Geneesmiddelenoverzicht

Werking

Werkingsmechanisme

Selectieve serotonineheropnameremmers:

  • remmen selectief de synaptische heropname van serotonine in het presynaptische neuron, waardoor de beschikbaarheid van serotonine in het centrale zenuwstelsel in de synaptische spleet toeneemt;
  • hebben een werkingsmechanisme dat niet exact bekend is;
  • veroorzaken op de lange termijn postsynaptische receptormodificatie en afname van het aantal 5-HT2-receptoren.

Bij hogere doseringen kan de selectiviteit verminderen.

Effect

  • vermindering van depressieve klachten: het normaliseren van de stemming en van de andere kenmerken van depressie zoals verlies van interesse en schuldgevoelens;
  • vermindering van de kans op terugkeer van depressie met de helft tot twee derde (bij voortzetting van de behandeling na optreden van herstel);
  • vermindering van angstige gevoelens, paniek en dwangsymptomen;
  • remming van ejaculatie;
  • remming van de eetlust (fluoxetine).

Meer informatie

Het antidepressieve effect is meestal pas na 2–4 weken merkbaar. De paniek- en angstreducerende werking staat los van het antidepressieve effect. De antipaniek- en antiangst-werking van deze antidepressiva treedt pas na vier weken in; bij sommige angststoornissen, zoals de sociale fobie, nog later: tot 8–12 weken.

Typerende bijwerkingen

Relatief frequent:

  • maag-darmklachten: misselijkheid, braken, diarree, obstipatie [1,2,3];
  • seksuele disfunctie: verminderde libido, erectie-/ejaculatiestoornis, vertraagd orgasme, anorgasmie [1,2,3];
  • centrale bijwerkingen: hoofdpijn, toegenomen angst, agitatie, rusteloosheid, slapeloosheid, slaperigheid;
  • autonome effecten: droge mond, zweten;
  • onthoudingsverschijnselen bij plotseling staken: misselijkheid, hoofdpijn, duizeligheid, nervositeit, agitatie, slapeloosheid [1].

Minder frequent:

  • cardiovasculaire bijwerkingen: verlenging QT-interval (citalopram en escitalopram), tachycardie, bradycardie, hypertensie [3];
  • bewegingsstoornissen: acathisie, dystonie, dyskinesie, parkinsonisme [2,4];
  • botfracturen (vooral boven de 50 jaar) [3];
  • bloedingen (o.a. in maag-darmkanaal) [3];
  • veranderde eetlust, gewichtstoename of –afname;
  • hyponatriëmie (vooral in combinatie met diuretica, bij ouderen) [3].

Meer informatie

De bijwerkingen van SSRI's berusten op remming van de heropname van serotonine (5-HT). Veelvoorkomende bijwerkingen (waaronder misselijkheid, hoofdpijn, agitatie, slapeloosheid en slaperigheid), treden vooral in de eerste week na het starten, of na een dosisverhoging op [3,4]. Bovendien kan bij het starten met SSRI’s een tijdelijke toename in angst en/of verslechtering van depressieve stemming optreden [4]. Zowel tijdens, als kort na het staken van de behandeling kan de kans op suïcide (verder) toenemen. Het risico hierop lijkt verhoogd bij bestaande suïcidale gedachten, bij een voorgeschiedenis van suïcidaliteit en bij jongvolwassenen (leeftijd onder de 25). Bij een overdosering met een fatale afloop is meestal sprake van een combinatie met andere psychotrope middelen en/of alcohol [2].

Het serotoninesyndroom is een zeldzame, potentieel dodelijke bijwerking die veroorzaakt wordt door serotonerge hyperstimulatie. Het uit zich o.a. in agitatie, tremor, myoclonus, hyperreflexie, convulsies en hyperpyrexie. Hoewel dit syndroom meestal optreedt bij gebruik van meerdere serotonerge middelen, kan het ook vóórkomen bij één serotonerg middel.

Invloed op hemostase: Bij SSRI’s is een grotere bloedingsneiging gemeld, waarschijnlijk vanwege remming van serotonine heropname door trombocyten [2,3]. Dit uit zich o.a. in maagbloedingen, waarop het risico vooral bij gelijktijdig gebruik met een NSAID verhoogd is [3].

Seksuele disfunctie: In tegenstelling tot andere veelvoorkomende bijwerkingen houden seksuele stoornissen gedurende de behandeling met SSRI’s vaak aan [2]. Het gaat hier meestal om ejaculatie- en orgasmestoornis, maar ook verminderde libido en erectiestoornis komen voor [2].

Venlafaxine heeft bij lage doseringen hetzelfde werkingsmechanisme als SSRI’s maar is bij hoge doseringen een SNRI. Het remt naast de heropname van serotonine ook de heropname van noradrenaline. Deze werking speelt (naast een zwakke dopaminerge werking) mogelijk een rol bij de cardiovasculaire bijwerkingen die bij venlafaxine voorkomen, waarvan hypertensie een belangrijke is. Ook tachycardie, hartkloppingen en QT-interval verlenging komen relatief vaak voor bij venlafaxine.

Polymorfisme: Genetische diversiteit kan een rol spelen bij de respons en doseringsbehoefte van SSRI's. Het optreden van bijwerkingen al bij lage doseringen of het uitblijven van effect bij normale doseringen kan berusten op een genetisch polymorfisme.

Het risico op onthoudingsverschijnselen is bij antidepressiva met een korte halfwaardetijd (zoals paroxetine en venlafaxine) in het algemeen groter dan bij middelen met een langere halfwaardetijd (bv. fluoxetine). Bij paroxetine, de SSRI met de meeste kans op onthoudingsverschijnselen, speelt ook mee dat het geen actieve metaboliet heeft [4].

Toepasbaarheid

Over het gebruik bij ouderen staat in het Ephor-rapport Serotonine heropnameremmers en andere 2e generatie antidepressiva (pdf 0,45 MB) meer informatie.

Literatuur:

  1. Brunton LL, et al. (eds). Goodman & Gilman’s The pharmacological basis of therapeutics. 12th ed. New York: McGraw-Hill, 2011.
  2. Aronson JK, et al. (eds). Meyler's side effects of drugs. 16th ed. Amsterdam: Elsevier, 2016.
  3. Ephor-rapport: Serotonine heropnameremmers en andere 2e generatie antidepressiva
  4. NHG-Standaard Angst (tweede herziening). Huisarts Wet 2012;55(2):68-77.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook