ceftriaxon

Samenstelling

Ceftriaxon (als di-Na-zout) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Poeder voor oplossing voor injectie/infusie
Sterkte
500 mg, 1000 mg, 2000 mg

Bevat tevens: natrium 8,3 mg per 100 mg ceftriaxon.

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

ceftriaxon vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

De cefalosporinen dienen als 'reserve'-antimicrobiële middelen te worden beschouwd. De Commissie adviseert de toepassing van parenterale cefalosporinen te reserveren voor de kliniek.

In het algemeen komt ceftriaxon pas voor behandeling van infecties in aanmerking op basis van onderzoek naar de aard en de gevoeligheid van de verwekker; dit onderzoek is noodzakelijk bij onvoldoende effect van de middelen die geadviseerd worden voor een initiële empirische behandeling.

Bij een bacteriële community-acquired pneumonie (CAP) is behandeling met antibiotica altijd aangewezen. De verwekker van een pneumonie is bepalend voor de keuze van het antibioticum, maar bij een onbekende verwekker is de ernst van de pneumonie bepalend voor de keuze van het antibioticum. Bij behandeling van een milde pneumonie (C(U)RB-65 score: 0–1, PSI-klasse I–II) heeft orale toediening van amoxicilline de voorkeur. Bij een matig-ernstige pneumonie (CURB-65 score: 2, PSI-klasse III–IV) is intraveneuze toediening van benzylpenicilline of amoxicilline aangewezen; bij overgevoeligheid hiervoor is een intraveneuze toediening van een fluorchinolon (moxifloxacine) of een 2e of 3e generatie cefalosporine (zoals ceftriaxon) aangewezen. Ook na recent verblijf in een land met een hoge mate van penicilline-resistente pneumokokken komt ceftriaxon in aanmerking. Bij een ernstige pneumonie (CURB-65 score: > 2, PSI-klasse V) die op een normale afdeling wordt behandeld is monotherapie met een i.v. cefalosporine (zoals ceftriaxon) aangewezen. Bij een ernstige pneumonie die op een intensivecare-afdeling wordt behandeld is monotherapie met i.v. moxifloxacine dan wel i.v. combinatietherapie van antibiotica aangewezen (ciprofloxacine met ofwel cefotaxim of ceftriaxon of cefuroxim). Bij een nosocomiale pneumonie wordt de keuze voor een specifiek antibioticum bepaald door de lokale situatie met betrekking tot de aard en de resistentie van de ziekenhuisflora.

Bij acute urineweginfecties is de farmacotherapie gebaseerd op: de ernst van de aandoening (wel of geen weefselinvasie), lokale resistentiepatronen en specifieke patiëntkenmerken (leeftijd, geslacht, risicokenmerken). Een cystitis bij gezonde niet-zwangere vrouwen gaat mogelijk vanzelf over; voer daarom een afwachtend beleid. Ga echter bij risicogroepen, waaronder kinderen, direct over tot medicamenteuze therapie om complicaties te voorkomen. De belangrijkste middelen zijn: nitrofurantoïne (1e keus), oraal fosfomycine (2e keus), trimethoprim (3e keus) en bij zwangeren ook amoxicilline/clavulaanzuur (dan 2e keus). Gebruik in geval van weefselinvasie antibacteriële middelen met voldoende weefselpenetratie. Start eventueel, in afwachting van een antibiogram, de behandeling met middelen zoals ciprofloxacine (1e keus), amoxicilline/clavulaanzuur (2e keus) of cotrimoxazol (3e keus) en intramuraal met aminoglycosiden en i.v. cefalosporinen (zoals ceftriaxon). Bij zwangeren met een pyelonefritis zijn derde generatie cefalosporinen (ceftriaxon of cefotaxim) middelen van 1e keus.

Kijk in bacteriële huidinfecties voor het maken van een keuze bij de empirische behandeling ervan.

Conjunctivitis: Bij een infectieuze conjunctivitis door een banale verwekker is een lokaal antibioticum niet geïndiceerd, behalve bij risicogroepen voor complicaties (bv. na recente oogoperaties, bij chronisch infectieuze oogziekten of immuun-gecompromitteerde patiënten) of soms, als de conjunctivitis langer dan twee weken duurt. In deze gevallen gaat de voorkeur uit naar chlooramfenicol-oogdruppels en/of -oogzalf boven fusidinezuur-ooggel, vanwege een breder werkingsspectrum en minder snelle resistentieontwikkeling. Behandel een infectieuze conjunctivitis door chlamydia en/of gonokok met een gericht systemisch antibioticum, conform de behandeling van een anogenitale infectie (soa). Bij een herpes-simplexvirusconjunctivitis is aciclovir-oogzalf aangewezen. Verwijs, bij een conjunctivitis door het varicella-zostervirus, dezelfde dag naar de oogarts door en start direct met een oraal nucleoside-analogon.

De medicamenteuze behandeling van soa’s is afhankelijk van het type verwekker en het resistentiepatroon. Maak de keuze voor een middel daarom op geleide van de diagnose. Geef voorlichting over veilig vrijen en partnerwaarschuwing. Bij gonorroe is ceftriaxon eerste keus. Bij contra-indicaties komen ciprofloxacine, amoxicilline of azitromycine in aanmerking. Behandel syfilis met benzathinebenzylpenicilline. Bij penicillineallergie bij vroege syfilis is doxycycline een alternatief.

Indicaties

Behandeling van ernstige infecties, veroorzaakt door micro-organismen die gevoelig zijn voor ceftriaxon en waarbij een parenterale behandeling noodzakelijk is:

  • pneumonie;
  • abdominale infecties (peritonitis, infecties van de galwegen);
  • botinfecties;
  • gewrichtsinfecties;
  • infecties van de bovenste urinewegen (waaronder acute en chronische pyelonefritis);
  • infecties van huid en weke delen;
  • gonorroe;
  • syfilis;
  • bacteriële meningitis;
  • verspreide ziekte van Lyme (stadium II en III).

Pre-operatief als profylaxe van:

  • post–operatieve infecties.

Gerelateerde informatie

Dosering

Algemene richtlijn behandelduur (tenzij anders vermeld bij de specifieke indicatie): de behandeling voortzetten tot ten minste 2–3 dagen nadat de patiënt koortsvrij is geworden of bacteriële eradicatie is bereikt. Bij infecties veroorzaakt door Streptococcus pyogenes (β-hemolytische streptokokken van groep A) is een behandeling gedurende ten minste 10 dagen noodzakelijk om complicaties als acuut reuma en glomerulonefritis te voorkomen. Na identificatie van het micro–organisme zonodig de dosering of de behandeling aanpassen.

Klap alles open Klap alles dicht

Algemene richtlijn (fabrikant):

Volwassenen, kinderen ≥ 50 kg lichaamsgewicht:

Intramusculair (met lidocaïne), intraveneus of via een infuus (inlooptijd > 30 min): 1–2 g 1×/dag. Zo nodig kan deze dosis worden verhoogd tot 4 g. Overweeg bij toediening van doses hoger dan 2 g tweemaal daagse toediening (elke 12 uur).

Kinderen vanaf 15 dagen, tot 50 kg lichaamsgewicht:

50–80 mg/kg 1×/dag.

Kinderen < 15 dagen:

20–50 mg/kg 1×/dag; max. 50 mg/kg per 24 uur. Zie ook de rubriek Contra-indicaties.

Community-acquired pneumonie (CAP):

Volwassenen (incl. ouderen > 75 jaar):

Volgens de SWAB-richtlijn CAP (pdf 1,1 MB, 2016): bij een matig-ernstige of ernstige pneumonie met een onbekende verwekker: i.v.: 2 g 1×/24 uur; bij een ernstige pneumonie behandeld op de intensivecare-afdeling in combinatie met i.v. ciprofloxacine (400 mg elke 12 uur). Behandelduur: bij een matig-ernstige pneumonie 5 dagen, de behandelduur bij een ernstige pneumonie is niet benoemd, maar betreft (mede afhankelijk van de gevonden verwekker) doorgaans ten minste 7 dagen.

(Ongecompliceerde) gonorroe:

Eenmalig 500 mg i.m.

Syfilis:

Volwassenen, kinderen ≥ 50 kg lichaamsgewicht:

Volgens de fabrikant: op grond van relatief weinig gegevens 500 mg-1 g 1×/dag, verhoogd tot 2 g 1×/dag in het geval van neurosyfilis gedurende 10-14 dagen. Volgens de multidisciplinaire richtlijn Seksueel overdraagbare aandoeningen (2019, pdf 2,2 MB p. 114) is de behandeling in geval van neurosyfilis i.v. 2 g 1×/dag gedurende 14 dagen.

Kinderen vanaf 15 dagen, tot 50 kg lichaamsgewicht:

Op grond van zeer beperkte gegevens: 75-100 mg/kg lichaamsgewicht (max. 4 g) 1×/dag gedurende 10-14 dagen.

Neonaten vanaf de geboorte tot 14 dagen:

Op grond van zeer beperkte gegevens: 50 mg/kg lichaamsgewicht 1×/dag gedurende 10-14 dagen. Zie ook de rubriek Contra-indicaties.

Meningitis:

Kinderen vanaf 15 dagen, tot 50 kg lichaamsgewicht:

I.v. 80–100 mg/kg 1×/dag; max. 4 g 1×/dag. Behandelduur: gewoonlijk 1–2 weken.

Kinderen < 15 dagen:

Max. 50 mg/kg 1×/dag. Behandelduur: gewoonlijk 1–2 weken. Zie ook de rubriek Contra-indicaties.

Ziekte van Lyme:

Volwassenen en kinderen > 9 jaar:

Volgens de CBO richtlijn Lymeziekte (2013): bij vroege neuroborreliose (incl. Lyme-meningitis), Lyme-artritis, Lyme-carditis: I.v. 2 g 1×/dag. Behandelduur: gedurende 14 dagen. Bij Lyme-meningitis kan (in individuele gevallen) de behandeling tot in totaal 28 dagen worden voortgezet op basis van neurologische uitval en/of afwijkingen bij herhaald onderzoek van de liquor. Chronische neuroborreliose mét pleiocytose van de liquor cerebrospinalis gedurende 30 dagen behandelen.

Kinderen tot 9 jaar:

Volgens de CBO richtlijn Lymeziekte (2013): bij vroege en chronische neuroborreliose (incl. Lyme-meningitis), Lyme-artritis, Lyme-carditis: 100 mg/kg lichaamsgewicht 1×/dag i.v.; maximaal 2 g per dag. Behandelduur: gedurende 14 dagen. Chronische neuroborreliose gedurende 30 dagen behandelen.

Pre-operatieve profylaxe:

Algemeen:

De gebruikelijke dagdosis in 1 gift 30-90 min. vóór de ingreep toedienen. Zo nodig combineren met een antibioticum dat anaerobe dekking kan leveren. Zie voor aanvullende informatie eventueel ook het SWAB-advies chirurgische profylaxe.

Volwassenen, kinderen ≥ 50 kg lichaamsgewicht

2 g als enkele pre-operatieve dosis.

Kinderen vanaf 15 dagen, tot 50 kg lichaamsgewicht:

50-80 mg/kg lichaamsgewicht als enkele pre-operatieve dosis.

Kinderen < 15 dagen:

20-50 mg/kg lichaamsgewicht als enkele pre-operatieve dosis. Ceftriaxon is echter gecontra-indiceerd bij prematuren tot een postmenstruele leeftijd van 41 weken (aantal weken zwangerschap + aantal weken vanaf de geboorte), zie ook rubriek Contra-indicaties.

Ouderen (incl. > 75 jaar): geen dosisaanpassing nodig op basis van alleen de leeftijd.

Verminderde nierfunctie: creatinineklaring < 10 ml/min: max. 2 g per dag. Bij dialyse: controleer de plasmaspiegel om na te gaan of dosisaanpassing nodig is, omdat de eliminatiesnelheid bij deze patiënten kan variëren.

Verminderde leverfunctie: bij een licht of matig-ernstig verminderde leverfunctie is geen dosisaanpassing nodig, tenzij tevens sprake is van een nierfunctiestoornis. Er zijn geen onderzoeksgegevens over toepassing bij een ernstig verminderde leverfunctie.

De dosering aanpassen indien zowel een nier- als leverfunctiestoornis bestaat en regelmatig de plasmaconcentratie van ceftriaxon controleren.

Toedieningsinformatie: de toediening van ceftriaxon kan intramusculair (met lidocaïne), maar bij voorkeur, en dan uitsluitend zonder lidocaïne, via een infuus (inlooptijd ≥ 30 min, bij neonaten 60 min); eventueel als intraveneuze injectie in 5 min (ook zonder lidocaïne). I.v doses ≥ 50 mg/kg bij kinderen < 12 j. uitsluitend per infuus. I.m.-toediening: diep intragluteaal/in het binnenste van een grote spier, max. 1 g aan elke zijde. I.v.-infusie: 2 g opgelost in 40 ml calciumvrije infusievloeistof (gebruik dus o.a. géén Ringer(lactaat)-oplossing).

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): diarree, misselijkheid, braken, stomatitis, glossitis. Exantheem, allergische dermatitis, jeuk, urticaria en oedeem. Eosinofilie, trombocytopenie, leukopenie, hemolytische anemie, granulocytopenie.

Soms (0,1-1%): hoofdpijn, (draai)duizeligheid.

Zelden (0,01-0,1%): koorts, rillingen, anafylactische of anafylactoïde reacties (bv. bronchospasmen). Neerslag van ceftriaxon-calciumzout in de galblaas, reversibele cholelithiase, stijging van leverenzymwaarden. Oligurie, hematurie, verhoogd serumcreatinine. Genitale schimmelinfectie. Flebitis (bij i.v.-toediening).

Zeer zelden (< 0,01%): pseudomembraneuze colitis en gastro-intestinale hemorragie. Pancreatitis. Stollingsafwijkingen.

Verder zijn gemeld: erythema multiforme, Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN; Lyell–syndroom). Agranulocytose. Pijn op de injectieplaats (m.n. bij i.m. injectie zonder lidocaïne). Verlengde stollingstijd.

Vooral bij kinderen zijn (reversibele) precipitaties in de nieren (m.n. bij kinderen > 3 jaar) of urinewegen gemeld, vooral wanneer behandeld werd met hoge doses en in aanwezigheid van andere risicofactoren zoals vochtbeperking of bedlegerigheid. In sommige gevallen leidde dit tot ureter-obstructie, (postrenale) acute nierinsufficiëntie en/of anurie.

(Doorgaans reversibele) precipitaties in de galblaas vooral na hoge doses, asymptomatisch of gepaard met misselijkheid, braken en pijn.

Tijdens de behandeling van spirochetose (bv. leptospirose, lymeborreliose) kunnen binnen enkele uren na toediening Herxheimer-achtige reacties optreden (hypotensie, tachycardie, vasodilatatie, koorts, rillingen, hoofd- en spierpijn, rigor). Dit is het gevolg van een inflammatiereactie na het vrijkomen van endotoxinen en lipoproteïnen na de cellysis van deze bacteriën.

Interacties

Ceftriaxon niet gelijktijdig toedienen met intraveneuze calciumhoudende oplossingen (waaronder parenterale voeding) of andere calciumhoudende middelen, zelfs niet via verschillende infuuslijnen, vanwege het risico op precipitatie. Ceftriaxon en calciumhoudende oplossingen kunnen wel ná elkaar worden toegediend (maar níet bij een neonaat jonger dan 28 dagen), mits de infuuslijnen tussen de toediening van de verschillende oplossingen zorgvuldig gespoeld worden met een fysiologische zoutoplossing.

Niet mengen met amsacrine, calciumbevattende oplossingen, fluconazol, labetalol, aminoglycosiden of vancomycine.

Zwangerschap

Ceftriaxon passeert de placenta. De bereikte concentraties zijn ca. 20 microg/ml in navelstrengbloed en ca. 15 microg/ml in het vruchtwater.
Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens over de toepassing van ceftriaxon. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid. Met de groep cefalosporinen wordt in de meeste studies geen toegenomen kans op aangeboren afwijkingen in het algemeen gezien, een kleine kans op specifieke aangeboren afwijkingen is vooralsnog niet uitgesloten.
Farmacologisch effect: Bij toepassing tijdens de partus van lidocaïneoplossing (van toepassing bij i.m. gebruik van ceftriaxon) rekening houden met het feit dat lokale anesthetica als lidocaïne de placenta passeren. Bij overdosering kan foetale ademdepressie door lidocaïne niet worden uitgesloten.
Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja, in geringe hoeveelheden; door de slechte orale resorptie is dit echter van gering klinisch belang.
Farmacologisch effect: Diarree bij de zuigeling is mogelijk.
Advies: Kan worden gebruikt.

Contra-indicaties

  • overgevoeligheid voor een andere cefalosporine;
  • een voorgeschiedenis van ernstige overgevoeligheid (zoals een anafylactische reactie) voor andere β-lactamantibiotica (d.w.z. een penicilline, monobactam of carbapenem);
  • vanwege het risico op neerslag van calciumceftriaxon in nieren en longen, mogelijk met een fataal verloop: gebruik bij voldragen pasgeborenen (tot een leeftijd van 28 dagen) indien bij hen i.v. behandeling met calcium(-houdende stoffen) is geïndiceerd of binnenkort wordt toegepast;
  • vanwege het risico van bilirubine-encefalopathie door verdringing van bilirubine van de bindingsplaatsen aan serum-albumine, bij:
    • pasgeborenen met hyperbilirubinemie;
    • prematuren tot een gecorrigeerde leeftijd van 41 weken (zwangerschapsduur + levensweken);
    • voldragen pasgeborenen (tot een leeftijd van 28 dagen): met icterus, hypoalbuminemie of acidose (omdat deze aandoeningen geassocieerd zijn met een verstoorde bindingscapaciteit voor bilirubine).

Bij i.m. toediening (met lidocaïne): zie in dat geval ook lidocaïne#contra-indicaties.

Waarschuwingen en voorzorgen

Kruisovergevoeligheid met andere β–lactamantibiotica kan voorkomen.

Neerslagen van calciumceftriaxon kunnen bij echografisch onderzoek van de galblaas als schaduwen worden waargenomen en verward worden met galstenen. De neerslagen verdwijnen na het beëindigen van de behandeling. In symptomatische gevallen wordt een conservatieve niet-operatieve behandeling aanbevolen.

Bij langdurig gebruik het bloedbeeld regelmatig controleren. Agranulocytose (aantal granulocyten < 0,5 × 109/l), treedt meestal na 10 dagen op, vooral bij een totale dosis van ≥ 20 gram. Indien een patiënt tijdens de behandeling een anemie ontwikkelt, overweeg dan de diagnose met cefalosporine geassocieerde anemie; staak de behandeling totdat de oorzaak is vastgesteld. Deze immuun–gemedieerde hemolytische anemie kán fataal verlopen.

Bij ernstige, aanhoudende diarree de diagnose pseudomembraneuze colitis overwegen.

Invloed op diagnostische testen: door gebruik van cefalosporinen kan de Coombs-test fout-positief worden, zo ook niet–enzymatische glucosebepalingen in de urine en testen op galactosemie. Bepaalde meetsystemen geven onjuiste, verlaagde bloedglucosewaarden aan.

Eigenschappen

Breed-spectrum derdegeneratie-cefalosporine. Ceftriaxon bindt zich aan penicillinebindende eiwitten (PBP's) in de celwand van bacteriën, waardoor de synthese van peptidoglycaan wordt geremd. Dit resulteert in celdood. Het werkingsspectrum is breed. Ceftriaxon is resistent tegen ontleding door het merendeel van de β-lactamasen (zoals TEM–1), maar wordt geïnactiveerd door β–lactamasen die effectief cefalosporinen hydrolyseren zoals AmpC-type enzymen. Werkingsduur: ca. 24 uur.

Gewoonlijk gevoelig zijn: Staphylococcus spp. (indien coagulase negatief), Staphylococcus aureus (uitgezonderd MRSA), Streptococcus spp. waaronder Streptococcus pneumoniae (uitgezonderd de penicilline–resistente stammen), Streptococcus pyogenes, Streptococcus viridans), Groep B streptococci (incl. Streptococcus agalactiae), Borrelia spp. (o.a. B. burgdorferi), Citrobacter spp. (uitgezonderd cefalosporinaseproducerende stammen van Citrobacter freundii), Escherichia coli (uitgezonderd ESBL–producerende stammen), Haemophilus influenzae, Haemophilus para–influenzae, Klebsiella spp. waaronder Klebsiella pneumoniae, Klebsiella oxytoca (uitgezonderd ESBL–producerende stammen), Moraxella catarrhalis, Morganella morganii (uitgezonderd cefalosporinaseproducerende stammen), Neisseria gonorrhoeae, Neisseria meningitidis, Proteus mirabilis, Proteus vulgaris (sommige stammen), Salmonella spp., Shigella spp. en Treponema pallidum .

Verminderd gevoelig zijn: Staphylococcus epidermidis en Enterobacter spp. waaronder Enterobacter aerogenes en Enterobacter cloacae.

Doorgaans ongevoelig (vaak resistent) zijn: Streptococcus pneumoniae (de penicilline-resistente stammen), Aeromonas spp., Achromobacter spp., Alcaligenes spp., cefalosporinaseproducerende stammen van Citrobacter freundii, van Enterobacter spp., van Morganella spp. en van Serratia spp.; verder Flavobacterium spp., Proteus vulgaris (sommige stammen), Providencia spp., Bacteroides spp. waaronder Bacteroides fragilis, Mycobacteria en Rickettsia spp.

Resistent: alle Staphylococcus spp. die meticilline-resistent zijn (waaronder derhalve MRSA), zijn ook resistent voor ceftriaxon. ESBL-producerende stammen van Escherichia coli en Klebsiella spp. zijn altijd resistent. Inherent resistent zijn verder: Enterococcus spp. (waaronder E. faecalis en E. faecium), Listeria monocytogenes, Acinetobacter spp. (o.a. A. baumannii), Pseudomonas spp. (waaronder P. aeruginosa), Stenotrophomonas maltophilia, Clostridium difficile, Chlamydia spp., Chlamydophila spp., Mycoplasma spp., Legionella spp., en Ureaplasma urealyticum.

Kinetische gegevens

T max1,5-4 uur (i.m.); in de liquor na ca. 3-6 uur (na i.v. injectie bij meningitispatiënten).
V dbij gezonde volwassenen 0,08-0,19 l/kg; na een enkele dosis van 50-100 mg/kg: 0,26-0,54 l/kg (bij kinderen 1,5 mnd.-16 jaar) en 0,50-0,61 l/kg bij neonaten (1-45 dagen oud).
Overigdiffundeert snel in weefsels (o.a. longen, hart, galwegen/lever, tonsillen, middenoor, neusslijmvlies, botten) en vocht (o.a. hersen-, pleura- en prostaatvocht, synoviale vloeistof) met concentraties die de MIC van het merendeel van de klinisch relevante pathogenen ruim overstijgt. Penetratie in de liquor: voldoende bij ontstoken meninges (piekconcentratie in hersenvocht dan ca. 25% (range 1-32%) van de plasmaconcentratie).
Eiwitbindingaan albumine, reversibel en concentratie-afhankelijk: ca. 95% bij concentratie < 100 microg/ml en ca. 85% bij 300 microg/ml.
Metaboliseringniet systemisch, maar door darmflora, tot inactieve metabolieten.
Eliminatieonveranderd, met de urine (60%) en feces (40%). In de feces wordt ceftriaxon geïnactiveerd. Ceftriaxon wordt niet geëlimineerd door hemodialyse of peritoneale dialyse.
T 1/2elca. 8 uur, 2–3× langer bij zuigelingen < 8 dagen en bij ouderen > 75 jaar; verlengd bij een gecombineerde lever- én nierfunctiestoornis.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

ceftriaxon hoort bij de groep cefalosporinen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links