Samenstelling

CellCept Roche Nederland bv

Toedieningsvorm
Capsule
Sterkte
250 mg
Toedieningsvorm
Poeder voor suspensie
Sterkte
200 mg/ml
Verpakkingsvorm
175 ml

Bevat tevens: aspartaam (overeenkomend met 2,78 mg/5 ml fenylalanine), sorbitol, soja-lecithine. Conserveermiddel: methylparahydroxybenzoaat.

Toedieningsvorm
Tablet
Sterkte
500 mg

CellCept Roche Nederland bv

Toedieningsvorm
Poeder voor infusievloeistof
Sterkte
500 mg

Mycofenolaat mofetil Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Capsule
Sterkte
250 mg
Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
500 mg

Mycofenolaat mofetil Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Poeder voor infusievloeistof
Sterkte
500 mg

Myfenax Pharmachemie bv

Toedieningsvorm
Capsule
Sterkte
250 mg
Toedieningsvorm
Tablet, omhuld
Sterkte
500 mg

Uitleg symbolen

Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Mycofenolaatmofetil is in Nederland geregistreerd voor preventie van acute orgaanafstoting na nier-, lever- en harttransplantatie. Op grond van de resultaten van klinisch onderzoek kan mycofenolaatmofetil onderdeel uitmaken van het immunosuppressieve beleid ter preventie van transplantaatafstoting kort na de transplantatie en ook als onderhoudsbehandeling en voor ‘rescue’-behandeling na falen van eerdere immunosuppressieve therapie.

Indicaties

  • Mycofenolaatmofetil wordt samen met ciclosporine en corticosteroïden gebruikt als profylaxe tegen acute orgaanafstoting bij patiënten die een allogene nier-, hart- of levertransplantatie ondergaan.

Dosering

Bij dit geneesmiddel wordt (tevens) gedoseerd op geleide van de bloedspiegel; zie voor meer informatie hierover op Mycofenolzuur van tdm-monografie.org (van NVZA).

Mycofenolaatmofetil en mycofenolzuur niet zonder meer verwisselen wegens verschillen in kinetiek.

De i.v.-dosis van mycofenolaatmofetil is gelijk aan de orale.

Klap alles open Klap alles dicht

Niertransplantatie:

Volwassenen:

De aanbevolen dosering is 1 g 2×/dag. Bij ernstige chronisch gestoorde nierfunctie (glomerulaire filtratiesnelheid < 25 ml/min/1,73 m²), behalve in de periode direct na de transplantatie, niet hoger doseren dan 1 g 2×/dag.

Oraal: te beginnen binnen 72 uur na transplantatie, of volgend op i.v.-toediening.

Kinderen 2–18 jaar:

Met een lichaamsoppervlakte van < 1,25 m²: 600 mg/m² 2×/dag (max. 2 g per dag); met een lichaamsoppervlakte van 1,25–1,5 m²: 750 mg 2×/dag; met een lichaamsoppervlakte > 1,5 m²: 1 g 2×/dag. Een tijdelijke dosisverlaging of onderbreking kan nodig zijn bij het optreden van bijwerkingen.

Harttransplantatie:

Volwassenen:

Oraal: te beginnen binnen 5 dagen na transplantatie. De aanbevolen dosering is 1,5 g 2×/dag. Er zijn geen gegevens beschikbaar over toediening bij deze indicatie bij kinderen of patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie of ernstige parenchymale leverziekte.

Levertransplantatie:

Volwassenen:

De eerste 4 dagen i.v.-toediening; start met oraal 1,5 g 2×/dag zodra dit kan worden verdragen. Er zijn geen gegevens beschikbaar over levertransplantaties bij kinderen of patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie.

Nierfunctiestoornis: een aanpassing in de dosering is in principe niet nodig; er zijn echter geen gegevens beschikbaar over het gebruik bij hart- of levertransplantatiepatiënten met een ernstige chronisch verminderde nierfunctie.

Leverfunctiestoornis: aanpassing van de dosis is niet nodig bij niertransplantatie patiënten met ernstige parenchymale leverziekte. Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gebruik bij een harttransplantatie.

De i.v.-oplossing nooit toedienen als een snelle of bolus i.v.-injectie maar als langzame infusie over een periode van 2 uur via een perifere of centrale vene. De eerste i.v.-dosis geven binnen 24 uur na de transplantatie, max. 14 dagen toepassen. Overschakelen op de orale toediening zodra dit voor de patiënt mogelijk is.

Oraal: op de lege maag innemen. Tablet niet fijnmaken, capsule niet openen en contact met huid en slijmvliezen vermijden in verband met aangetoonde teratogeniteit. Indien dergelijk contact optreedt, grondig wassen met water en zeep; ogen spoelen met schoon water.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): misselijkheid, braken, diarree, buikpijn, gastro-intestinale candidiasis. Urineweginfectie. Sepsis. Leukopenie, trombocytopenie, anemie. Systemische candidiasis. Herpesinfecties van de huid en adnexa.

Vaak (1-10%): koorts, griepachtige verschijnselen, malaise, hoofdpijn, pijn, asthenie, gewichtsverlies. Bloeddrukveranderingen, vasodilatatie, tachycardie, oedeem. Infecties van de luchtwegen, pleurale effusie, dyspneu, hoest. Gastro-intestinale infecties (waaronder (CMV-)colitis), bloedingen, ulcus, anorexie, tandvleeshyperplasie, flatulentie, obstipatie, ileus. Hepatitis, geelzucht. Pancreatitis. Gestoorde nierfunctie. Pancytopenie, leukocytose. Benigne neoplasie van de huid, huidhypertrofie, huiduitslag, huid en/of vaginale candidiasis, alopecia, acne, carcinomen van de huid. Slaapstoornissen, angst, verwardheid, depressie, abnormaal denken, tremor, hypertonie, paresthesie, convulsies. Smaakstoornissen. Artralgie. Metabole veranderingen; elektrolyten, acidose, lipiden, hyperglykemie, hyperurikemie, stijging van leverenzymwaarden (incl. alkalische fosfatase en lactaatdehydrogenase). Flebitis en trombose bij de toedieningsplaats.

Soms (0,1-1%): agranulocytose.

Verder zijn gemeld: darmvlokkenatrofie; ernstige levensbedreigende infecties zoals infectieuze endocarditis, tuberculose, atypische mycobacteriële infectie, meningitis. Neutropenie, aplastische anemie en beenmergdepressie (ook met fatale afloop); mogelijk fatale progressieve multifocale leukencefalopathie (PML) als gevolg van het JC-virus, 'Pure Red Cell Aplasia' (PRCA), morfologisch afwijkende neutrofielen zoals Pelger-Huët-anomalie, nefropathie als gevolg van het BK-virus; overgevoeligheidsreacties (ook angio-oedeem en anafylaxie); interstitiële longziekte en pulmonale fibrose bij combinatie met andere immunosuppressiva; bronchiëctasieën. Hypogammaglobulinemie.

Bij kinderen (vooral 2–6 j.) komen vaker voor: anemie, leukopenie, infectie, sepsis, diarree.

Bij een leeftijd ≥ 65 j. komen vaker voor: infecties (incl. weefselinvasieve cytomegalovirusinfectie), gastro-intestinale bloedingen en longoedeem.

Interacties

Controleer de mycofenolzuur spiegel bij gelijktijdig gebruik met rifampicine; de combinatie geeft een afname in blootstelling aan mycofenolzuur (zonder gebruik ciclosporine). Pas zonodig de dosering van mycofenolaatmofetil aan. .

Bij levertransplantatiepatiënten die behandeld worden met tacrolimus kan de blootstelling aan tacrolimus ca. 20% stijgen, wanneer mycofenolaatmofetil wordt toegediend; bij niertransplantatiepatiënten was de concentratie ongewijzigd. De combinatie met azathioprine is onvoldoende onderzocht.

Bij vaccinatie met levend verzwakt virus is er een risico van mogelijk ernstig (fataal) verlopende algemene systemische ziekte. De antilichaamreactie op andere vaccins kan afnemen.

Door concurrentie bij de tubulaire uitscheiding verhoogt mycofenolzuurglucuronide de plasmaconcentratie van aciclovir en vice versa, en mogelijk ook van andere geneesmiddelen die renaal tubulair worden uitgescheiden, zoals ganciclovir, valganciclovir en valaciclovir.

De werkzaamheid kan afnemen bij gebruik van geneesmiddelen die de enterohepatische kringloop beïnvloeden. Wees voorzichtig wanneer bij een combinatietherapie met immunosuppressiva, die interfereren met de enterohepatische kringloop van mycofenolzuur, bijvoorbeeld ciclosporine, overgestapt wordt naar andere middelen die dit effect niet hebben, bijvoorbeeld tacrolimus, sirolimus, belatacept of andersom; de blootstelling aan mycofenolzuur kan veranderen. Deze kan (ca. 30%) toenemen bij staken van een gelijktijdige behandeling met ciclosporine. Colestyramine en antibiotica die β-glucuronidase-producerende bacteriën in het maag-darmkanaal elimineren (bv, aminoglycoside-, cefalosporine-, fluorquinolon- en penicilline-antibiotica) kunnen de spiegel van mycofenolzuur verlagen (blootstelling neemt met 40% af). Bij combinatie met orale ciprofloxacine of amoxicilline met clavulaanzuur kan gedurende de eerste dagen de dalspiegel van mycofenolzuur tot 50% afnemen; bij continueren van de kuur nam dit effect af. Dosisaanpassing is echter pas noodzakelijk bij ontstaan van transplantaatdisfunctie. Er is geen significante interactie bij combinatie met norfloxacine of metronidazol afzonderlijk; echter bij combinatie met zowel norfloxacine als metronidazol is de mycofenolzuurspiegel ca. 30% verlaagd.

Bij combinatie met sevelameer: mycofenolaatmofetil één uur vóór of drie uur na sevelameer toedienen om een verminderde absorptie van mycofenolzuur te minimaliseren.

Voorzichtig zijn bij combinatie met isavuconazol; blootstelling aan mycofenolzuur kan toenemen door remming van de glucuronidering van mycofenolzuur door isavuconazol.

Zwangerschap

Teratogenese: Mycofenolzuur is bij mensen sterk teratogeen. Uit onderzoeksgegevens is bij de mens schadelijkheid gebleken: er is aanzienlijk meer kans op spontane abortus (45–49% van de zwangere vrouwen) en congenitale misvormingen (23–27%), waaronder aan het aangezicht (hazenlip, gespleten verhemelte, micrognathie, afwijkingen aan oogkassen), hart (septumdefecten), trachea, slokdarm (atresie), ogen (coloboma), zenuwstelsel (spina bifida), vingers (polydactylie, syndactylie), nieren en het (midden)oor.
Advies: Gebruik is gecontra-indiceerd; alleen op zeer strikte indicatie gebruiken indien er géén enkele geschikte alternatieve behandeling beschikbaar is om orgaanafstoting te voorkómen.
Overige: Vóór aanvang van de behandeling, zwangerschap uitsluiten door twee testen uit te voeren: een tweede zwangerschapstest 8–10 dagen na een eerste test én direct voor start van de behandeling. Als dit niet mogelijk is (vanwege het tijdstip waarop een orgaan beschikbaar komt), een test uitvoeren direct voor start behandeling en een tweede test 8-10 dagen later. Een vruchtbare vrouw dient ten minste één effectieve manier van anticonceptieve te gebruiken gedurende én tot ten minste 6 weken na de therapie. Het gebruik van twee vormen van anticonceptie verdient de voorkeur, maar is niet verplicht. Er is geen kanstoename op geboorteafwijkingen of miskramen bij zwangerschappen waarbij de vader mycofenolaat-middelen gebruikte. Een genotoxisch effect op spermacellen kan niet volledig worden uitgesloten. Het wordt daarom aangeraden dat een seksueel actieve man condooms gebruikt of zijn vrouwelijke partner effectieve anticonceptie gebruikt tijdens en tot 90 dagen na zijn therapie. Ook mag gedurende de behandeling tot 3 maanden er na geen sperma gedoneerd worden. De tablet niet fijnmaken, de capsule niet openen en contact met huid en slijmvliezen vermijden in verband met aangetoonde teratogeniteit. Indien dergelijk contact optreedt, grondig wassen met water en zeep; ogen spoelen met schoon water.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend. Ja, bij dieren.
Advies: Gebruik is gecontra-indiceerd vanwege de mogelijkheid van ernstige bijwerkingen bij de zuigeling.

Contra-indicaties

  • Overgevoeligheid voor mycofenolzuur.

Zie voor meer contra-indicaties de rubrieken Zwangerschap en Lactatie.

Waarschuwingen en voorzorgen

Immunosuppressie: wees voorzichtig bij gebruik van immunosuppressieve middelen omdat er meer kans is op (opportunistische) infecties, lymfomen en andere maligniteiten, in het bijzonder van de huid. Daarom blootstelling aan zonlicht en UV-straling zoveel mogelijk beperken door het dragen van beschermende kleding en het gebruik van zonnebrandcrème met een hoge beschermingsfactor. Bij immunosuppressieve patiënten bedacht zijn op het optreden van hepatitis B- of hepatitis C-reactivatie, BK-virus-geassocieerde nefropathie en JC-virus-geassocieerde PML.

Bloedbeeld: gedurende de eerste maand eenmaal per week het complete bloedbeeld bepalen, tijdens de tweede en derde maand iedere twee weken; daarna maandelijks gedurende het eerste jaar. In geval van neutropenie (ANC < 1,3×10³/microl) onderbreking of staking van de behandeling overwegen. De patiënt erop wijzen elke aanwijzing van infectie, onverwachte blauwe plekken, bloedingen of andere uiting van beenmergdepressie onmiddellijk te melden.

Hypogammaglobulinemie, samenhangend met terugkerende infecties, kan optreden bij gebruik van mycofenolaatmofetil in combinatie met andere immunosuppressiva. Bij terugkerende infecties, de serum-immunoglobulinewaarde laten bepalen. Overweeg in het geval van een aanhoudende, klinisch relevante hypogammaglobulinemie passend medisch ingrijpen; in sommige gevallen kan overstappen van mycofenolaatmofetil naar een ander immunosuppressivum de IgG-waarden normaliseren.

Bronchiëctasie kan optreden bij gebruik van mycofenolaatmofetil in combinatie met andere immunosuppressiva, in sommige gevallen met terugkerende bovenste luchtweginfecties. Pulmonale symptomen kunnen enkele maanden tot meerdere jaren na begin van de behandeling met mycofenolaatmofetil optreden. Daarnaast is ook interstitiële longziekte, in sommige gevallen met fatale afloop, gemeld. Aanbevolen wordt aanhoudende pulmonale symptomen, zoals hoest en dyspneu, direct te onderzoeken. In sommige gevallen kan overstappen van mycofenolaatmofetil naar een ander immunosuppressivum een verbetering van de respiratoire symptomen geven.

Wees voorzichtig bij ernstige, actieve ziekten van het spijsverteringsstelsel.

Wees voorzichtig bij combinatie met middelen die de enterohepatische kringloop beïnvloeden, zie rubriek Interacties; de blootstelling aan mycofenolzuur kan veranderen. Controle van de therapeutische concentratie kan nodig zijn bij overstappen naar een andere combinatietherapie met immunosuppressiva of om adequate immunosuppressie te waarborgen bij patiënten met een hoog immunologisch risico.

Vermijd toediening bij patiënten met HGPRT-deficiëntie zoals het Lesch-Nyhan– en het Kelley-Seegmillersyndroom, vanwege meer kans op urinesteentjes, urineweginfecties, jichtaanvallen en nierstenen.

Een vruchtbare man dient (ook indien een vasectomie is ondergaan) een condoom te gebruiken gedurende én tot ten minste 90 dagen na de therapie, zie ook de rubriek Zwangerschap.

Tijdens de behandeling en tot minstens zes weken na beëindiging ervan mag geen bloed gedoneerd worden in verband met de aangetoonde teratogeniteit.

Onderzoeksgegevens: de effectiviteit en veiligheid bij kinderen met een hart- of levertransplantatie en bij kinderen jonger dan 2 jaar is nog niet vastgesteld. Gegevens over toepassing bij hart- of levertransplantatiepatiënten met een ernstige chronisch gestoorde nierfunctie (glomerulaire filtratiesnelheid < 25/ml/min/1,73 m²) of bij harttransplantatiepatiënten met ernstige parenchymale leverziekte zijn onvoldoende beschikbaar.

Overdosering

Symptomen
Overdosering kan leiden tot overmatige suppressie van het immuunsysteem met toegenomen gevoeligheid voor infecties en beenmergsuppressie.

Neem voor informatie over een vergiftiging met mycofenolaatmofetil contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Mycofenolaatmofetil is een prodrug en wordt na resorptie door plasma-esterasen snel omgezet in het werkzame mycofenolzuur. Mycofenolzuur remt krachtig en selectief het enzym inosinemonofosfaatdehydrogenase, dat een belangrijke rol speelt in de de-novo-synthese van guanosidenucleotiden. De enzymremming is reversibel en niet-competitief. Het directe resultaat is een cytostatisch effect op B- en T-lymfocyten, omdat B- en T-lymfocyten sterk afhankelijk zijn van voor hun proliferatie van de-novo-synthese van purinen. Andere celtypen kunnen gebruik kunnen maken van salvage-routes.

Kinetische gegevens

OverigMycofenolaatmofetil wordt snel en volledig door plasma-esterasen omgezet in het actieve mycofenolzuur.
OverigMycofenolzuur:
F94%.
T maxoraal: circa 1,5 uur, door enterohepatische kringloop na 6–12 uur een tweede piekeffect.
V d0,71 l/kg
Eiwitbinding97%.
Metaboliseringwordt in de lever omgezet tot een inactieve glucuronide metaboliet.
Eliminatievnl. (93%) met de urine als inactieve metaboliet.
T 1/2elca. 12–18 uur, na transplantatie (< 40 dagen) sneller.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

mycofenolaatmofetil hoort bij de groep immunosuppressiva, selectieve.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook