ciprofloxacine

Samenstelling

Ciprofloxacine infusievloeistof (als lactaat) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
2 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 50 ml, 100 ml, 200 ml, zak 50 ml, 100 ml, 200 ml

Ciprofloxacine infusievloeistof (als waterstofsulfaat) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
2 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 100 ml, 200 ml, zak 100 ml, 200 ml

Ciprofloxacine tablet (als hydrochloride) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
250 mg, 500 mg, 750 mg

Ciproxin Bayer bv

Toedieningsvorm
Granulaat voor suspensie
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
107 ml, flacon met granulaat + flacon met oplosmiddel
Toedieningsvorm
Granulaat voor suspensie
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
107 ml, flacon met granulaat + flacon met oplosmiddel

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

ciprofloxacine vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

In het algemeen: Fluorchinolonen zoals ciprofloxacine zijn 'reserve' antimicrobiële middelen. Om resistentieontwikkeling te voorkomen, dient de toepassing ervan te worden gereserveerd voor situaties waarin met andere antimicrobiële middelen onvoldoende resultaat wordt verkregen.

Bij een bacteriële 'community-acquired' pneumonie (CAP) is behandeling met antibiotica altijd aangewezen. De verwekker van een pneumonie is bepalend voor de keuze van het antibioticum, maar bij een onbekende verwekker is de ernst van de pneumonie bepalend voor de keuze van het antibioticum. Bij behandeling van een milde pneumonie (C(U)RB-65 score: 0–1, PSI-klasse: I–II) heeft orale toediening van amoxicilline de voorkeur. Bij een matig-ernstige pneumonie (CURB-65 score: 2, PSI-klasse: III–IV) is intraveneuze toediening van benzylpenicilline of amoxicilline aangewezen. Bij een ernstige pneumonie (CURB-65 score: > 2, PSI-klasse: V) die op een normale afdeling wordt behandeld is monotherapie met een i.v.-cefalosporine (cefotaxim, ceftriaxon of cefuroxim) aangewezen. Bij een ernstige pneumonie (CURB-65 score: > 2, PSI-klasse: V) die op een intensivecare-afdeling wordt behandeld is i.v.-combinatietherapie van antibiotica aangewezen (ciprofloxacine met ofwel cefotaxim òf ceftriaxon òf cefuroxim) of monotherapie met i.v. moxifloxacine. Bij een nosocomiale pneumonie wordt de keuze voor een specifiek antibioticum bepaald door de lokale situatie met betrekking tot de aard en de resistentie van de ziekenhuisflora.

Tuberculose-infectie: Ciprofloxacine wordt afgeraden als behandeling van rifampicine-resistente of multidrug-resistente (MDR-)tuberculose, vanwege onvoldoende bewijs voor de effectiviteit.

Bij de behandeling van otitis media acuta gaat de voorkeur uit naar een afwachtend beleid met adequate pijnbestrijding. Is na drie dagen het effect op pijn en/of koorts onvoldoende dan een antimicrobiële behandeling starten met amoxicilline. Bij risicogroepen en bij forse algemene ziekteverschijnselen direct starten met een antimicrobiële behandeling. Bij contra-indicatie voor amoxicilline komt cotrimoxazol in aanmerking.

Bij de behandeling van otitis externa gaat de voorkeur uit naar zure oordruppels met een corticosteroïd. In geval van een trommelvliesperforatie komen aluminium-acetotartraat 1,2% oordruppels als eerste in aanmerking. Als na 3 weken het effect uitblijft, behandel dan op geleide van een kweek en resistentiebepaling.

Bij urineweginfecties is de farmacotherapie gebaseerd op: de ernst van de aandoening (wel of geen weefselinvasie), lokale resistentiepatronen en specifieke patiëntkenmerken (leeftijd, geslacht, risicokenmerken). Een cystitis bij gezonde niet-zwangere vrouwen gaat mogelijk vanzelf over; voer daarom een afwachtend beleid. Ga echter bij risicogroepen, waaronder kinderen, direct over tot medicamenteuze therapie om complicaties te voorkomen. De belangrijkste middelen zijn: nitrofurantoïne (1e keus), oraal fosfomycine (2e keus), trimethoprim (3e keus) en bij zwangeren ook amoxicilline/clavulaanzuur (dan 2e keus). Gebruik in geval van weefselinvasie antibacteriële middelen met voldoende weefselpenetratie. Start, in afwachting van een antibiogram, de behandeling met middelen zoals ciprofloxacine (1e keus), amoxicilline/clavulaanzuur (2e keus) of cotrimoxazol (3e keus) en intramuraal met aminoglycosiden en i.v. cefalosporinen.

Probeer met hygiënische maatregelen uitbreiding van bacteriële huidinfecties of besmetting van anderen tegen te gaan. Behandel oppervlakkige bacteriële huidinfecties met een lokaal antimicrobieel middel. Bij impetigo en impetiginisatie heeft lokaal fusidinezuur de voorkeur. Bij diepe huidinfecties zijn meestal orale antibiotica geïndiceerd of is operatief ingrijpen noodzakelijk. Bij orale antimicrobiële behandeling heeft een smalspectrum-penicilline de voorkeur. Macroliden zijn een alternatief wanneer bijvoorbeeld penicillinen niet worden verdragen. Bij bijtwonden heeft een breedspectrum-penicilline de voorkeur.

De medicamenteuze behandeling van soa’s is afhankelijk van het type verwekker en het resistentiepatroon. Maak de keuze voor een middel daarom op geleide van de diagnose. Geef voorlichting over veilig vrijen en partnerwaarschuwing. Bij gonorroe is ceftriaxon eerste keus. Bij contra-indicaties komen ciprofloxacine, amoxicilline of azitromycine in aanmerking.

Indicaties

Volwassenen:

  • Ondersteluchtweginfectie veroorzaakt door Gram-negatieve bacteriën zoals:
    • pneumonie (o.a. community-acquired pneumonie; CAP);
    • bronchopulmonale infectie bij cystische fibrose;
    • bij bronchiëctasieën;
    • bij acute exacerbatie van chronische bronchitis en chronisch obstructief longlijden (COPD) en alleen wanneer andere aanbevolen middelen bij deze infectie ongeschikt zijn.
  • Chronische sinusitis bij een acute exacerbatie, in het bijzonder wanneer deze veroorzaakt is door Gram-negatieve bacteriën;
  • Chronische purulente otitis media;
  • Maligne otitis externa;
  • Urineweginfectie, bij een ongecompliceerde cystitis, echter uitsluitend als andere middelen ongeschikt zijn;
  • Urethritis en cervicitis veroorzaakt door Neisseria gonorrhoeae, waarvan vooraf de gevoeligheid is vastgesteld;
  • Epididymo-orchitis, waaronder gevallen die veroorzaakt zijn door een vastgesteld gevoelige Neisseria gonorrhoeae;
  • Ontsteking in het kleine bekken bij vrouwen (PID, 'pelvic inflammatory disease'), waaronder gevallen die veroorzaakt zijn door een vastgesteld gevoelige Neisseria gonorrhoeae;
  • Maag-darmstelselinfectie (bv. als behandeling van reizigersdiarree);
  • Intra-abdominale infectie;
  • Infectie van de huid en weke-delen, veroorzaakt door Gram-negatieve bacteriën;
  • Bot- en gewrichtinfectie;
  • Koorts bij neutropene patiënt, die vermoedelijk het gevolg is van een bacteriële infectie;
  • Profylaxe van invasieve infectie als gevolg van Neisseria meningitidis;
  • Inhalatieantrax (profylaxe na blootstelling én de curatieve behandeling).

Bij de hierboven genoemde infecties van de geslachtsorganen geldt dat, wanneer verwacht wordt óf bekend is dat deze worden veroorzaakt door Neisseria gonorrhoeae, het belangrijk is lokale informatie op te vragen over de prevalentie van resistentie tegen ciprofloxacine en de gevoeligheid te bevestigen middels laboratoriumonderzoek.

Kinderen en adolescenten:

  • Bronchopulmonale infectie bij cystische fibrose, veroorzaakt door Pseudomonas aeruginosa;
  • Gecompliceerde urineweginfectie, zoals een pyelonefritis;
  • Inhalatieantrax (profylaxe na blootstelling én de curatieve behandeling);
  • Andere ernstige infectie, waarbij dit noodzakelijk wordt geacht.

Gerelateerde informatie

Dosering

De dosering en wijze van toediening worden over het algemeen bepaald door de ernst van de infectie, de toestand van de patiënt en de gevoeligheid van het betreffende micro-organisme. De intraveneuze behandeling moet zo snel als mogelijk is worden gevolgd door orale behandeling.

Zorg in verband met de kans op kristalurie en nierbeschadiging voor een goede vochtinname door de patiënt en vermijd overmatige alkalisering van de urine.

Klap alles open Klap alles dicht

Ondersteluchtweginfectie:

Volwassenen:

Oraal: 500–750 mg 2×/dag, gedurende 7–14 dagen.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende 7–14 dagen.

Volgens de SWAB-richtlijn CAP (2016, pdf 1 MB, p. 49): bij een ernstige pneumonie (volgens CURB-65 of PSI) behandeld op de intensivecare-afdeling: i.v. 400 mg 2×/dag, in combinatie met een i.v. tweede- of derdegeneratie cefalosporine (cefotaxim, ceftriaxon of cefuroxim). Bij aangetoonde kolonisatie van de luchtwegen met Pseudomonas aeruginosa kan het (in de dosering van 400 mg 2×/dag) in combinatie met benzylpenicilline (1 mln. IE 4×/dag) gebruikt worden (p. 48 SWAB-richtlijn) bij een matig-ernstige of ernstige pneumonie (indien niet behandeld op de intensivecare-afdeling, zie het SWAB-advies ernstige CAP op zaal).

Infecties bij cystische fibrose:

Kinderen en adolescenten:

Oraal: 20 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag en maximaal 750 mg per dosis, gedurende 10 tot 14 dagen. Er is klinisch onderzoek verricht bij kinderen van 5–17 jaar; er is minder ervaring bij kinderen tussen 1–5 jaar.

I.v.-infusie: 10 mg/kg lichaamsgewicht 3×/dag en maximaal 400 mg per dosis, gedurende 10 tot 14 dagen.

Acute exacerbatie van chronische sinusitis of een chronische purulente otitis media:

Volwassenen:

Oraal: 500–750 mg 2×/dag, gedurende 7–14 dagen.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende 7–14 dagen.

Maligne otitis externa:

Volwassenen:

Oraal: 750 mg 2×/dag, gedurende 28 dagen tot 3 mnd.

I.v.-infusie: 400 mg 3×/dag, gedurende 28 dagen tot 3 mnd.

Ongecompliceerde cystitis:

Volwassenen:

Oraal: 250–500 mg 2×/dag, gedurende 3 dagen. Bij vruchtbare vrouwen kan een dosis van 500 mg eenmalig worden gegeven; dit heeft echter waarschijnlijk een lagere werkzaamheid dan de langere behandelduur (mede gezien de in de EU toenemende resistentie van E. coli tegen fluorchinolonen).

Gecompliceerde cystitis of ongecompliceerde pyelonefritis (volwassenen):

Volwassenen:

Oraal: 500 mg 2×/dag, gedurende 7 dagen. Volgens de NHG-Standaard Urineweginfecties (2013) kan deze dosering bij meisjes vanaf 16 jaar worden toegepast. Voor mannen schrijft de standaard een behandelduur van 14 dagen voor.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende 7–21 dagen.

Gecompliceerde pyelonefritis (volw.):

Volwassenen:

Oraal: 500–750 mg 2×/dag, gedurende minstens 10 dagen. In bepaalde specifieke gevallen (bv. abcessen) kan de behandelduur langer zijn dan 21 dagen. De NHG-standaard Urineweginfecties (2013) schrijft voor mannen een behandelduur van 14 dagen voor.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende 7–21 dagen; de behandeling kan na 21 dagen worden voortgezet in bepaalde specifieke gevallen (bv. abcessen).

Gecompliceerde urineweginfectie of pyelonefritis (bij kinderen):

Kinderen en adolescenten:

Oraal: 10–20 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag en maximaal 750 mg per dosis, gedurende 10 tot 21 dagen.

I.v.-infusie: 6 tot 10 mg/kg lichaamsgewicht 3×/dag en maximaal 400 mg per dosis, gedurende 10 tot 21 dagen.

Door gonokokken veroorzaakte urethritis en cervicitis:

Volwassenen:

Oraal: 500 mg eenmalig, alleen bij bewezen gevoeligheid voor ciprofloxacine op geleide van een kweek met resistentiebepaling.

Prostatitis:

Volwassenen:

Oraal: 500–750 mg 2×/dag, gedurende 2–4 weken (acuut) tot 4–6 weken (chronisch).

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende 2–4 weken (acuut).

Epididymo-orchitis en ontstekingen in het kleine bekken bij vrouwen (PID):

Volwassenen:

Oraal: 500–750 mg 2×/dag, gedurende ten minste 14 dagen.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende ten minste 14 dagen.

Intra-abdominale infectie:

Oraal: 500 tot 750 mg 2×/dag, gedurende 5–14 dagen.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende 5–14 dagen.

Infectie van het maag-darmstelsel zoals diarree, waaronder empirische behandeling van ernstige reizigersdiarree:

Volwassenen:

Oraal: 500 mg 2×/dag; gedurende 1 dag. De behandelduur wijkt af bij: Vibrio cholerae 3 dagen, Shigella dysenteriae (type 1) 5 dagen, Salmonella typhi 7 dagen

I.v.-infusie: 400 mg 2×/dag; gedurende 1 dag. De behandelduur wijkt af bij: Vibrio cholerae 3 dagen, Shigella dysenteriae (type 1) 5 dagen, Salmonella typhi 7 dagen.

Infectie van de huid en weke delen:

Volwassenen:

Oraal: 500–750 mg 2×/dag, gedurende 7–14 dagen.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende 7–14 dagen.

Infectie van botten en gewrichten:

Volwassenen:

Oraal: 500–750 mg 2×/dag, gedurende maximaal 3 mnd.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag, gedurende maximaal 3 mnd.

Koorts bij neutropene patiënten:

Volwassenen:

Oraal: 500–750 mg 2×/dag gedurende volledige periode van neutropenie in combinatie met één of meer geschikte antibacteriële middelen.

I.v.-infusie: 400 mg 2–3×/dag gedurende volledige periode van neutropenie in combinatie met één of meer geschikte antibacteriële middelen.

Profylaxe van invasieve infectie als gevolg van Neisseria meningitidis:

Volwassenen:

Oraal: 500 mg eenmalig.

Inhalatieantrax, profylaxe na blootstelling en curatieve behandeling:

Volwassenen:

Oraal: 500 mg 2×/dag. De behandeling zo spoedig mogelijk beginnen en de behandelduur is 60 dagen vanaf de bevestiging van de blootstelling aan Bacillus anthracis.

I.v.-infusie: 400 mg 2×/dag. De behandeling zo spoedig mogelijk beginnen en de behandelduur is 60 dagen vanaf de bevestiging van de blootstelling aan Bacillus anthracis.

Kinderen en adolescenten:

Oraal: 10–15 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag en maximaal 500 mg per dosis. De behandeling zo spoedig mogelijk beginnen en de behandelduur is 60 dagen vanaf de bevestiging van de blootstelling aan Bacillus anthracis.

I.v.-infusie: 10–15 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag en maximaal 400 mg per dosis. De behandeling zo spoedig mogelijk beginnen en de behandelduur is 60 dagen vanaf de bevestiging van de blootstelling aan Bacillus anthracis.

Andere ernstige infecties:

Kinderen en adolescenten:

Oraal: 20 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag en maximaal 750 mg per dosis, duur afhankelijk van het type infectie.

I.v.-infusie: 10 mg/kg lichaamsgewicht 3×/dag en maximaal 400 mg per dosis, duur afhankelijk van het type infectie.

Verminderde nierfunctie: Oraal (volwassenen): creatinineklaring 30–60 ml/min/1,73m² (serumcreatinine 124–168 micromol/l): 250–500 mg iedere 12 uur; creatinineklaring < 30 ml/min/1,73m² (serumcreatinine ≥ 169 micromol/l): 250–500 mg iedere 24 uur; hemodialysepatiënten: 250–500 mg iedere 24 uur (op dialysedagen na de dialyse geven); bij peritoneale dialyse: 250–500 mg iedere 24 uur.

Verminderde nierfunctie: Intraveneus (volwassenen): creatinineklaring 30–60 ml/min/1,73m² (serumcreatinine 124–168 micromol/l): 200–400 mg iedere 12 uur; creatinineklaring < 30 ml/min/1,73m² (serumcreatinine ≥ 169 micromol/l): 200–400 mg iedere 24 uur; hemodialysepatiënten: 200–400 mg iedere 24 uur (op dialysedagen na de dialyse geven); bij peritoneale dialyse: 200–400 mg iedere 24 uur.

Over kinderen met een verminderde nierfunctie zijn er (te) weinig gegevens van het gebruik van ciprofloxacine om tot een doseeradvies te komen.

Verminderde leverfunctie: geen dosisaanpassing nodig.

Toedieningsinformatie: Infusie alleen bij ernstige infecties, waarbij orale therapie niet mogelijk of gewenst is. De infusietijd is bij volwassenen ca. 30 minuten (voor een flacon of zak van 100 ml), ca. 60 min (voor een flacon of zak van 200 ml) en bij kinderen 60 min. De ciprofloxacine-oplossingen voor infusie zijn licht zuur, houd rekening met onverenigbaarheden (te herkennen aan bv. neerslagvorming, troebeling, verkleuring) bij menging met (genees)middelen die bij deze pH niet stabiel zijn. Vanwege de bittere smaak de tabletten zonder kauwen innemen met een ruime hoeveelheid water. De suspensie schudden voor gebruik. Niet innemen met zuivelproducten (zoals melk of yoghurt) of met mineralen verrijkt vruchtensap (zie rubriek Interacties). Zo nodig na gebruik van de suspensie ook water nadrinken.

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): misselijkheid, diarree. Bij i.v.-toediening: reacties op de infusieplaats.

Soms (0,1-1%): dyspepsie, buikpijn, braken, flatulentie, anorexie. Mycotische superinfecties. Eosinofilie. Hoofdpijn, duizeligheid, slaapstoornissen, smaakverandering. Agitatie, (psychomotorische) hyperactiviteit. Huiduitslag, urticaria, jeuk, reactie op de injectie- en infusieplaats. Spierpijn, gewrichtspijn. Asthenie, koorts. Nierfunctiestoornis. Verhoogde waarden van transaminasen, bilirubine en alkalische fosfatase.

Zelden: (0,01-0,1%): allergische reactie, angio-oedeem, lichtgevoeligheidsreacties. Vasodilatatie, hypotensie, syncope. Tachycardie. Oedeem, hyperhidrose. Dyspneu, astmatische aandoening. Pseudomembraneuze colitis. Paresthesie, dysesthesie, hypo-esthesie, tremor, vertigo, epileptische aanval. Verwardheid, desoriëntatie, angst, depressie (mogelijk culminerend in suïcidaal gedrag of een suïcidepoging), abnormale dromen, hallucinaties. Visuele stoornis (bv. diplopie). Oorsuizen, gehoorverlies. Artritis, verhoogde spiertonus, spierkrampen. Gestoorde leverfunctie, cholestatische icterus, hepatitis. Tubulo-interstitiële nefritis, nierfalen, kristalurie, hematurie. Leukopenie, anemie, neutropenie, trombocytopenie, leukocytose, trombocytose. Verhoogd amylase. Hyperglykemie, hypoglykemie (vooral bij oudere patiënten met diabetes mellitus).

Zeer zelden (< 0,01%): anafylactische of anafylactoïde reacties (incl. shock), serumziekte. Levernecrose, leverfalen. Pancreatitis. Psychotische reacties. Hemolytische anemie, agranulocytose, pancytopenie (myelosuppressie). Vasculitis. Migraine, reukstoornis, coördinatiestoornis, intracraniële hypertensie, pseudotumor cerebri. Afwijkingen in de kleurwaarneming. Petechiën, erythema multiforme, erythema nodosum, Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN). Spierzwakte, exacerbatie van myasthenia gravis. Tendinitis, peesruptuur.

Verder zijn gemeld: ventriculaire aritmie, verlenging QT-interval en 'torsade de pointes'. Perifere neuropathie, polyneuropathie, status epilepticus. Psychose, manie, hypomanie. Acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP), geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS-syndroom). Syndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH). In verschillende studies is er meer kans op aorta-aneurysma en -dissectie waargenomen na behandeling met fluorchinolonen.

Bij kinderen wordt artropathie vaak gemeld.

Bij parenterale toediening kunnen bij subgroepen van patiënten sommige bijwerkingen met een hogere frequentie voorkomen (o.a. epileptische aanvallen, tachycardie, hypotensie, nierfalen, tijdelijk gestoorde leverfunctie incl. afwijkingen in de transaminasen, anafylactische reacties, beenmergdepressie, pancreatitis, visus en/of gehoorstoornissen en peesruptuur).

In zeer zeldzame gevallen kunnen bepaalde bijwerkingen op de spieren en het zenuwstelsel ernstig, invaliderend en langdurig (maanden tot jaren) en mogelijk irreversibel zijn, zie voor meer informatie de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen.

Interacties

Ciprofloxacine is een sterke remmer van CYP1A2 en kan hierdoor leiden tot een verhoogde (toxische) serumconcentratie van gelijktijdig toegediende middelen die door dit enzym gemetaboliseerd worden, zoals theofylline (xanthinederivaat), clozapine, olanzapine, ropinirol, duloxetine en agomelatine; gelijktijdig gebruik met tizanidine is daarom gecontra-indiceerd. Van andere xanthinederivaten (coffeïne en pentoxifylline) en lidocaïne (intraveneus) zijn eveneens verhoogde serumspiegels gemeld.

Bij gelijktijdig gebruik van vitamine K-antagonisten kan de INR veranderen; controleer deze regelmatiger.

Wees voorzichtig bij de combinatie met geneesmiddelen die het QT-interval verlengen (o.a. amiodaron, methadon, kinidine, disopyramide, sotalol, tricyclische antidepressiva, sommige antipsychotica, macroliden, enkele antimycotica). Oudere patiënten en vrouwen kunnen gevoeliger zijn voor geneesmiddelen die het QT-interval verlengen.

Combinatie met theofylline, NSAID's of andere middelen die de convulsiedrempel verlagen vermeerdert de kans op epileptische aanvallen. Bij gelijktijdig gebruik kunnen de spiegels van fenytoïne verhoogd of verlaagd worden.

Ciprofloxacine kan de renale klaring van methotrexaat verminderen; dit kan leiden tot het eerder bereiken van toxische spiegels van methotrexaat; gelijktijdig gebruik wordt niet aanbevolen.

De spiegel van sildenafil en mogelijk ook andere PDE-5-remmers kan stijgen tot het dubbele.

Ook de spiegel van zolpidem kan toenemen bij gelijktijdig gebruik.

Combinatie met ciclosporine kan resulteren in een voorbijgaande stijging van de serumcreatininespiegel.

Bij combinatie met corticosteroïden is er meer kans op tendinitis en peesruptuur.

Meerwaardige kat-ionbevattende geneesmiddelen zoals aluminium- of magnesiumbevattende antacida, sucralfaat, calcium-, bismut-, zink- en ijzerzouten en polymere fosfaatbinders (sevelameer, lanthaancarbonaat) verminderen de resorptie van ciprofloxacine (neem ciprofloxacine daarom ten minste 2 uur voor of ten minste 4 uur ná deze middelen in). Melkproducten of met mineralen verrijkte dranken (denk ook aan multivitaminepreparaten) kunnen de resorptie van ciprofloxacine eveneens verminderen.

Metoclopramide versnelt de resorptie van ciprofloxacine met mogelijk een hogere piekconcentratie in het bloed.

Zwangerschap

Teratogenese: Beschikbare gegevens bij de mens (redelijke mate van ervaring met blootstelling in het 1e trimester) duiden niet op teratogeniteit. Bij dieren zijn effecten op onrijp kraakbeen en gewrichtsafwijkingen gezien. Dergelijke effecten zijn bij de mens tot nu toe niet gemeld. Er is echter te weinig ervaring met fluorchinolonen in het 2e en 3e trimester om een goede risico-inschatting te maken.
Advies: Kan waarschijnlijk veilig gebruikt worden in het 1e trimester. Gebruik in het 2e en 3e trimester ontraden.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja, in geringe mate.
Farmacologisch effect: Bij dieren blijken fluorchinolonen een nadelige invloed te hebben op het kraakbeen in dragende gewrichten tijdens de groeifase; er is derhalve een potentieel risico van beschadiging van de gewrichten.
Advies: Het gebruik van dit geneesmiddel of het geven van borstvoeding ontraden.

Contra-indicaties

  • overgevoeligheid voor fluorchinolonen.

Zie ook de rubriek Interacties.

Waarschuwingen en voorzorgen

Resistentie en combinatie van antibiotica: Bij ernstige infecties en bij gemengde infecties met Gram-positieve en anaerobe pathogenen ciprofloxacine combineren met één of meer andere geschikte antibacteriële middelen. Bij epididymo-orchitis en ontstekingen in het kleine bekken bij vrouwen (PID), ciprofloxacine tegelijkertijd met een ander geschikt antimicrobieel middel toedienen, tenzij een ciprofloxacine-resistente Neisseria gonorrhoeae-stam kan worden/is uitgesloten; klinische verbetering moet binnen drie dagen na aanvang van de behandeling optreden. Ook een door gonokokken veroorzaakte urethritis en cervicitis alleen met ciprofloxacine behandelen als een ciprofloxacine-resistente Neisseria gonorrhoeae-stam kan worden/is uitgesloten. Houd bij de behandeling van urineweginfecties met weefselinvasie rekening met een toenemende en in de EU variërende resistentie van Escherichia coli voor ciprofloxacine.

Risico op langdurige, invaliderende bijwerkingen: Laat de patiënt zich melden bij de eerste tekenen van ernstige bijwerkingen op de spieren (zoals een peesontsteking, gescheurde pees, spierpijn of -zwakte, zwelling van of pijn in een gewricht en bij loopstoornissen) of bijwerkingen op het zenuwstelsel (zoals zenuwpijn, slapeloosheid, depressie, vermoeidheid, geheugenstoornis, vermindering van het zicht, de smaak, reuk en/of het gehoor). Dit vanwege langdurige, invaliderende en potentieel irreversibele bijwerkingen op de spieren en het zenuwstelsel.

Vanwege kanstoename op door fluorchinolonen geïnduceerde tendinitis en peesruptuur extra voorzichtig zijn met de toepassing bij:

  • ouderen;
  • patiënten met een nierfunctiestoornis;
  • na een solide orgaantransplantatie;
  • bij (langdurige) comedicatie met corticosteroïden.

Bij symptomen van tendinitis (bv. pijnlijke zwelling, ontsteking) de behandeling onmiddellijk staken en volledige rust toepassen. De tendinitis, meest frequent van de achillespees, kan aanleiding geven tot (soms al na 48 uur optredende) peesrupturen. Tendinitis en peesrupturen treden, naast in hiervoor genoemde condities, vooral op bij grote lichamelijke inspanning en bij de eerste wandeling van een voorheen bedlegerige patiënt. Behandel betrokken ledemaat/ledematen op gepaste wijze (bv. immobilisatie van de aangedane pees). Gebruik geen corticosteroïden meer als zich tekenen van tendinopathie voordoen

In verband met een relatief toegenomen kans op artropathie bij kinderen, ciprofloxacine bij hen alleen op strikte indicatie toepassen.

De kans op aorta-aneurysma en -dissectie neemt toe door systemische of geïnhaleerde fluorchinolonen, vooral bij ouderen. Instrueer de patiënt om onmiddellijk spoedeisende medische hulp in te roepen bij plotseling optredende ernstige pijn in de buik, borst of rug. Overweeg andere behandelopties bij patiënten met een pre-existent vergroot risico hierop. Mogelijke (andere) oorzaken van aorta-aneurysma en -dissectie zijn: hypertensie, atherosclerose, (familiaire) voorgeschiedenis van aorta-aneurysma of -dissectie, M. Behçet, M. Marfan, arteriitis gigantocellularis, Takayasu-arteriitis, vasculair Ehlers-Danlossyndroom.

Neurologische en psychische reacties: Sensorische of sensomotorische neuropathie resulterend in paresthesie, hyperesthesie, dysesthesie en zwakte zijn gemeld bij patiënten die (fluor)chinolonen kregen. Staak de therapie bij het optreden van symptomen van neuropathie, omdat deze bij voortgezet gebruik irreversibel kan worden. Wees terughoudend bij risicofactoren voor epileptische aanvallen zoals een epileptische aanval in de voorgeschiedenis, elektrolytstoornissen, gestoorde nierfunctie en combinatie met bepaalde geneesmiddelen (zie de rubriek Interacties). Psychische reacties (bv. depressie of psychose) kunnen al na de eerste toediening optreden; bij voortgezet gebruik kunnen suïcidale gedachten/ideeën overgaan in suïcide(poging). Staak de therapie bij het optreden van epileptische aanvallen, (verergering van) myasthenia gravis of psychische reacties.

Laat de patiënt zich direct melden wanneer afwijkingen in het gezichtsvermogen verergeren of nieuw ontstaan; raadpleeg in dat geval een oogarts.

Bij het optreden van symptomen van een leveraandoening de therapie staken.

Wees voorzichtig bij risicofactoren voor QT-verlenging zoals hypokaliëmie, hypocalciëmie, hypomagnesiëmie, bradycardie, hartfalen, na een myocardinfarct, hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht, comedicatie met geneesmiddelen die QT-interval verlengen (zie rubriek Interacties) en congenitale of verworven QT-verlenging.

In verband met het risico van hemolytische reacties het gebruik vermijden bij patiënten met G6PD-deficiëntie.

In verband met fotosensibilisatie, de patiënt aanraden blootstelling aan overvloedig zonlicht of UV-stralen te vermijden.

Verstoring bloedglucosespiegel: Bij diabetes mellitus de bloedsuikerspiegel zorgvuldig controleren; met name bij ouderen is hypoglykemie gemeld bij gebruik van chinolonen (incl. hypoglykemisch coma). Ook hyperglykemie is gemeld.

Bij ernstige aanhoudende diarree de diagnose pseudomembraneuze colitis overwegen en de therapie staken indien deze diagnose bevestigd wordt.

De test op Mycobacterium tuberculosis kan een fout-negatieve uitslag geven.

Overdosering

Symptomen
Naast de bijwerkingen is o.a. reversibele nefrotoxiciteit gemeld.

Therapie
hydratie. Hemodialyse en peritoneale dialyse hebben slechts een beperkt effect. Bij recente orale inname: antacida die calcium of magnesium bevatten en geactiveerde kool kunnen de opname verminderen.

Voor meer informatie over symptomen en behandeling bij een vergiftiging met ciprofloxacine neem contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Gefluorideerde chinolonverbinding. Ciprofloxacine werkt bactericide door remming van het bacteriële topo-isomerase II (DNA-gyrase) en topo-isomerase IV, die noodzakelijk zijn voor bacteriële DNA-replicatie, -transcriptie, -herstel en -recombinatie.

Doorgaans gevoelig zijn: Bacillus anthracis, Aeromonas spp., Brucella spp., Citrobacter koseri, Francisella tularensis, Haemophilus ducreyi, Haemophilus influenzae, Legionella spp., Moraxella catarrhalis, Neisseria meningitidis, Pasteurella spp., Raoultella spp., Salmonella spp., Shigella spp., Vibrio spp., Yersinia pestis, Mobiluncus, Chlamydia trachomatis, Chlamydia pneumoniae, Mycoplasma hominis en Mycoplasma pneumoniae.

Verworven resistentie kan een probleem zijn bij: Enterococcus faecalis, Staphylococcus spp., Acinetobacter baumannii, Burkholderia cepacia, Campylobacter spp., Citrobacter freundii, Enterobacter aerogenes, Enterobacter cloacae, Escherichia coli, Klebsiella oxytoca, Klebsiella pneumoniae, Morganella morganii, Neisseria gonorrhoeae, Proteus mirabilis, Proteus vulgaris, Providencia spp., Pseudomonas aeruginosa, Pseudomonas fluorescens, Serratia marcescens, Peptostreptococcus spp. en Cutibacterium acnes (voorheen Propionibacterium acnes).

Inherent resistent zijn: Actinomyces, Enterococcus faecium, Listeria monocytogenes, Stenotrophomonas maltophilia, anaerobe micro-organismen behalve zoals hierboven vermeld, Mycoplasma genitalium en Ureaplasma urealyticum.

Ciprofloxacine is onvoldoende werkzaam tegen streptokokken. Er is discussie over de gevoeligheid van de Streptococcus pneumoniae voor ciprofloxacine. Het klinisch breekpunt voor resistentie ligt in Nederland dusdanig dat differentiëren tussen gevoelige en resistente stammen moeizaam is. De gerapporteerde resistentiegraad is hierom variabel en onbetrouwbaar.

Kinetische gegevens

Resorptieoraal snel en goed, vnl. vanuit de dunne darm.
F70–80%, bij kinderen 50–80% (orale suspensie).
T maxoraal 1–2 uur.
V d2–3 l/kg.
Overighoge concentraties worden bereikt in diverse weefsels, zoals de longen, sinussen, ontstoken laesies, galvloeistof en het urogenitale stelsel (urine, prostaat, endometrium).
Metaboliseringvoor een gedeelte, tot vier minder actieve metabolieten.
Eliminatieoraal 2/3 met de urine en 1/3 met de feces, grotendeels onveranderd; i.v. ¾ met de urine en ¼ met de feces. Ciprofloxacine ondergaat zowel glomerulaire filtratie als tubulaire secretie. Hemodialyse en peritoneale dialyse hebben slechts een beperkt effect op de eliminatie van ciprofloxacine (< 10%).
T 1/2el4–7 uur, bij een ernstige nierfunctiestoornis tot 12 uur. Bij kinderen 4–5 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

ciprofloxacine hoort bij de groep fluorochinolonen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links