECG maken.

Bloedingen: Toegenomen bloedingstijd en/of abnormale bloedingen, zoals ecchymose, gynaecologische, gastro-intestinale, cutane en mucosale en post-partumbloeding zijn gemeld bij gebruik van SSRI's. Wees voorzichtig bij een verhoogde bloedingsneiging en bij gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen die de bloedplaatjesfunctie beïnvloeden (zie ook de rubrieken Interacties en Zwangerschap).

Hyponatriëmie: De NHG-Standaard Angst vermeldt: Bepaal bij gelijktijdig gebruik van een diureticum, 5 tot 9 dagen na starten, het natriumgehalte. Herhaal deze controle bij dosisverhoging. Bepaal het natriumgehalte ook zonder gebruik van diuretica, indien zich een intercurrente ziekte (diarree, braken) voordoet waarbij het risico op elektrolytstoornissen vergroot is.

Metabole effecten: Bij diabetes mellitus kan een SSRI de bloedsuikerspiegel doen verhogen.

Psychiatrische effecten: Een onderliggende manie kan manifest worden of verergeren. Bij paniekstoornis kunnen in het begin van de behandeling de angstgevoelens verergeren; bij een lage startdosering vermindert de kans op dit anxiogene effect.

Seksuele disfunctie: SSRI's en SNRI's kunnen symptomen van langdurige seksuele disfunctie geven met symptomen die blijven aanhouden nadat de behandeling is gestaakt.

Suïciderisico: Bij suïcidaal gedrag in de voorgeschiedenis, evenals bij patiënten jonger dan 25 jaar is extra controle aangewezen, met name in de eerste weken van de therapie (als het middel nog onvoldoende effectief is) en na dosisaanpassingen. Er is een groter suïciderisico in het vroege stadium van herstel.

Comorbiditeit: Wees voorzichtig bij een voorgeschiedenis van abnormale bloedingen, bij epilepsie, nauwe-kamerhoekglaucoom of een voorgeschiedenis van glaucoom en gelijktijdige ECT.

Afbouwen: Vanwege onthoudingsverschijnselen een behandeling niet plotseling staken, maar de dosis afbouwen gedurende ten minste 2–4 weken, zie ook de rubriek Dosering. Bij afbouwen niet om de dag doseren, omdat door de relatief korte halfwaardetijd van dit middel dan onthoudingsverschijnselen kunnen optreden. Risicofactoren voor het krijgen van onthoudingsverschijnselen zijn: behandeling met hogere doses dan de minimale effectieve dosis; het ervaren van onthoudingsverschijnselen bij een gemiste dosis; eerdere mislukte stoppoging.

Onderzoeksgegevens: Over de behandeling bij ernstig gestoorde nierfunctie (glomerulaire filtratie < 20 ml/min) ontbreekt voldoende informatie. Niet gebruiken bij kinderen en jongeren < 18 jaar vanwege meer kans op suïcidaal gedrag en vijandigheid, terwijl de werkzaamheid niet voldoende is vastgesteld en er onvoldoende gegevens zijn over het effect op groei en op de seksuele, cognitieve en emotionele ontwikkeling.

Rijvaardigheid: Dit middel kan invloed hebben op de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen. Raadpleeg ‘Rij Veilig met Medicijnen’ van het IVM.

Overdosering

Symptomen

Coma, stupor, insulten, sinustachycardie, transpireren, braken, cyanose, hyperventilatie, QT-verlenging. Zes fatale gevallen zijn bekend, bij de meeste in combinatie met andere middelen.

Zie voor meer symptomen en behandeling de monografie op vergiftigingen.info en toxicologie.org.

Eigenschappen

Specifieke serotonineheropnameremmer (SSRI). Het remt selectief de heropname van serotonine in het neuron. Een relatie tussen de plasmaconcentratie en de werking of bijwerkingen is niet aangetoond. Bij opvallend weinig werkzaamheid kan sprake zijn van een CYP2C19-polymorfisme.

Kinetische gegevens

Resorptie snel.
F ca. 80% (tablet), ca. 100% (druppelvloeistof).
T max 3 uur (tablet), 2 uur (druppelvloeistof).
V d 12–17 l/kg.
Overig Gemiddelde plasmaconcentratie: 300 nmol/l (40 mg/dag).
Metabolisering tot de minder actieve SSRI's desmethylcitalopram (30–50%), didesmethylcitalopram (5–10%), citalopram-N-oxide en het gedesamineerd propionzuurderivaat. De biotransformatie tot desmethylcitalopram vindt plaats via CYP2C19 (38%), CYP3A4 (31%) en CYP2D6 (31%).
Eliminatie 85% via de lever, 15% via de nier, 12–23% onveranderd met de urine.
T 1/2el ca. 36 uur, bij ouderen verlengd (1,5–3,75 dag), bij leverfunctiestoornis 3 dagen.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

citalopram hoort bij de groep serotonineheropnameremmers, selectief.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links