Samenstelling

Olanzapine Tabletten Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
2,5 mg, 5 mg, 10 mg, 15 mg, 20 mg
Toedieningsvorm
Tablet, orodispergeerbaar
Sterkte
5 mg, 10 mg, 15 mg, 20 mg

Zypadhera (als pamoaat-monohydraat) Eli Lilly Nederland

Toedieningsvorm
Poeder voor suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte (+ solvens 3 ml)
Sterkte
210 mg, 300 mg, 405 mg

Zyprexa Eli Lilly Nederland

Toedieningsvorm
Poeder voor injectievloeistof
Sterkte
10 mg
Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
2,5 mg, 5 mg, 10 mg, 15 mg, 20 mg
Toedieningsvorm
Tablet, orodispergeerbaar 'Velotab'
Sterkte
5 mg, 10 mg, 15 mg, 20 mg

De orodispergeerbare tabletten bevatten natriummethylparahydroxybenzoaat en natriumpropylparahydroxybenzoaat.

Uitleg symbolen

Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Psychosen: Bij de behandeling van acute psychosen heeft haloperidol in een lage dosering (4–10 mg/dag) op basis van effectiviteit en ervaring de voorkeur. Bij chronische beelden wordt op individuele gronden gekozen voor een klassiek antipsychoticum zoals haloperidol of een atypisch antipsychoticum, zoals olanzapine.

Manie: Bij de behandeling van een manische episode zijn lithium, valproïnezuur of klassieke of atypische antipsychotica middelen van eerste keus. Antipsychotica hebben met name bij ernstige manie de voorkeur.

Olanzapine i.m. injectievloeistof komt vooralsnog alleen in aanmerking bij patiënten die op gebruik van klassieke antipsychotica hebben gereageerd met acute dystonie.

Er is geen advies over de plaats in de medicamenteuze behandeling vastgesteld voor:

• Zypadhera;

• olanzapine oraal voor de behandeling van een matige tot ernstige manische episode en ter preventie bij bipolaire stoornis;

• olanzapine i.m. injectievloeistof voor agitatie tijdens een manische episode.

Antipsychotica worden niet aanbevolen voor de behandeling van angststoornissen, vanwege de kans op ernstige bijwerkingen als extrapiramidale stoornissen en metabool syndroom. Voor de keuze van de juiste standaardbehandeling zie Angststoornissen.

Indicaties

Oraal: Schizofrenie. Matige tot ernstige manische episode. Ter preventie van een recidief bij patiënten met bipolaire stoornis, wiens manische episode heeft gereageerd op olanzapine. I.m. injectievloeistof (Zyprexa): kortdurend gebruik voor de snelle controle van agitatie en verstoord gedrag bij schizofrenie of een manische episode indien orale therapie niet geschikt is. I.m. suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte (Zypadhera): onderhoudsbehandeling van schizofrenie bij volwassenen die voldoende zijn gestabiliseerd met oraal olanzapine.

Gerelateerde informatie

Dosering

Roken induceert het metabolisme van olanzapine; bij rokers extra controleren en verhoging van de dosering overwegen.

Wanneer meer dan één factor aanwezig is die kan leiden tot een trager metabolisme (vrouwelijk geslacht, hogere leeftijd, niet roken, eventueel relevante comedicatie) een lagere startdosering overwegen en voorzichtig zijn met dosisverhoging.

Klap alles open Klap alles dicht

Schizofrenie:

Volwassenen:

Oraal: begindosering 10 mg 1×/dag. Op basis van het klinisch beeld de dosering verder aanpassen: 5–20 mg per dag, doseringen hoger dan de startdosering mogen alleen worden toegepast na een juiste medische herbeoordeling en met intervallen van > 24 uur.

Manische episode:

Volwassenen:

begindosering 15 mg 1×/dag bij monotherapie of 10 mg per dag in combinatie met lithium of valproïnezuur. Op basis van het klinisch beeld de dosering verder aanpassen: 5–20 mg per dag, doseringen hoger dan de startdosering mogen alleen worden toegepast na een juiste medische herbeoordeling en met intervallen van > 24 uur.

Ter preventie van een recidief bij bipolaire stoornis:

Volwassenen:

begindosering 10 mg per dag. Op basis van het klinisch beeld de dosering verder aanpassen: 5–20 mg per dag, doseringen hoger dan de startdosering mogen alleen worden toegepast na een juiste medische herbeoordeling en met intervallen van > 24 uur.

Ouderen en bij lever- of nierfunctiestoornis:

een lagere dosering overwegen van bijvoorbeeld 5 mg per dag. Bij matige leverinsuficiëntie (cirrose, Child-Pughscore 5–9): startdosering 5 mg en met voorzichtigheid verhogen.

I.m. (diep intragluteaal) suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte: onderhoudsbehandeling schizofrenie na stabilisatie met oraal olanzapine

Volwassenen:

na stabilisatie op oraal 10 mg/dag: starten met i.m. 210 mg per 2 weken of 405 mg per 4 weken, vervolgens na 2 maanden onderhoudsdosering i.m. 150 mg per 2 weken of 300 mg per 4 weken; na stabilisatie op oraal 15 mg/dag: starten met i.m. 300 mg per 2 weken, vervolgens na 2 maanden onderhoudsdosering i.m 210 mg per 2 weken of 405 mg per 4 weken; na stabilisatie op oraal 20 mg/dag: starten met i.m. 300 mg per 2 weken en na 2 maanden ook onderhoudsdosering i.m 300 mg per 2 weken. Suppletie met oraal olanzapine is niet onderzocht, indien dit is aangewezen mag de gecombineerde totale dosis niet hoger zijn dan de overeenkomstige maximale dosering van 20 mg/dag oraal olanzapine. De suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte toedienen in een gezondheidsinstelling door gekwalificeerd personeel met minimaal 3 uur observatie na elke injectie.

Ouderen tot 76 jaar en bij een verminderde nier- en/of leverfunctie:

een lagere startdosis overwegen. Bij een matige leverinsufficiëntie in elk geval starten met 150 mg per 4 weken. Bij > 1 factor voor een vertraagde eliminatie (vrouwelijk geslacht, oudere, niet-rokerstatus) een verlaging van de dosis overwegen.

I.m. injectievloeistof: snelle controle agitatie en verstoord gedrag:

Volwassenen:

begindosering 10 mg i.m., op basis van individuele klinische toestand kan een lagere dosis (5 mg of 7½ mg) worden gegeven; zonodig na 2 uur een tweede injectie à 5–10 mg; max. 20 mg (incl. oraal) verdeeld over max. 3 injecties per dag, gedurende max. 3 opeenvolgende dagen.

Ouderen > 60 jaar:

begindosering 2,5–5 mg i.m., afhankelijk van de klinische toestand na 2 uur een tweede injectie à 2,5–5 mg; max. 3 injecties per dag. Verminderde nier- en/of leverfunctie: lagere begindosis (5 mg) overwegen. Bij een matige leverinsufficiëntie in elk geval starten met 5 mg.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): slaperigheid, orthostatische hypotensie, gewichtstoename en bij de ziekte van Parkinson verergering van Parkinsonsymptomen en hallucinaties. Gewichtstoename ≥ 7% bij 22% na kortetermijnbehandeling en na langdurige blootstelling (ten minste 48 weken) van ≥ 7%, ≥ 15% en ≥ 25% bij respectievelijk 64,4% , 31,7% en 12,3% . Abnormale loop en vallen bij Alzheimer-patiënten. Verhoging van de plasmaprolactinespiegel (bij 30%) met soms gynaecomastie, borstvergroting, galactorroe en seksuele stoornissen (erectiestoornis, verminderd libido).

Vaak (1-10%): eosinofilie, leukopenie, neutropenie, toegenomen eetlust, verhoogde glucosespiegels, verhoogde triglyceriden- en cholesterolspiegels, glucosurie, lichte, voorbijgaande anticholinergische effecten zoals obstipatie en droge mond; orthostatische hypotensie, duizeligheid, acathisie, parkinsonisme, dyskinesie, asthenie, moeheid, oedeem, koorts. Gewrichtspijn. Voorbijgaande stijging van levertransaminasewaarden. Stijging van de creatinekinasespiegel, verhoogde alkalische fosfatase. hoge γ-glutamyltransferase, hoog urinezuur, (Huid)uitslag. Pneumonie, temperatuurverhoging, lethargie, erytheem, visuele hallucinaties en urine-incontinentie bij Alzheimer-patiënten.

Soms (0,1-1%): overgevoeligheid, ontwikkeling of een verergering van een bestaande diabetes in enkele gevallen geassocieerd met ketoacidose of coma, waaronder enkele met een fatale afloop, convulsies, dystonie, tardieve dyskinesie, dysartrie, bradycardie, QT-verlenging, trombo-embolie (incl. longembolie en diepveneuze trombose), epistaxis, opgezwollen buik, fotosensibilisatie, haaruitval, urine-incontinentie, urineretentie, vertraagde urinelozing. verhoogd totaal bilirubine.

Zelden (0,01-0,1%): trombocytopenie, onderkoeling, neuroleptisch maligne syndroom, ontwenningsverschijnselen, ventriculaire tachycardie/fibrillatie, plotselinge dood, hepatitis, pancreatitis, rabdomyolyse, priapisme.

Verhoogde mortaliteit en cerebrovasculaire bijwerkingen zijn gemeld bij ouderen met dementie. Verder zijn gemeld: neonataal geneesmiddel onttrekkingssyndroom, geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS).

Na toediening i.m. injectievloeistof: Vaak: irritatie op injectieplaats, bradycardie, tachycardie, hypotensie. Bij de behandeling van een manische episode werd in combinatie met valproïnezuur een incidentie van 4,1% neutropenie gemeld;

Soms: sinuspauze, hypoventilatie.

In combinatie met lithium of valproïnezuur: zeer vaak een toename van tremor, droge mond en een toename van eetlust en gewicht; vaak een spraakstoornis.

Na toediening i.m. suspensie met gereguleerde afgifte: vaak pijn op de injectieplaats, minder vaak andere reacties en zelden abces op de injectieplaats; verder is gemeld: het post-injectie syndroom met symptomen van sedatie, delirium en overdosering.

Interacties

Carbamazepine versnelt de eliminatie van olanzapine door inductie van CYP1A2. Krachtige remmers van CYP1A2 (fluvoxamine, ciprofloxacine), kunnen de klaring verminderen, waardoor een lagere (begin)dosering moet worden overwogen. Parenteraal benzodiazepine en i.m. olanzapine niet gelijktijdig gebruiken, vanwege de het risico van overmatige sedatie, cardiorespiratoire depressie en zelden dood; na i.m. olanzapine parenteraal benzodiazepine slechts met een interval van ten minste één uur toedienen; na de benzodiazepine i.m. olanzapine pas toedienen na zorgvuldige evaluatie en onder monitoring. Combinatie met antihistaminica, antidepressiva, barbituraten, slaapmiddelen, analgetica, opiaten of alcohol versterkt de sederende werking. De werking kan worden verminderd van levodopa en dopamine-agonisten. Valproïnezuur kan de plasmaconcentratie van olanzapine verlagen; verder zijn er bij gelijktijdig gebruik met valproïnezuur bij kinderen aanwijzingen voor een grotere hepatotoxiciteit. Bij combinatie met valproïnezuur is vaak neutropenie gemeld. Het bloeddrukverlagend effect van labetalol en andere α-blokkerende sympathicolytica en centraal werkende antihypertensiva kan worden versterkt.

Zwangerschap

Teratogenese: Bij de mens onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid.
Farmacologisch effect: Neonatale ontwenningsverschijnselen en reversibele extrapiramidale symptomen zijn waargenomen na blootstelling aan antipsychotica in het 3e trimester van de zwangerschap.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken. Kinderen van moeders die gedurende het 3e trimester olanzapine gebruikten, controleren op tremor, spierstijfheid of -zwakte, slaperigheid, agitatie, ademhalings- en voedingsproblemen.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja, gemiddelde blootstelling in steady-state wordt geschat op 1,8 % van de maternale olanzapinedosis (mg/kg).
Advies: Het geven van borstvoeding wordt ontraden.

Contra-indicaties

Bij risico van nauwe-kamerhoekglaucoom.

Waarschuwingen en voorzorgen

Het gebruik kan leiden tot verminderd reactie- en concentratievermogen. Vele dagelijkse bezigheden (bv. autorijden) kunnen daarvan hinder ondervinden. Bij mensen met een gestoorde leverfunctie of verhoogde levertransaminasewaarden, periodiek controleren (ALAT en ASAT). Bij hepatitis de behandeling staken. Het risico van tardieve dyskinesie neemt toe bij langdurige therapie. Bij optreden van de eerste symptomen hiervan de dosering verminderen of de therapie staken. Na stoppen kunnen deze symptomen tijdelijk verergeren of zelfs nog ontstaan. Bij symptomen van neuroleptisch maligne syndroom of bij onverklaarde hoge koorts de toediening staken. Bij staken de dosering bij voorkeur geleidelijk verminderen omdat bij abrupt stoppen zeer zelden acute symptomen (transpiratie, tremor, angst, maag-darmklachten) zijn gemeld. Voorzichtigheid is geboden bij prostaathypertrofie of paralytische ileus en verwante aandoeningen, vanwege de anticholinerge werking en omdat klinische ervaring bij comorbiditeit ontbreekt. Het gebruik wordt niet aanbevolen bij geneesmiddel-geïnduceerde psychose bij de ziekte van Parkinson, omdat werkzaamheid niet is aangetoond en zeer vaak een verergering van Parkinsonsymptomen en hallucinaties is gemeld. Het gebruik wordt evenmin aanbevolen bij aan dementie gerelateerde psychose en/of gedragsstoornissen door meer kans op sterfte en CVA. Bij ouderen boven 65 jaar wordt aangeraden regelmatig de bloeddruk te meten. Bij alle gebruikers is glucose controle aangewezen bij de start van de medicatie, na 12 weken en vervolgens jaarlijks. Bij (risicofactoren voor) diabetes mellitus regelmatig glucose controleren op tekenen van verslechtering evenals regelmatige controle op gewicht, bijvoorbeeld bij de start van de medicatie, na 4, 8 en 12 weken en vervolgens iedere kwartaal. Regelmatige controle op lipiden is aangewezen bij alle gebruikers, bv. bij de start van de medicatie, na 12 weken en vervolgens iedere 5 jaar. Bij (risicofactoren voor) lipidenstoornissen, veranderingen in lipiden reguleren. Voorzichtigheid is geboden bij (risicofactoren voor) convulsies en beenmergdepressie, en bij een laag aantal leukocyten en/of neutrofielen, hypereosinofilie, myeloproliferatieve ziekten. De kans op plotselinge hartdood is verdubbeld vergeleken met patiënten die geen (atypische) antipsychotica gebruiken. Voorzichtigheid is geboden met middelen die het QTc-interval verlengen, vooral bij ouderen, het congenitaal lange QT-tijd syndroom (LQTS), congestief hartfalen, hypertrofie van het hart, hypokaliëmie, hypomagnesiëmie. Roken versnelt de eliminatie van olanzapine. Dit middel kan door pupilverwijding de oogdruk verhogen en een aanval van acuut glaucoom veroorzaken. Niet i.m. toedienen bij instabiele medische condities als acuut myocardinfarct, instabiele angina pectoris, ernstige hypotensie en/of bradycardie, sick-sinussyndroom of na een operatie. I.m. toediening is niet onderzocht bij alcohol- of geneesmiddelenintoxicatie. Met name de eerste twee tot vier uur na i.m. toediening van de injectievloeistof is observatie voor hypotensie aangewezen. Na toediening van de suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte is vanwege kans op het postinjectiesyndroom (met tekenen van overdosering) minimaal 3 uur observatie in een gezondheidsinstelling aangewezen; voor verlaten van de gezondheidsinstelling klachten of symptomen van overdosering uitsluiten. Verder moet de patiënt ook de rest van de dag bedacht zijn op symptomen van overdosis en niet auto te rijden of machines bedienen. Olanzapine niet gebruiken bij kinderen en adolescenten (< 18 jaar) vanwege een gebrek aan gegevens over veiligheid en werkzaamheid; vergeleken met volwassenen is een grotere mate van gewichtstoename en veranderingen in lipiden en prolactine gemeld. De injectie met gereguleerde afgifte is niet aanbevolen bij mensen > 75 jaar.

Overdosering

Symptomen
Tachycardie, agitatie, dysartrie, extrapiramidale symptomen, verminderd bewustzijn, variërend van sedatie tot coma. Dodelijke afloop is gemeld na acute overdosis vanaf 450 mg, maar ook overleving na acute overdosis van 2000 mg oraal.

Eigenschappen

Antipsychoticum met een blokkerende werking op receptoren voor serotonine (o.a. 5-HT2A/2C en 5-HT3), dopamine (D1t/m5), muscarine (m1t/m5), adrenerge (α1) en histamine (H1). De orodispergeerbare tablet is bio-equivalent aan de omhulde tablet. De orodispergeerbare tablet lost snel op in het speeksel en kan gemakkelijk worden ingeslikt. Na i.m. suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte begint de langzame desintegratie van olanzapinepamoaatzout in spierweefsel, wat zorgt voor een continue afgifte van olanzapine gedurende meer dan 4 weken; na 8–12 weken wordt de afgifte steeds minder, na 6–8 maanden is deze voltooid.

Kinetische gegevens

T maxoraal 5–8 uur; i.m. 15–45 min.
Eiwitbinding93%.
Metaboliseringin de lever via CYP1A2 en CYP2D6 tot significant minder actieve metabolieten.
Eliminatievia de nieren (60%).
T 1/2eloraal, i.m.: 30 uur, bij gestoorde leverfunctie en hoge leeftijd tot 50 uur; i.m. met gereguleerde afgifte 30 dagen.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

olanzapine hoort bij de groep antipsychotica, atypische.

olanzapine vergelijken met een ander geneesmiddel

Zie ook