Advies

Geef bij een psychose zonder agitatie een antipsychoticum op basis van oorzaak van de psychose, effectiviteit, bijwerkingen en toedieningsvorm (voorkeur olanzapine bij schizofreniespectrum).

Geef een benzodiazepine als agitatie de overhand heeft. Indien dit niet mogelijk is, geef (als noodmedicatie) de combinatie haloperidol en promethazine.

Therapieresistente psychose kan, na gebruik van achtereenvolgens twee verschillende antipsychotica, met clozapine worden behandeld. Hierbij is intensieve leukocytencontrole geïndiceerd vanwege het risico van agranulocytose.

Behandelplan

  1. Bespreek niet-medicamenteus beleid

    • zorg voor eigen veiligheid, veiligheid van de patiënt en omstanders;
    • pas bij agitatie de-escalerende technieken toe door gecontroleerd en kalm aan te spreken en de patiënt in zijn waarde te laten;
    • vraag naar bezit van een crisiskaart;
    • geef uitleg over het ziektebeeld aan patiënt en diens naasten;
    • maak een individueel zorgplan;
    • geef altijd psycho-educatie;
    • bied altijd cognitieve gedragstherapie en eventueel gerichte (familie-)interventies aan, zoals o.a. cognitieve remediatietrainingen, psychomotorische therapie, EMDR;
    • behandel eventueel onderliggende oorzakelijke factoren;
    • besteed aandacht aan leefstijlproblemen, relaties, zelfbeschadiging en suïcidaliteit en maatschappelijk herstel.

    Toelichting

    Psychologische interventies zijn het meest effectief in combinatie met antipsychotica [6].

    De belangrijkste eerste interventie bij een patiënt met een psychose, is het winnen van het vertrouwen dat nodig is voor het opbouwen van een behandelrelatie. Gebrek aan ziekte-inzicht maakt dit moeilijk. Kom bij agitatie niet ongevraagd te dicht in de buurt van de patiënt. Psychiatrische patiënten kunnen een crisiskaart op zak hebben waarop staat hoe diegene bij een terugval behandeld wil worden [8].

    Betrek naasten van de patiënt actief bij de behandeling. Psycho-educatie dient geïndividualiseerd te zijn. Afhankelijk van de oorzaak van de psychotische stoornis (schizofrenie, bipolaire stoornis, drugs, somatisch ziek zijn) kunnen verschillende niet-medicamenteuze interventies worden ingezet. Zie hiervoor de GGZ Zorgstandaard Psychose [4].

    Cognitieve gedragstherapie (CGT) leidt tot vermindering van psychiatrische symptomen tot 12 maanden na de behandeling [1]. Het is aangetoond dat CGT in vergelijking met standaardzorg ook hallucinaties vermindert, en daarnaast leidt tot afname van negatieve en depressieve symptomen tot 12 maanden na de behandeling. CGT heeft geen of inconsistente effecten op zelfwaardering, sociaal functioneren en ziekte-inzicht [1].

  2. Start zo snel mogelijk een antipsychoticum (klassiek of atypisch)

    • olanzapine oraal of i.m. (voorkeur bij schizofreniespectrum)

    Zie voor meer informatie over de keuze voor een antipsychoticum de Toelichting.

    Evalueer na 2, 4, en 6 weken effectiviteit en bijwerkingen en beoordeel therapietrouw (eventueel m.b.v. spiegelbepaling).

    Overweeg antipsychoticum af te bouwen als psychotische symptomen minimaal 6 maanden weg zijn. Bij patiënten die meerdere psychosen hebben gehad, is de kans groot dat de symptomen terugkeren na afbouwen van de medicatie [4]. Bij keuze voor langdurige behandeling zet om naar onderhoudsbehandeling.

    Als agitatie de overhand heeft:

    Ga naar de volgende stap bij onvoldoende effect na 6 weken of onacceptabele bijwerkingen van antipsychoticum.

    Let op

    Geef geen haloperidol bij gelijktijdig cocaïnegebruik [7]. Volgens www.toxicologie.org kan de toepassing van haloperidol bij cocaïnegebruik hyperthermie en rabdomyolyse uitlokken.

    Toelichting

    Antipsychotica werken doorgaans goed tegen psychotische symptomen. De keuze wordt bepaald op basis van effectiviteit, bijwerkingen, contra-indicaties en de toedieningsvorm van het medicijn [4]. T.a.v. de effectiviteit bij psychotische symptomen is clozapine effectiever dan andere antipsychotica maar wordt het niet als eerste keuze voorgeschreven wegens meer kans op agranulocytose [1,4]. Olanzapine en amisulpiride zijn, volgens de GGZ-zorgstandaard (2017), na clozapine relatief effectieve antipsychotica, in vergelijking tot middelen zoals risperidon, quetiapine, haloperidol en aripiprazol [4]. Clozapine en olanzapine zijn volgens de NVvP richtlijn Schizofrenie (2012) werkzamer (efficacy) dan andere antipsychotica, met name bij de behandeling van positieve symptomen. De andere antipsychotica verschillen niet veel van elkaar wat betreft de effectiviteit op positieve symptomen [1]. Volgens het boek Acute psychiatrie (2017) heeft olanzapine de voorkeur bij het schizofreniespectrum. Amisulpride is naast olanzapine eerste keus maar is (nog) niet geregistreerd. Risperidon en clozapine zijn de volgende keuzen op basis van effectiviteit en bijwerkingen [10].

    In het Ephor-rapport over antipsychoticagebruik bij kwetsbare ouderen wordt geen algemene voorkeur gegeven. Dit wordt wel aangegeven bij de indicatie ‘probleemgedrag bij dementie’, waaronder een psychose. Hier wordt de voorkeur gegeven aan haloperidol of risperidon [5]. Bij de indicatie ‘probleemgedrag of delier bij de ziekte van Parkinson of Lewy-body-dementie’ gaat de voorkeur uit naar clozapine [5].

    De bijwerkingen van antipsychotica kunnen sterk verschillen. Ga na welke bijwerkingen voor de patiënt aanvaardbaar zijn en kies voor een toedieningsweg die bij de patiënt past (dagelijkse inname of depot). Penfluridol kan bijvoorbeeld als oraal depot gegeven worden als dagelijkse orale inname van medicatie niet lukt en de patiënt geen injecties wil. Houd rekening met het risicoprofiel van de patiënt zoals hart- en vaatziekten, leverfunctie, etniciteit, roken en zwangerschap [4].

    De GGZ Zorgstandaard raadt aan om bij een eerste psychose met een zo laag mogelijke dosering te starten (haloperidol equivalent 1 mg) en dit zo nodig langzaam op te hogen. De standaard meldt dat een dosering van 1-2 mg haloperidol equivalent vaak voldoende is. Bij recidiverende psychosen kan de dosering hoger liggen dan de eerste [4]. Bij uitblijven van enig effect is het advies om de dosering na 1 tot 2 weken te verhogen, tenzij bijwerkingen dit onwenselijk maken [4].

    Benzodiazepinen: Als orale medicatie wordt geaccepteerd zijn diazepam, lorazepam en temazepam goede keuzes [8]. Midazolam i.m. is het effectiefste maar de parenterale toediening van midazolam moet in aanwezigheid van monitoring- en reanimatiefaciliteiten plaatsvinden vanwege meer kans op ademhalingsdepressie. Zonder deze voorzieningen is clorazepinezuur i.m. of lorazepam i.m. eerste keus. Diazepam in intramusculaire vorm is obsoleet vanwege onvoorspelbare resorptie [8]. Het boek Acute psychiatrie geeft bij agitatie ook de voorkeur aan lorazepam oraal of i.m. [10]. Ephor geeft bij kwetsbare ouderen de voorkeur aan lorazepam, oxazepam en bromazepam. Lorazepam heeft bij ouderen geen verlengde eliminatiehalfwaardetijd [9].

    Als noodmedicatie bij een psychose met acute agitatie wordt de combinatie haloperidol met promethazine aanbevolen oraal of i.m. [4,7,8,10]. Het is aangetoond dat de toevoeging van promethazine aan haloperidol het risico op een mogelijk levensbedreigende acute dystonie verlaagt [1,8]. Volgens het leerboek Acute psychiatrie (2017) is tweede keus bij deze indicatie olanzapine oraal of i.m. [10].

  3. Schakel over naar ander antipsychoticum (klassiek of atypisch)

    Raadpleeg de switchtabel van Psychiatrienet.

    Evalueer na 2, 4, en 6 weken effectiviteit en bijwerkingen en beoordeel therapietrouw (eventueel m.b.v. spiegelbepaling). Overweeg depotpreparaat.

    Overweeg antipsychoticum af te bouwen als psychotische symptomen minimaal 6 maanden weg zijn. Bij patiënten die meerdere psychosen hebben gehad, is de kans groot dat de symptomen terugkeren na afbouwen van de medicatie [4]. Bij keuze voor langdurige behandeling zet om naar onderhoudsbehandeling.

    Ga naar de volgende stap bij onvoldoende effect na 6-12 weken of onacceptabele bijwerkingen.

  4. Schakel over naar clozapine

    Raadpleeg ook www.clozapinepluswerkgroep.nl.

    Evalueer na 2, 4, en 8 weken en na 4 maanden effectiviteit en bijwerkingen.

    Controleer bloedbeeld en bepaal zo nodig spiegel.

    Overweeg antipsychoticum af te bouwen als psychotische symptomen minimaal 6 maanden weg zijn. Bij patiënten die meerdere psychosen hebben gehad, is de kans groot dat de symptomen terugkeren na afbouwen van de medicatie [4]. Bij keuze voor langdurige behandeling zet om naar onderhoudsbehandeling.

    Ga naar de volgende stap bij onvoldoende effect na 4 maanden of onacceptabele bijwerkingen.

    Let op

    Intensieve leukocytencontrole is geïndiceerd bij gebruik van clozapine vanwege het risico op agranulocytose. Zie voor meer informatie www.clozapinepluswerkgroep.nl.

    Wegens het risico op ademhalingsdepressie is het onwenselijk om clozapine te combineren met een benzodiazepine [4].

    Toelichting

    Zowel de NVvP multidisciplinaire richtlijn Schizofrenie (2012) als GGZ Zorgstandaard (2017) en boek Acute psychiatrie (2017) hebben als aanbeveling om, als twee antipsychotica die na elkaar gebruikt zijn, onvoldoende effect hebben gehad, clozapine de beste optie is [1,4,10]. Verwijs de patiënt en diens naasten eventueel naar www.clozapinepluswerkgroep.nl. Een korte instructie geschreven door de clozapinewerkgroep is als bijlage te vinden in de GGZ Zorgstandaard via deze link.

  5. Pas voorzichtig het beleid aan

    Overweeg de volgende (minder onderbouwde) opties:

    • Voeg middel toe:
      • ander antipsychoticum of
      • SSRI of
      • anti-epilepticum

    Evalueer na 2, 4, en 10 weken effectiviteit en bijwerkingen. Stop bij onvoldoende effect.

    • Specifieke behandelingen zoals:
      • repetitieve transcraniële magnetische stimulatie (rTMS) bij auditieve hallucinaties die niet verdwijnen door antipsychotica;
      • elektroconvulsietherapie (ECT) bij aanhoudende katatonie en ernstige symptomen ondanks minimaal twee antipsychotica en clozapine.

    Toelichting

    Er is geen goede onderbouwing voor behandeling wanneer ook clozapine onvoldoende effect heeft op psychotische symptomen. Wees terughoudend met toevoegen van medicatie. De Multidisciplinaire richtlijn Schizofrenie (2012) heeft als aanbeveling om bij onvoldoende effect van clozapine een ander, tweede antipsychoticum toe te voegen of om de additie van lamotrigine, memantine of lithium te overwegen. Bij negatieve restsymptomen heeft de richtlijn de aanbeveling om mirtazapine aan het antipsychoticum toe te voegen of lamotrigine aan clozapine toe te voegen [1]. Wees bedacht op onnodige polyfarmacie.

    Repetitieve transcraniële magnetische stimulatie (rTMS) heeft geen duidelijk effect op wanen, waardoor de behandeling geen vervanging kan zijn voor antipsychotica [4]. rTMS heeft weinig bijwerkingen. Een psychotische stoornis is in het algemeen geen indicatie voor elektroconvulsietherapie (ECT) omdat het een ingrijpende methode is en minder effectief dan antipsychotica. Een (acute) indicatie voor ECT kan zijn het optreden van katatonie die onvoldoende reageert op benzodiazepinen en wanneer antipsychotica onvoldoende effect hebben en klinische verbetering op korte termijn nodig is [4]. Zie voor meer informatie de GGZ Zorgstandaard Psychose.

Met cariprazine is de ervaring relatief beperkt, waardoor eventueel aanwezige ernstige zeldzame bijwerkingen nog niet naar voren kunnen zijn gekomen. Op de voorgrond staan met name acathisie en gewichtstoename.

Achtergrond

Definitie

Een psychose is een psychiatrische aandoening waarbij het ‘normale’ contact met de werkelijkheid verloren is; hierbij verstoord zijn zowel de waarneming, het denken als emoties [1,3,4].

Een psychose kan voorkomen als onderdeel van een psychotische stoornis zoals bij schizofrenie (schizofreniespectrum), of bij een depressie of een bipolaire stoornis met psychotische kenmerken. Bij deze ziekten is er geen specifieke of direct causale oorzaak van de psychose, de psychose is onderdeel van de ziekte [2,4].

Een psychose kan ook uitgelokt worden, zoals bij het gebruik (overdosering) of onthouding van alcohol, cannabis, cocaïne en amfetaminen en bij gebruik van geneesmiddelen zoals anticonvulsiva, anesthetica en anticholinerge middelen. Medische ziekten zoals neurologische neoplasma’s, MS, hypo-/hyper(para)thyreoïdie, metabole aandoeningen en elektrolytenstoornissen kunnen eveneens een psychose veroorzaken [1,2]. Differentieer een psychose van een delier.

Deze indicatietekst gaat in op de behandeling van een psychose door een psychiatrische aandoening.

De GGZ Zorgstandaard beschrijft een globale klinische stagering van psychose [4]:

  • Stadium I ‘ultra high risk’ (UHR): patiënten hebben een ultra-hoog risico op psychose, met subklinische psychotische kenmerken en/of een zeer kortdurende psychose achter de rug en/of hebben een familiair risico. In alle gevallen moet er sprake zijn van recente achteruitgang van sociaal-maatschappelijk functioneren.
  • Stadium II Eerste psychose: patiënten maken voor het eerst een psychose door, met minimaal één week psychotische symptomen die gepaard zijn aan lijdensdruk en verminderd functioneren.
  • Stadium III Episodisch verloop: onvolledige remissie (patiënt houdt last van de symptomen), relaps/terugval (psychose komt terug na aanvankelijk volledige remissie) of recidief (patiënt maakt na een periode van remissie opnieuw een psychose door). Er is sprake van een terugkerend patroon van psychotische episoden in combinatie met een terugval in functioneren.
  • Stadium IV Aanhoudende ernstige problematiek: chronische symptomen en beperkingen. Er zijn meerdere recidieven doorgemaakt of de psychose is chronisch geworden. Patiënten hebben te maken met langdurige achteruitgang in functioneren of ernstige aanhoudende ziekte met chronische symptomen en functionele handicaps.

Een psychotische stoornis kan zich in de loop der tijd gunstig ontwikkelen, waardoor er bijvoorbeeld van stadium IV naar III kan worden gegaan. Zie ook de GGZ Zorgstandaard Psychose [4].

Symptomen

Kenmerkende symptomen van een psychose zijn [1-4]:

  • hallucinaties;
  • wanen;
  • onsamenhangend denken en spreken (formele denkstoornis);
  • ernstig gedesorganiseerde of abnormale motorische functies (bizarre bewegingsstoornissen, inclusief katatonie);
  • negatieve symptomen (zoals verminderde emotionele uitdrukking en anhedonie);
  • angst, agitatie, agressiviteit;
  • motivatieproblemen;
  • opwinding;
  • depressie;
  • emotionele labiliteit.

Het begin van een psychose kan sluipend zijn, of acuut – na een belangrijke gebeurtenis. Het ziektebeeld is veranderlijk en het is niet ongebruikelijk dat de diagnose in een later stadium wordt gewijzigd van bijvoorbeeld drugspsychose naar schizofrenie [1].

Behandeldoel

Doel van de behandeling is symptoombestrijding en persoonlijk en maatschappelijk herstel van de patiënt, waarbij zelfmanagement zoveel mogelijk wordt bevorderd [4].

Uitgangspunten

Een eerste psychose ontstaat vaak in de adolescentie of jongvolwassenheid, een periode waarin identiteit, onafhankelijkheid en relaties zich ontwikkelen. Een psychose bedreigt dit ontwikkelingsproces, met sociale en maatschappelijke gevolgen. Het herstel van een psychose gaat moeizamer naarmate het langer duurt voordat de behandeling begint. Vroege herkenning, diagnose en behandeling zijn daarom van belang voor de patiënt en ook diens naasten. Hoe eerder de behandeling wordt begonnen, hoe beter de prognose en hoe minder kans op een chronisch beloop (stadium IV) [1,4]. Onderliggende schade aan het centrale zenuwstelsel kan de uitkomst van een psychose verslechteren. Sluit de diagnosen delier en dementie uit [1].

Voor uitgebreide informatie over psychose, oorzaken en risicofactoren op het ontwikkelen van een psychose en informatie over (preventie van) terugval, zie de GGZ Zorgstandaard Psychose [4].

Behandeling bestaat uit niet-medicamenteuze handelingen en medicatie. Psychologische interventies zijn het meest effectief in combinatie met antipsychotica [6]. Bij psychotische symptomen dient cognitieve gedragstherapie altijd te worden aangeboden. Afhankelijk van de symptomen en wensen van de patiënt en dienst naasten kunnen ook andere niet-medicamenteuze interventies gepleegd worden. Zie voor meer informatie hierover de GGZ Zorgstandaard Psychose [4] en de NVvP multidisciplinaire richtlijn Schizofrenie [1].

Bij een acute psychose waarbij opwinding en onrust de bovenhand hebben, wordt vaak gestart met een benzodiazepine om de patiënt te kalmeren. Bij onvoldoende effect kan haloperidol met promethazine gegeven worden. De toevoeging van promethazine verlaagt het risico op een mogelijk levensbedreigende acute dystonie [1,8].

Antipsychotica zijn de hoeksteen van medicamenteuze behandeling van psychosen in de minder acute setting. Het effect van antipsychotica op positieve symptomen zoals hallucinaties, wanen en denkstoornissen berust op blokkade van de centrale dopamine D2-receptoren. Antipsychotica zijn het meest effectief in het verbeteren van psychotische symptomen zoals hallucinaties en wanen maar hebben minder effect op de negatieve en cognitieve symptomen [3]. Bij onvoldoende effect van antipsychotica heeft een deel van de patiënten nog baat bij gebruik van clozapine waardoor het, ondanks de toegenomen kans op agranulocytose een belangrijke plaats heeft in de behandeling van therapieresistente psychosen.

Antipsychotica werken doorgaans goed tegen psychotische symptomen. De keuze wordt bepaald op basis van effectiviteit, bijwerkingen, contra-indicaties, eerdere ervaring met een antipsychoticum en de toedieningsvorm van het medicijn [4].

Bijwerkingen

Binnen de antipsychotica zijn er grote verschillen in bijwerkingen. De belangrijkste bijwerkingen zijn onder andere extrapiramidale verschijnselen, (waaronder Parkinsonisme en tardieve dyskinesie), sedatie, gewichtstoename, seksuele functiestoornissen en cardiale bijwerkingen. Let daarom bij het maken van een keuze voor een specifiek antipsychoticum ook goed op het bijwerkingenprofiel [1]. Een overzicht met rangordes van antipsychotica per bijwerkingen is te vinden op de GGZ Zorgstandaard Psychose.

Probeer zo laag mogelijk te doseren, monitor de patiënt, voeg eventueel medicatie toe om de bijwerkingen te bestrijden en wissel zo nodig van antipsychoticum met gebruik van de switchtabel van Psychiatrienet. Betrekking van familie/naasten kan het medicatiegebruik ten goede komen.

Toedieningsvorm

Doordat cognitieve stoornissen, gebrek aan structuur, verminderd ziekte-inzicht en beperkte sociale steun vaak voorkomen bij psychotische stoornissen, en antipsychotica vervelende bijwerkingen kunnen hebben, is er veel kans op inadequaat medicatiegebruik. Langdurig werkende - en depotpreparaten kunnen de voorkeur hebben / overwogen worden om therapietrouw te bevorderen. Het is echter niet wetenschappelijk aangetoond dat depotpreparaten een voordeel hebben boven orale preparaten [4]. Bij langdurige behandeling en gebrek aan ziekte-inzicht en/of (dreigend) gevaar kunnen antipsychotica in een depotvorm geïndiceerd zijn [1].

Bijkomende symptomen

  • Negatieve symptomen: antipsychotica kunnen negatieve symptomen een klein beetje verminderen maar door de sterke blokkade van dopaminereceptoren kunnen negatieve symptomen ook juist worden versterkt. In dat geval bieden dosisverlaging en/of switchen naar een ander antipsychoticum met minder affiniteit voor dopaminereceptoren uitkomst.
  • Cognitieve symptomen: antipsychotica hebben geen duidelijk effect op cognitieve symptomen en zouden zelfs de symptomen kunnen verergeren.
  • Affectieve symptomen: zie voor de behandeling van depressieve of manische symptomen (bipolaire stoornis) de desbetreffende richtlijnen.
  • Acute opwinding: antipsychotica en benzodiazepinen zijn effectief als medicamenteuze behandeling van een acute opwindingstoestand. Buiten een noodsituatie worden benzodiazepinen wel eens voorgeschreven om de tijd te overbruggen totdat het effect van het antipsychoticum wordt gemerkt. Let ook in combinatie met antipsychotica op bijwerkingen en bouw op tijd af om gewenning te voorkomen.

Evaluatie en medicatie monitoring

Evalueer regelmatig medicatiegebruik (werking, bijwerkingen, doseringsvorm). De GGZ Zorgstandaard Psychose heeft als aanbeveling om monitoring van medicatiegebruik en somatische screening uit te voeren: voorafgaand aan de start van het antipsychoticum, 1, 2, 3 en 6 maanden daarna en vervolgens minimaal eens per jaar. Op de website staan stroomschema’s voor systematische medicatie-monitoring en aandachtspunten bij de onderhoudsbehandeling met clozapine: GGZ Zorgstandaard Psychose. Psychologische toestand dient uiteraard ook te worden gemonitord.

Afbouwen van antipsychotica

De kans op een nieuwe psychose en (her)opname is kleiner als een antipsychoticum na de eerste psychose langere tijd wordt door gebruikt. Bij doorgaan met medicatie de laagst mogelijke onderhoudsdosering geven. Geleidelijk afbouwen van medicatie is te overwegen bij patiënten met een eerste episode, bij wie psychotische symptomen minimaal 6 maanden weg zijn [4,11]. Er zijn aanwijzingen dat het afbouwen van het antipsychoticum het functioneren op lange termijn positief beïnvloedt. De GGZ Zorgstandaard beschrijft dat na afbouwen, de kans dat psychotische symptomen de eerste 18 maanden weg blijven kleiner is dan 50%. Bij mensen die meerdere psychosen hebben doorgemaakt is de kans dat de psychotische symptomen weg blijven na afbouwen van medicatie erg klein [4].

Tegelijkertijd kan afbouwen van antipsychotica het functioneren op lange termijn positief beïnvloeden. Overleg met de patiënt en diens naasten. Indien wordt gekozen om af te bouwen, doe dit geleidelijk aan (weken tot maanden) en begeleid met een terugvalpreventieplan en frequente behandelcontroles, met name in de eerste 3 maanden; er is kans op onthoudingsverschijnselen, zoals dyskinesie en rebound acathisie. Bij een anticholinerge werking kan een cholinerge rebound optreden, zoals zweten, tremor, angst, slapeloosheid en maag-darmklachten.

Bij abrupt staken (bijvoorbeeld bij agranulocytose) kunnen opnieuw psychotische symptomen optreden [4].

Naast antipsychotica kunnen behandelingen zoals repetitieve transcraniële magnetische stimulatie (rTMS) en elektroconvulsietherapie (ECT) een rol spelen. Zie voor de indicaties en voor meer informatie de GGZ Zorgstandaard Psychose.

Voor informatie over terugvalpreventie en voorkomen heropnamen zie het hoofdstuk psychosociale behandeling van de GGZ Zorgstandaard Psychose.

Geneesmiddelen

antipsychotica, atypischeToon kosten

antipsychotica, klassiekeToon kosten

dopamine-antagonistenToon kosten

Literatuur

  1. Nederlandse vereniging voor Psychiatrie (NVvP) Multidisciplinaire richtlijn Schizofrenie, 2012. Via de Richtlijnendatabase.
  2. American Psychiatric Association, Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders DSM-5, fifth edition, 2013.
  3. Marder S, Davis M. Clinical manifestations, differential diagnosis, and initial management of psychosis in adults, 2017. Geraadpleegd via uptodate.com in februari 2018.
  4. GGZ Zorgstandaard Psychose, 2017. Geraadpleegd in februari 2018.
  5. Ephor Geneesmiddelbeoordeling voor de kwetsbare oude patiënt in het Farmacotherapeutisch Kompas. Rapport Antipsychotica (pdf 0,6 MB), 2012.
  6. NICE Clinical Guideline. Psychosis and schizophrenia in adults: prevention and management, 2014.
  7. NHG behandelrichtlijn Farmacotherapeutische richtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties, 2012 (in herziening).
  8. van Vugt AB, Gaakeer MI, Henny W, et al,. Leerboek acute geneeskunde, probleemgerichte aanpak. Derde, licht gewijzigde, druk, 2017.
  9. Ephor Geneesmiddelbeoordeling voor de kwetsbare oude patiënt in het Farmacotherapeutisch Kompas. Rapport Anxiolytica (pdf 0,3 MB), 2011.
  10. Nederlandse vereniging voor Psychiatrie (NVvP), Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten, De Jonge Psychiater, Acute psychiatrie, 2017.
  11. Kwaliteitsontwikkeling GGZ. EBRO module Vroege psychose, 2017. Geraadpleegd via ggzstandaarden.nl in juni 2018.

Zie ook