ofloxacine (systemisch)

Samenstelling

Ofloxacine Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
200 mg, 400 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

ofloxacine (systemisch) vergelijken met een ander geneesmiddel.

Advies

Ofloxacine komt pas voor behandeling van een urineweginfectie of pneumonie in aanmerking op basis van onderzoek naar de aard en de gevoeligheid van de verwekker; dit onderzoek is noodzakelijk bij onvoldoende effect van de middelen die geadviseerd worden voor de initiële empirische behandeling (zie hieronder en via de hyperlinks).

Bij een bacteriële community-acquired pneumonie (CAP) is behandeling met antibiotica altijd aangewezen. De verwekker van een pneumonie is bepalend voor de keuze van het antibioticum, maar bij een onbekende verwekker is de ernst van de pneumonie bepalend voor de keuze van het antibioticum. Bij behandeling van een milde pneumonie (C(U)RB-65 score: 0–1, PSI-klasse I–II) heeft orale toediening van amoxicilline de voorkeur. Bij een matig-ernstige pneumonie (CURB-65 score: 2, PSI-klasse III–IV) is intraveneuze toediening van benzylpenicilline of amoxicilline aangewezen; bij overgevoeligheid hiervoor is een intraveneuze toediening van een fluorchinolon (moxifloxacine of levofloxacine) of een 2e of 3e generatie cefalosporine (zoals ceftriaxon) aangewezen. Bij een ernstige pneumonie (CURB-65 score: > 2, PSI-klasse V) die op een normale afdeling wordt behandeld is monotherapie met een i.v. cefalosporine (cefotaxim, ceftriaxon of cefuroxim) aangewezen. Bij een ernstige pneumonie die op een intensivecare-afdeling wordt behandeld is monotherapie met i.v. moxifloxacine dan wel i.v. combinatietherapie van antibiotica aangewezen (ciprofloxacine met ofwel cefotaxim of ceftriaxon of cefuroxim). Bij een nosocomiale pneumonie wordt de keuze voor een specifiek antibioticum bepaald door de lokale situatie met betrekking tot de aard en de resistentie van de ziekenhuisflora.

Tuberculose-infectie: Ofloxacine wordt afgeraden als behandeling van rifampicine-resistente of multidrug-resistente tuberculose, vanwege onvoldoende bewijs voor de effectiviteit.

Bij acute urineweginfectie is de farmacotherapie gebaseerd op de ernst van de aandoening (wel of geen weefselinvasie), lokale resistentiepatronen en specifieke patiëntkenmerken (leeftijd, geslacht, risicokenmerken). Een cystitis bij gezonde niet-zwangere vrouwen gaat mogelijk vanzelf over; voer daarom een afwachtend beleid. Ga echter bij risicogroepen, waaronder kinderen, direct over tot medicamenteuze therapie om complicaties te voorkomen. De belangrijkste middelen zijn: nitrofurantoïne (1e keus), oraal fosfomycine (2e keus), trimethoprim (3e keus) en bij zwangeren ook amoxicilline/clavulaanzuur (dan 2e keus). Gebruik in geval van weefselinvasie antibacteriële middelen met voldoende weefselpenetratie. Start eventueel, in afwachting van een antibiogram, de behandeling met middelen zoals ciprofloxacine (1e keus), amoxicilline/clavulaanzuur (2e keus) of cotrimoxazol (3e keus) en intramuraal met aminoglycosiden en i.v. cefalosporinen (zoals ceftriaxon). Bij zwangeren met een pyelonefritis zijn ceftriaxon of cefotaxim middelen van 1e keus. Zie voor meer informatie urineweginfecties.

De medicamenteuze behandeling van soa’s is afhankelijk van het type verwekker en het resistentiepatroon. Maak de keuze voor een middel daarom op geleide van de diagnose. Geef voorlichting over veilig vrijen en partnerwaarschuwing. Eerste keus bij urogenitale en/of cervicale chlamydia-infectie is azitromycine. Tweede keus is doxycycline. Bij contra-indicaties komen amoxicilline, levofloxacine of ofloxacine in aanmerking. Bij rectale infectie is doxycycline eerste keus. Bij gonorroe is ceftriaxon eerste keus. Bij contra-indicaties komen ciprofloxacine, amoxicilline of azitromycine in aanmerking.

Voor ofloxacine is voor overige indicaties geen advies vastgesteld over de plaats in de medicamenteuze behandeling.

Indicaties

Infecties veroorzaakt door micro-organismen die gevoelig zijn voor ofloxacine:

  • ongecompliceerde (cystitis) en gecompliceerde infecties van de urinewegen;
  • infecties van de lagere luchtwegen (waaronder pneumonie, bronchitis en acute exacerbatie van chronische bronchitis);
  • ongecompliceerde urethrale en cervicale gonorroe; non-gonokokken urethritis en cervicitis;
  • offlabel: cervicale en/of urethrale infecties veroorzaakt door Chlamydia trachomatis.

Bij een ongecompliceerde urineweginfectie (cystitis) of bij (acute exacerbaties van) bronchitis mag ofloxacine uitsluitend worden gebruikt, indien andere antibiotica die doorgaans worden aanbevolen ongeschikt of niet effectief zijn gebleken.

Gerelateerde informatie

Dosering

Sommige tabletten bevatten een breukstreep, zodat op 100 mg kan worden gedoseerd.

Klap alles open Klap alles dicht

Algemene richtlijn:

Volwassenen:

200–800 mg/dag, afhankelijk van het type en de ernst van de infectie. Doseringen tot 400 mg/dag kunnen als eenmalige dosis worden gegeven, bij voorkeur 's ochtends. De behandelduur bedraagt meestal 7–10 dagen.

Ongecompliceerde lage urineweginfectie (cystitis):

Volwassenen:

200–400 mg 1×/dag gedurende 3 dagen.

Gecompliceerde hoge urineweginfectie:

Volwassenen:

400 mg 1×/dag, eventueel verhogen tot 400 mg 2×/dag, gedurende 7–10 dagen.

Luchtweginfectie:

Volwassenen:

400 mg 1×/dag, eventueel verhogen tot 400 mg 2×/dag, gedurende 7–10 dagen.

Ongecompliceerde urethrale en cervicale gonorroe:

Volwassenen:

400 mg eenmalig.

Non-gonokokken urethritis en cervicitis:

Volwassenen:

400 mg 1×/dag gedurende 7–10 dagen.

Offlabel: Cervicale en/of urethrale infecties veroorzaakt door Chlamydia trachomatis:

Volwassenen:

Volgens de multidisciplinaire richtlijn Seksueel Overdraagbare Aandoeningen (pdf 2,3 MB, p. 75, 2018) oraal: 400 mg 2×/dag gedurende 7 dagen.

Ouderen geen dosisaanpassing nodig op basis van alleen de leeftijd.

Verminderde nierfunctie: na een normale eerste startdosis zijn de onderhoudsdoseringen: creatinineklaring 20–50 ml/min: 100–200 mg 1×/24 uur; creatinineklaring < 20 ml/min: 100 mg 1×/24 uur óf 200 mg 1×/48 uur. Omdat bij ongecompliceerde urethrale en cervicale gonorroe maar één dosis wordt gegeven is aanpassing ervan niet nodig. Bij hemo- of peritoneaaldialyse is de dosering 100 mg 1×/24 uur óf 200 mg 1×/48 uur.

Verminderde leverfunctie: bij een ernstige leverfunctiestoornis (bv. levercirrose met ascites): max. 400 mg/dag i.v.m. een mogelijk verminderde excretie.

Toedieningsinformatie: de tablet zonder kauwen met water (géén melkproducten) innemen, bij een dosering 1×/dag bij voorkeur 's ochtends.

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): maagklachten.

Soms (0,1-1%): schimmelinfectie. Misselijkheid, braken, buikpijn, diarree. Hoesten, nasofaryngitis. Hoofdpijn, (draai)duizeligheid, rusteloosheid. Slaapstoornis, agitatie. Huiduitslag, jeuk. Oogirritatie.

Zelden (0,01-0,1%): hypotensie, tachycardie. Anafylactische of anafylactoïde reactie (incl. shock), angio–oedeem. Anorexie, enterocolitis (soms met bloedingen). Dyspneu, bronchospasme. Slaperigheid, paresthesie, smaakstoornis, veranderde reukwaarneming. Visusstoornis. Verwardheid, angst, depressie, nachtmerrie, psychotische reacties. Malaise. Urticaria, pustuleuze huiduitslag, hyperhidrose, opvliegers. Tendinitis. Verhoogde waarden ALAT, ASAT, γ-GT en/of AF en bilirubine in bloed en creatinine in serum.

Zeer zelden (< 0,01%): circulatoir collaps. Verminderde nierfunctie, acuut nierfalen. Pseudomembraneuze colitis. Cholestatische icterus, ernstige leverbeschadiging. Convulsie, perifere neuropathie (sensorisch, motorisch), extrapiramidale symptomen, andere aandoeningen van de spiercoördinatie. Oorsuizen, gehoorverlies. Erythema multiforme, toxische epidermale necrolyse, 'fixed drug eruption', vasculaire purpura, vasculitis (in uitzonderlijke gevallen leidend tot huidnecrose), fotosensibilisatie. Artralgie, myalgie, peesruptuur (bv. van de achillespees; kan binnen 48 uur na aanvang van de behandeling en beiderzijds optreden). Anemie, hemolytische anemie, leukopenie, eosinofilie, trombocytopenie.

Verder zijn gemeld: verlenging QT–interval, ventriculaire aritmie en 'torsade de pointes'. (Fulminante) hepatitis, ernstige andere leveraandoeningen (o.a. acuut leverfalen, soms fataal, m.n. bij onderliggende leveraandoeningen). Acute interstitiële nefritis. Agranulocytose, beenmergfalen eventueel leidend tot pancytopenie. Nervositeit, automutilatie, zelfmoordgedachte, zelfmoordpoging. Tremor, dyskinesie, syncope, ageusie. Uveïtis. Allergische pneumonitis. Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP), exfoliatieve dermatitis, overige huiduitslag. Verergering porfyrie. Myopathie, spierruptuur, gewrichtsbandruptuur, spierzwakte, rabdomyolyse, artritis. Stomatitis, dyspepsie, obstipatie, flatulentie, pancreatitis. Hypoglykemie (bij diabetici behandeld met bloedglucoseverlagende middelen, incl. het optreden van hypoglykemisch coma), hyperglykemie. Syndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH). Asthenie, koorts, pijn in rug, borst en extremiteiten. In verschillende studies is meer kans op aorta-aneurysma en -dissectie waargenomen na behandeling met fluorchinolonen.

In zeer zeldzame gevallen kunnen bepaalde bijwerkingen op de spieren en het zenuwstelsel ernstig, invaliderend en langdurig (maanden tot jaren) en mogelijk irreversibel zijn, zie voor meer informatie de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen.

Interacties

Sucralfaat, ijzerzouten, zinkzouten, en aluminium-, magnesium- of calciumbevattende antacida kunnen de resorptie van ofloxacine verminderen; bij gelijktijdige toediening een interval van ten minste twee uur aanhouden.

Ofloxacine vergroot de kans op convulsies indien gecombineerd met theofylline, NSAID's of andere middelen die de convulsiedrempel verlagen.

Voorzichtig bij de combinatie met geneesmiddelen die het QT–interval verlengen zoals klasse IA en III anti-aritmica, antipsychotica, antidepressiva, macroliden, imidazool- en triazoolantimycotica, ketoconazol, niet-sederende antihistaminica.

Bij gelijktijdig gebruik met vitamine K–antagonisten is een verlenging van de stollingstijd (toename van de INR-waarde) waargenomen; controleer deze waarde daarom regelmatiger.

De kans op hypoglykemie neemt toe bij de combinatie met bloedglucoseverlagende middelen (insuline, orale middelen); controleer nauwgezet het bloedsuikergehalte.

Gelijktijdige behandeling met corticosteroïden doet de kans op tendinitis en peesruptuur toenemen.

Bij toediening van hogere doses rekening houden met wederzijdse nadelige beïnvloeding van de eliminatie en met een stijging van de serumspiegels bij combinatie met andere geneesmiddelen die in relevante mate worden uitgescheiden via de renale tubuli (bv. cimetidine, furosemide en methotrexaat).

Zwangerschap

Ofloxacine passeert de placenta.
Teratogenese: In de beperkte hoeveelheid gegevens over systemisch gebruik van fluorchinolonen tijdens het 1e trimester is geen kanstoename te zien van ernstige misvormingen of van andere nadelige effecten op de zwangerschap. Bij dieren kunnen fluorchinolonen kraakbeen- en gewrichtsafwijkingen veroorzaken. Dergelijke effecten zijn bij de mens tot nu toe niet gemeld. Er is echter te weinig ervaring met fluorchinolonen in het 2e en 3e trimester om een goede risico-inschatting te maken.
Advies: Gebruik is gecontra-indiceerd.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja, in relatief kleine hoeveelheden.
Farmacologisch effect: Bij dieren blijken fluorchinolonen een nadelige invloed te hebben op het kraakbeen in dragende gewrichten tijdens de groeifase. Artropathie en andere ernstige toxiciteit bij de zuigeling zijn niet uit te sluiten.
Advies: Het gebruik van dit geneesmiddel of het geven van borstvoeding is gecontra-indiceerd.

Contra-indicaties

  • epilepsie of een verhoogde neiging tot het ontwikkelen van epileptische aanvallen;
  • peesaandoeningen in de voorgeschiedenis, gerelateerd aan het gebruik van (fluor)chinolonen;
  • kinderen en jongeren in de groeifase (omdat bij dieren in de groei afwijkingen in het kraakbeen van de groeischijf zijn waargenomen);
  • overgevoeligheid voor (fluor)chinolonen.

Zie ook de rubrieken Zwangerschap en Lactatie.

Waarschuwingen en voorzorgen

Het gebruik van ofloxacine vermijden indien de patiënt eerder ernstige bijwerkingen heeft ervaren door het gebruik van (fluor)chinolonen. In dit geval de behandeling pas starten indien er geen andere behandelopties zijn en na afweging van de voordelen en risico's.

Vanwege de verminderde gevoeligheid van streptokokken voor ofloxacine is het ongeschikt bij streptokokkeninfecties.

Wees voorzichtig bij:

  • een psychiatrische aandoening (huidig of in de voorgeschiedenis);
  • risicofactoren voor verlenging van het QT–interval (zoals bradycardie, hypokaliëmie, hypocalciëmie, hypomagnesiëmie, cardiale aritmie, ernstig hartfalen, comedicatie met geneesmiddelen die QT-interval verlengen (zie rubriek Interacties), congenitale of verworven QT-verlenging);
  • verminderde leverfunctie (vanwege de bijwerkingen op de lever);
  • myasthenia gravis (ook in de voorgeschiedenis vanwege de kans op respiratoire insufficiëntie);
  • G6PD-deficiëntie (i.v.m. risico van hemolytische anemie).

Risico op langdurige, invalidere bijwerkingen: Laat de patiënt zich melden bij de eerste mogelijk plotseling optredende tekenen van ernstige bijwerkingen op de spieren (zoals een peesontsteking, gescheurde pees, spierpijn of -zwakte, zwelling van of pijn in een gewricht en bij loopstoornissen) of bijwerkingen op het zenuwstelsel (zoals zenuwpijn, slapeloosheid, depressie, vermoeidheid, geheugenstoornis, vermindering van het zicht, de smaak, reuk en/of het gehoor). Dit vanwege langdurige (maanden of jaren), invaliderende en potentieel irreversibele bijwerkingen op de spieren en het zenuwstelsel. Overweeg om deze reden bij patiënten met vergroot risico op deze bijwerkingen eerst andere behandelopties.

Neuropathie: de behandeling staken bij het optreden van tekenen van neuropathie (pijn, branderig of doof gevoel, tintelingen of zwakte) om irreversibele effecten te voorkómen. Dit omdat sensorische of sensomotorische neuropathie resulterend in paresthesie, hyperesthesie, dysesthesie en zwakte zijn gemeld bij patiënten die (fluor)chinolonen kregen.

Vanwege kanstoename op door fluorchinolonen geïnduceerde tendinitis en peesruptuur extra voorzichtig zijn met de toepassing bij:

  • ouderen;
  • patiënten met een nierfunctiestoornis;
  • na een solide orgaantransplantatie;
  • bij comedicatie met corticosteroïden.

De behandeling onmiddellijk staken bij vermoeden van een tendinitis (bv. pijnlijke zwelling, ontsteking), dit vanwege de kans op een peesruptuur (meestal betreft dit de achillespees, soms bilateraal). Tendinitis en peesruptuur kunnen optreden binnen 48 uur na het begin van de behandeling tot verschillende maanden na staken ervan. Behandel betrokken ledemaat/ledematen op gepaste wijze (bv. immobilisatie van de aangedane pees). Gebruik geen corticosteroïden meer als zich tekenen van tendinopathie voordoen.

De kans op aorta-aneurysma en -dissectie neemt toe door systemische of geïnhaleerde fluorchinolonen, vooral bij ouderen. Instrueer de patiënt om onmiddellijk spoedeisende medische hulp in te roepen bij plotseling optredende ernstige pijn in de buik, borst of rug. Overweeg andere behandelopties bij patiënten met een pre-existent vergroot risico hierop. Mogelijke (andere) oorzaken van aorta-aneurysma en -dissectie zijn: hypertensie, atherosclerose, (familiaire) voorgeschiedenis van aorta-aneurysma of -dissectie, M. Behçet, M. Marfan, arteriitis gigantocellularis, Takayasu-arteriitis, vasculair Ehlers-Danlossyndroom.

Als in het gezichtsvermogen afwijkingen ontstaan of verergeren, of er enig ander effect is op de ogen, dan onmiddellijk een oogarts consulteren.

Tevens de behandeling staken bij:

  • het optreden van een epileptisch insult;
  • neiging tot automutilatie of suïcide;
  • bij symptomen van verminderde leverfunctie (zoals anorexie, geelzucht, donkergekleurde urine, gevoelige buik, jeuk);

Vanwege de kans op ernstige bulleuze huidreacties de patiënt onmiddellijk contact laten opnemen bij eerste tekenen van overgevoeligheidsreacties. Tijdens de behandeling en gedurende 48 uur na staken van de behandeling blootstelling aan natuurlijk of kunstmatig zonlicht vermijden, vanwege de kans op fotosensibilisatie.

Bij ernstige of aanhoudende diarree tijdens of na de behandeling de diagnose pseudomembraneuze colitis overwegen.

De bepaling van opiaten of porfyrinen in de urine kan fout-positieve resultaten opleveren.

Overdosering

Symptomen
Acute overdosering: verwardheid, hallucinaties, bewustzijnsdaling, duizeligheid, tremor, convulsies, verlenging van het QT-interval, maag-darmklachten met erosie van het maag-darmslijmvlies.

Therapie
Er is geen specifiek antidotum. De behandeling is symptomatisch. Overweeg: antacida ter bescherming van het maagslijmvlies, ECG-bewaking, anticonvulsiva bij convulsies. Hemodialyse en geforceerde diurese verhogen de eliminatie. Peritoneale dialyse/CAPD zijn niet effectief.

Voor meer informatie over de symptomen en behandeling van een vergiftiging met ofloxacine, neem contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Gefluorideerde chinolonverbinding. Systemisch toegediend ofloxacine heeft een bactericide werking en beïnvloedt de DNA-synthese door remming van het bacteriële DNA-gyrase en topo-isomerase IV.

Gewoonlijk gevoelig zijn: Staphylococcus aureus (meticilline-gevoelige stammen; 'MSSA'), Streptococcus. pyogenes, Acinetobacter, Citrobacter spp., Enterobacter spp., Escherichia coli, Haemophilus influenzae, Klebsiella spp., Moraxella spp., Morganella morganii, Proteus spp., Serratia marescens, Chlamydia spp., Legionella pneumophila.

Middelmatig gevoelig zijn: Streptococcus pneumoniae (resistentie ca. 70%), Providentia (resistentie ca. 17%), Enterococcus faecalis (resistentie ca. 50%), Pseudomonas aeruginosa (resistentie ca. 20–30%), andere Serratia spp. (resistentie ca. 20–40%), Stenotrophomonas maltophilia (resistentie ca. 5–11%), Mycoplasma spp., Ureaplasma spp.

Een verworven resistentie kan een probleem zijn bij: Staphylococcus aureus (meticilline-ongevoelig; 'MRSA', resistentie ca. 69–86%), β–hemolytische streptokokken uit de serologische groepen B, C en G, Enterococcus faecium, Neisseria gonorrhoeae (ca. 25%).

Resistent zijn: anaerobe bacteriën (zoals Fusobacterium spp.), Eubacterium spp., peptokokken, peptostreptokokken, Bacteroides spp. en Treponema pallidum.

Het resistentiemechanisme berust voornamelijk op één of meerdere mutaties in de enzymen waar ofloxacine op aangrijpt, wat in het algemeen leidt tot kruisresistentie met andere fluorchinolonen.

Kinetische gegevens

Resorptieoraal snel en vrijwel volledig.
Fca. 95%
T maxca. 1 uur.
V d1–2,5 l/kg.
Overigofloxacine heeft een hoge penetratie in de meeste weefsels met een concentratie 0,5–1,7 keer de serumconcentratie.
Metaboliseringin geringe mate: < 5%.
Eliminatiemet de urine, ca. 95% onveranderd. Hemodialyse is (gedeeltelijk) in staat ofloxacine uit de circulatie te verwijderen, peritoneale dialyse/CAPD niet.
T 1/2ca. 5,7–7 uur, bij nierfunctiestoornissen 10–30 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

ofloxacine (systemisch) hoort bij de groep fluorochinolonen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Geneesmiddelgroep

Indicaties

Externe links