Samenstelling

Zie voor hulpstoffen de productinformatie van CBG/EMA of raadpleeg een apotheker.

Claritromycine Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Granulaat voor suspensie
Sterkte
25 mg/ml
Verpakkingsvorm
60 ml
Toedieningsvorm
Granulaat voor suspensie
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
60 ml
Toedieningsvorm
Tablet, sommige omhuld
Sterkte
250 mg, 500 mg
Toedieningsvorm
Tablet met gereguleerde afgifte
Sterkte
500 mg

Klacid Mylan bv

Toedieningsvorm
Tablet met gereguleerde afgifte 'SR'
Sterkte
500 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

In het algemeen: claritromycine heeft o.a. als voordeel boven erytromycine, een gunstiger farmacokinetisch profiel, zodat het geschikt is voor een dosering tweemaal per dag.

Bij acute faryngotonsillitis is bestrijding van de pijn met paracetamol, eerste keus. Antibiotica zijn zelden geïndiceerd. Bij ernstige faryngotonsillitis, bij immuundeficiëntie of op advies van de GGD kan gekozen worden voor een smalspectrum penicilline zoals feneticilline of fenoxymethylpenicilline. Bij een penicilline-overgevoeligheid is azitromycine gedurende 3 dagen eerste keus. Claritromycine is een alternatief voor azitromycine bij penicilline-overgevoeligheid. Alle macroliden zijn even effectief tegen streptokokken, maar azitromycine heeft de voorkeur vanwege de korte gebruiksduur en kosten. Bij een peritonsillair infiltraat of bij onvoldoende effect van een behandeling met smalspectrum penicillinen wordt gekozen voor amoxicilline/clavulaanzuur.

Kijk in acute rinosinusitis voor informatie over de empirische behandeling ervan en juiste keuze van antibiotica; het geneest vrijwel altijd vanzelf. Pijnstillers (paracetamol), stomen, en de nasale toediening van een zoutoplossing of een decongestivum kunnen verlichting geven van de klachten. Antibiotica zijn doorgaans niet nodig. Geef antibiotica bij vermoeden van een bacteriële ontsteking en ernstig ziek zijn en overweeg antibiotica bij een verminderde weerstand en bij koorts die langer dan 5 dagen aanhoudt of opnieuw optreedt.

Bij de behandeling van otitis media acuta gaat de voorkeur uit naar een afwachtend beleid met adequate pijnbestrijding. Is na 3 dagen het effect op pijn en/of koorts onvoldoende dan wordt gestart met een antimicrobiële behandeling met amoxicilline. Bij risicogroepen en bij forse algemene ziekteverschijnselen direct starten met een antimicrobiële behandeling. Bij contra-indicatie voor amoxicilline komt cotrimoxazol in aanmerking.

Bij een bacteriële community-acquired pneumonie (CAP) is behandeling met antibiotica altijd aangewezen. De verwekker van een pneumonie is bepalend voor de keuze van het antibioticum, maar bij een onbekende verwekker is de ernst van de pneumonie bepalend voor de keuze van het antibioticum. Bij behandeling van een milde pneumonie (C(U)RB-65 score 0–1, PSI klasse I–II) heeft orale toediening van amoxicilline de voorkeur, bij een penicilline-allergie komen macroliden als claritromycine in aanmerking bij kinderen < 10 jaar en bij zwangeren of vrouwen in de lactatieperiode. Bij het vermoeden van een (milde) pneumonie veroorzaakt door Legionella pneumophilia komt claritromycine wel als initiële behandeling in aanmerking (deze macrolide is daarin tweede keus, levofloxacine en moxifloxacine als fluorchinolonen zijn, ook als orale toediening, de eerste keus hierbij). Bij een matig-ernstige pneumonie (CURB-65 score 2, PSI klasse III–IV) is intraveneuze toediening van benzylpenicilline of amoxicilline aangewezen. Bij een ernstige pneumonie (CURB-65 score > 2, PSI klasse V) die op een normale afdeling wordt behandeld is monotherapie met een i.v. cefalosporine (cefotaxim, ceftriaxon of cefuroxim) aangewezen. Bij een ernstige pneumonie (CURB-65 score > 2, PSI klasse V) die op een intensivecare-afdeling wordt behandeld is monotherapie met i.v. moxifloxacine dan wel i.v. combinatietherapie van antibiotica aangewezen (ciprofloxacine met ofwel cefotaxim of ceftriaxon of cefuroxim). Bij een nosocomiale pneumonie wordt de keuze voor een specifiek antibioticum bepaald door de lokale situatie met betrekking tot de aard en de resistentie van de ziekenhuisflora.

Probeer met hygiënische maatregelen zowel uitbreiding van een bacteriële huidinfectie als besmetting van anderen tegen te gaan. Behandel oppervlakkige bacteriële huidinfecties met een lokaal antimicrobieel middel. Bij impetigo en impetiginisatie heeft lokaal fusidinezuur de voorkeur. Bij diepe huidinfecties zijn meestal orale antibiotica geïndiceerd of is operatief ingrijpen noodzakelijk. Bij orale antimicrobiële behandeling heeft een smalspectrum-penicilline de voorkeur. Macroliden als claritromycine en azitromycine zijn een alternatief wanneer bijvoorbeeld penicillinen niet worden verdragen. Bij bijtwonden heeft een breedspectrum-penicilline de voorkeur.

Na een tekenbeet kan worden afgewacht of preventief worden behandeld met een eenmalige dosering doxycycline of azitromycine. Erythema migrans behandelen met doxycycline. Azitromycine of amoxicilline zijn een alternatief indien doxycycline gecontra-indiceerd is.

Eradicatie van H. pylori: Behandel door H. pylori veroorzaakte peptische ulcera (bij een ulcus duodeni is geen positieve test nodig) gedurende 7 dagen met de combinatie van een protonpompremmer (bij voorkeur esomeprazol) en twee antibiotica (bij voorkeur claritromycine en amoxicilline). Continueer daarna gedurende 4 weken alleen de protonpompremmer. Als 2 weken na eradicatie bij blijvende klachten de test op H. pylori positief blijft, geef dan gedurende 14 dagen een antibioticakuur met een hogere dosis amoxicilline en met metronidazol (oraal) i.p.v. claritromycine. Voor verdere informatie zie Stappenplan 3: Eradicatie van H. pylori in Maagklachten.

Indicaties

Infecties veroorzaakt door micro-organismen gevoelig voor claritromycine:

  • van de hogere luchtwegen, met name (streptokokken-)faryngitis, acute sinusitis;
  • van de lagere luchtwegen (m.n. acute exacerbatie van chronische bronchitis en buiten het ziekenhuis verkregen milde tot matig ernstige pneumonie (CAP));
  • acute otitis media bij kinderen;
  • milde tot matig ernstige infecties van de huid en weke delen (m.n. folliculitis, cellulitis, ecthyma ulcus, erysipelas, erysipeloïd, erythrasma, furunkel, impetigo, impetiginisatie van andere dermatosen, (traumatische) wondinfectie);
  • in combinatie met amoxicilline en omeprazol voor de eradicatie van Helicobacter pylori gerelateerd aan een ulcus duodeni.

Gerelateerde informatie

Doseringen

Klap alles open Klap alles dicht

Algemene richtlijn voor infecties van luchtwegen, huid en weke delen; tevens acute otitis media bij kinderen

Volwassenen en kinderen > 12 jaar (≥ 30 kg)

Gewone tablet/suspensie: Standaarddosering 250 mg 2×/dag; bij ernstige infecties behandelen met hoge dosering: 500 mg 2×/dag. Tablet gereguleerde afgifte: 500 mg 1×/dag, bij ernstige infecties 1000 mg 1×/dag. Behandelduur: 6–14 dagen. De behandeling voortzetten tot ten minste 2 dagen nadat de symptomen zijn verdwenen; bij β-hemolytische streptokokkeninfecties (bv. S. pyogenes) ten minste 10 dagen behandelen ter preventie van complicaties zoals reumatische koorts en glomerulonefritis.

Verminderde nierfunctie: Bij een creatinineklaring ≥ 30 ml/min is geen dosisaanpassing nodig; bij creatinineklaring < 30 ml/min: gewone tablet/suspensie: 250 mg 1×/per dag, bij ernstige infecties 250 mg 2×/dag; gedurende max. 14 dagen. Tablet gereguleerde afgifte: Alleen bij ernstige infecties gebruiken; 500 mg 1×/dag, max. 14 dagen. Bij een patiënt met een verminderde nierfunctie, die gelijktijdig geneesmiddelen gebruikt zoals atazanavir en/of ritonavir, de dosering van claritromycine verlagen: met 50% bij een creatinineklaring 30–60 ml/min, en met 75% bij een creatinineklaring < 30 ml/min, max. 1 g/dag.

Kinderen 6 maanden tot 12 jaar

Aanbevolen dosering 7,5 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag, max. 500 mg 2×/dag. Richtlijn voor het gebruik van de suspensies: voor kinderen van 8–11 kg: 62,5 mg 2×/dag, 12–19 kg: 125 mg 2×/dag, 20–29 kg: 187,5 mg 2×/dag en > 30 kg: 250 mg 2×/dag. Behandelduur: 5–10 dagen. De behandeling voortzetten tot ten minste 2 dagen nadat de symptomen zijn verdwenen.

Verminderde nierfunctie: Kinderen 6 maanden tot 12 jaar: bij een creatinineklaring < 30 ml/min: 7,5 mg/kg lichaamsgewicht 1×/dag, gedurende 5–10 dagen.

Community-acquired pneumonie (CAP)

Volwassenen

Volgens SWAB-advies CAP (mild), onbekende verwekker (2020): 500 mg 2×/dag. Behandelduur: 7 dagen. Bij een β-hemolytische streptokokkeninfectie ten minste 10 dagen behandelen. Indien een andere specifieke verwekker wordt aangetoond is de behandelduur volgens de SWAB-adviezen als volgt: voor een pneumokok 7 dagen (2017), voor Legionella 7 tot 10 dagen (2017), voor Chlamydia (2017), Mycoplasma (2018) en voor Q-koorts: 14 dagen (2017).

Erythrasma

Volwassenen

Volgens de NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties (juni 2024): eenmalig 1000 mg.

Eradicatie van Helicobacter pylori

Volwassenen

Claritromycine is een standaard onderdeel van de tripeltherapie, bestaande uit 500 mg (gewone tablet) claritromycine 2×/dag in combinatie met een protonpompremmer en een ander oraal antibioticum (amoxicilline of metronidazol). Volgens de NHG-Standaard Maagklachten (2021) voor de eerste behandeling: dosering claritromycine 500 mg 2× per dag (en amoxicilline 1000 mg 2×/dag; bij penicillineallergie amoxicilline vervangen door metronidazol (oraal) 500 mg 2×/dag) gedurende 7 dagen. Geef, voor een tweede behandeling, naar aanleiding van een positieve uitslag van een controletest amoxicilline 1000 mg 3×/dag gedurende 14 dagen, en geef dan metronidazol in plaats van claritromycine. De dosering metronidazol is volgens het NHG 500 mg 2×/dag. Volgens het SWAB-advies Helicobacter pylori (2023) is de dosering claritromycine 500 mg 2×/dag (met amoxicilline 1000 mg 2×/dag) en de behandelduur 10–14 dagen; bij falen van de therapie: geef amoxicilline 1000 mg 3×/dag met metronidazol 500 mg 3×/dag gedurende 14 dagen. De tripeltherapie bestaat verder uit een protonpompremmer (meestal esomeprazol, overweeg bij ouderen pantoprazol). Voor meer informatie, waaronder over de duur van de therapie met een protonpompremmer, raadpleeg de rubriek Advies of zie in de indicatietekst over Maagklachten Stappenplan 3: Eradicatie van H. pylori. De officiële productinformatie van claritromycine (gewone tablet) vermeldt als dosering voor claritromycine: 500 mg elke 12 uur, in combinatie met een protonpompremmer en een ander oraal antibioticum (amoxicilline of metronidazol) en geeft een behandelduur van 7 dagen op, een enkele fabrikant geeft op 7–10 dagen.

Kinderen vanaf 1 maand tot 18 jaar

Volgens de pagina claritromycine van het Kinderformularium van het NKFK: claritromycine 20–30 mg/kg lichaamsgewicht/dag in 2 doses, max. 1000 mg/dag. Behandelduur: 14 dagen. Het betreft tripeltherapie met amoxicilline (oraal 50 mg/kg/dag in 2 doses, max. 2000 mg/dag) óf als alternatief metronidazol (oraal) (20–30 mg/kg/dag in 2 doses, max. 1000 mg/dag), tenzij er sprake is van claritromycine- of metronidazolresistentie, geef dan een hoge dosis amoxicilline van 80-90 mg/kg/dag. Combineer dit met een protonpompremmer (bv. (es)omeprazol oraal 1,5-2,5 mg/kg/dag in 2 doses, voor beide stoffen geldt een max. van 80 mg/dag). Volgens het SWAB-advies Helicobacter pylori (2020) is de dosering voor omeprazol 1 mg/kg lichaamsgewicht/24 uur (in 1–2 doses, max. 40 mg/dag) en de behandelduur voor de tripeltherapie 10–14 dagen (voor de eerste behandeling) of 14 dagen (voor een tweede behandeling, naar aanleiding van controle op eradicatie, dan met de andere keus eradicatietherapie, d.w.z. vervang claritromycine door metronidazol of vice versa).

Ouderen: Er is geen dosisaanpassing nodig op basis van alleen de leeftijd.

Verminderde leverfunctie: Geen dosisaanpassing nodig, wel voorzichtig toepassen omdat claritromycine voornamelijk hepatisch wordt geëlimineerd. Zie ook de rubriek Contra-indicaties.

Verminderde nierfunctie: Zie voor dosisreductie de voorschriften onder de indicatie Algemene richtlijn voor infecties.

Bij combinatie met HIV-proteaseremmers

  • Max. 1000 mg claritromycine/dag (zoals bij atazanavir, ritonavir, saquinavir).
  • Bij een verminderde nierfunctie bij het gebruik van atazanavir of een regime dat ritonavir bevat, de dosering van claritromycine verminderen: de dosering verlagen met 50% bij creatinineklaring 30–60 ml/min, en met 75% bij creatinineklaring < 30 ml/min, max. 1000 mg/dag.

Als er tabletresidu in de ontlasting aangetroffen wordt (bv. bij ileo- of colostomie, of functionele maag-darmstoornissen met korte passagetijden) én er is geen verbetering van de aandoening, schakel dan over op een andere formulering (bv. suspensie) of ander antibioticum.

Toediening

  • Het is aan te raden bij kinderen tot 12 jaar gebruik te maken van de suspensie.
  • De tablet met gereguleerde afgifte is niet bestemd voor kinderen < 12 jaar.
  • De suspensie en tabletten 's ochtends en 's avonds voor of na de maaltijd innemen; de tabletten met gereguleerde afgifte elke dag op hetzelfde tijdstip in hun geheel (zonder kauwen) innemen met voedsel.
  • De suspensie schudden voor gebruik. Inname van de suspensie kan een bittere nasmaak geven, dat kan worden voorkómen door direct na de inname iets te eten of te drinken.

Bijwerkingen

Vaak (1-10%): misselijkheid, braken, dyspepsie, diarree, buikpijn, smaakverandering. Hoofdpijn. Huiduitslag, hyperhidrose. Slapeloosheid. Abnormale waarden leverfunctietesten, verhoogde ureumwaarde.

Soms (0,1-1%): overgevoeligheid. Palpitaties, verlenging QT-interval. Candidiasis. Anorexie, stomatitis, glossitis, droge mond, oprispingen, gastro-oesofageale reflux, gastritis, gastro-enteritis, abdominale distensie, flatulentie, obstipatie, proctalgie. Cholestase, hepatitis. (Draai)duizeligheid, slaperigheid, tremor. Spierpijn, spierspasmen. Angst, nervositeit. Neusbloeding. Oorsuizen, verminderd gehoor. Vaginale infectie. Jeuk, urticaria, maculopapuleuze huiduitslag, bulleuze dermatitis. Vermoeidheid, asthenie, malaise, koorts, rillingen, pijn op de borst. Leukopenie, neutropenie, trombocytose, eosinofilie. Verhoogde waarden in het bloed van ASAT, ALAT, γ-GT, AF, bilirubine en/of lactaatdehydrogenase.

Verder zijn gemeld: ventriculaire tachycardie, 'torsade de pointes', ventrikelfibrilleren. Anafylactische reactie, angio-oedeem. Myopathie, rabdomyolyse. Interstitiële nefritis, nierfalen, abnormaal gekleurde urine. Cholestatische of hepatocellulaire hepatitis met of zonder geelzucht (kan ernstig zijn, meestal reversibel), leverfalen. Acute pancreatitis. Pseudomembraneuze colitis. Acne, erysipelas, ernstige cutane bijwerkingen zoals: acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP), Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN), DRESS-syndroom. Convulsies, paresthesie, vervorming/afwezigheid van het reukvermogen, verlies van smaakzin. Visusstoornis, wazig zicht. Doofheid. Verwardheid, abnormale dromen, depressie, hallucinaties, psychose, desoriëntatie, manie, depersonalisatie. Reversibele verkleuring van de tong en/of tanden. Hypoglykemie. Bloedingen, verhoogde INR-waarde, verlengde PT. Agranulocytose, trombocytopenie.

Interacties

Claritromycine is een sterke CYP3A-remmer en een matig-sterke remmer van P-glycoproteïne (Pgp).

Gecontra-indiceerd is gelijktijdig gebruik van:

  • ticagrelor, vanwege bloedingsrisico;
  • domperidon of pimozide, vanwege risico op QT-verlenging en aritmie, waaronder ventriculaire tachycardie, 'torsade de pointes' en ventrikelfibrilleren;
  • ivabradine;
  • oraal toegediend midazolam, vanwege het risico van sedatie en ademhalingsdepressie;
  • quetiapine;
  • ergotamine, vanwege risico van ergotisme, gekenmerkt door vasospasme en ischemie van de ledematen en andere weefsels, incl. het CZS;
  • colchicine, vanwege eerder toxische spiegels van colchicine, mogelijk met fatale gevolgen, met name bij patiënten met nier- of leverfunctiestoornissen;
  • lomitapide, vanwege duidelijk verhoogde transaminasewaarden;
  • een statine die voor een belangrijk deel via CYP3A4 wordt gemetaboliseerd (atorvastatine, simvastatine) vanwege een verhoogd risico op myopathie, waaronder rabdomyolyse.

Gebruik van fluvastatine, pravastatine of rosuvastatine kan worden overwogen; deze statinen zijn minder of niet afhankelijk van CYP3A-metabolisme; controleer bij deze combinaties op myopathie.

In verband met het eerder bereiken van toxische spiegels door remming van het CYP3A4-gemedieerde metabolisme en van Pgp door claritromycine, zeer voorzichtig zijn met gelijktijdige toediening van onder andere de volgende middelen:

  • amlodipine, diltiazem, nifedipine, verapamil;
  • digoxine (cave digoxinetoxiciteit met potentieel fatale aritmieën);
  • disopyramide, kinidine;
  • ivacaftor;
  • buspiron, carbamazepine, lurasidon;
  • cinacalcet;
  • darifenacine;
  • eletriptan (bij voorkeur niet gebruiken);
  • lomitapide;
  • maraviroc;
  • rilpivirine (overweeg azitromycine als alternatief);
  • ciclosporine, sirolimus, tacrolimus;
  • tolvaptan;
  • rifabutine;
  • sildenafil, tadalafil, vardenafil;
  • theofylline;
  • ibrutinib;
  • tyrosinekinaseremmers;
  • vincristine (vermijd gelijktijdig gebruik) en vinblastine.

Let bij gebruik van bovengenoemde cardiale middelen op verlenging van de QTc-tijd. Gelijktijdig gebruik met verapamil kan daarnaast leiden tot hypotensie, bradyaritmieën en lactaatacidose. Bij gelijktijdig gebruik met disopyramide is o.a. hypoglykemie gemeld; bepaal, als het gebruik noodzakelijk is, de plasmaspiegel van disopyramide en verlaag evt. de dosis. Ook bij gebruik van kinidine de plasmaspiegel ervan, en het ECG, regelmatig controleren tijdens de behandeling.

Bij gelijktijdig gebruik met corticosteroïden voor inhalatie, of systemische, die substraat zijn voor CYP3A4 (bv. budesonide, hydrocortison, methylprednisolon, triamcinolonacetonide) controleren op ongewenste effecten, omdat de systemische blootstelling aan deze corticosteroïden kan toenemen.

Claritromycine verhoogt de kans op bijwerkingen van omeprazol bij CYP2C19-poor metabolizers en van tolterodine bij CYP2D6-poor metabolizers, omdat de biologische beschikbaarheid ervan aanzienlijk kan toenemen; de metabolische route van deze stoffen verloopt hier via CYP3A4. Wees voorzichtig met andere middelen waarvan bekend is dat zij substraat zijn van CYP3A, met name wanneer ze een smalle therapeutische breedte hebben en/of wanneer ze extensief worden gemetaboliseerd door dit enzym. Neem dosisaanpassingen in overweging en wanneer mogelijk, controleer de serumconcentraties van middelen die primair door CYP3A worden gemetaboliseerd.

Gelijktijdig gebruik van benzodiazepinen die door CYP3A4 worden gemetaboliseerd, zoals alprazolam of midazolam, kan het sedatieve effect van deze middelen verlengen en versterken. Oraal gebruik van midazolam is gecontra-indiceerd. Bij parenterale toediening van midazolam de patiënt zorgvuldig controleren om in eventuele dosisaanpassing te voorzien. Wees voorzichtig met de buccale (oromucosale) toediening van midazolam; deze interactie is waarschijnlijk vergelijkbaar met parenterale toediening door een mogelijke omzeiling van de pre-systemische eliminatie. Dezelfde voorzorgsmaatregelen gelden voor andere benzodiazepinen die via CYP3A worden gemetaboliseerd, inclusief alprazolam. Voor benzodiazepinen die niet via CYP3A worden gemetaboliseerd (lorazepam, nitrazepam, temazepam) is een klinisch relevante interactie met claritromycine onwaarschijnlijk.

Voorbeelden van middelen die additionele QT-verlenging kunnen geven zijn:

  • antiaritmica klasse Ia (bv. disopyramide, kinidine, procaïnamide);
  • flecaïnide;
  • antiaritmica klasse III (bv. amiodaron, ibutilide, sotalol);
  • bepaalde antipsychotica (zoals haloperidol, pimozide, sertindol);
  • bepaalde antidepressiva (zoals citalopram, escitalopram);
  • andere antibiotica (bv. azitromycine en erytromycine (na recent gebruik), levofloxacine, moxifloxacine);
  • bepaalde antimycotica (zoals fluconazol, pentamidine);
  • bepaalde antimalariamiddelen (zoals chloroquine, hydroxychloroquine, lumefantrine);
  • bepaalde antihistaminica (zoals mizolastine);
  • levomepromazine, methadon;
  • ketoconazol;
  • ondansetron;
  • prucalopride;
  • vandetanib.

Van sommige van de hierboven genoemde QT-tijd-verlengde middelen wordt het metabolisme geremd door claritromycine (zie verder naar boven); wees extra voorzichtig met die combinaties.

In vitro kan de bactericide werking van β-lactamantibiotica worden geantagoneerd; dit is klinisch alleen van belang gebleken bij levensbedreigende infecties, zoals endocarditis, meningitis, sepsis en daarnaast bij patiënten met ernstige neutropenie.

Voorzichtig bij comedicatie die:

  • hepatotoxisch is; mogelijk kan combinatie resulteren in fulminante hepatitis en levensbedreigend leverfalen.
  • ototoxisch is (vooral aminoglycosiden); controleer bij toepassing van een dergelijke combinatie zowel tijdens als na de behandeling het gehoor en de vestibulaire functie.

Itraconazol en claritromycine verhogen elkaars spiegels.

Verhoogde concentraties fenytoïne en valproïnezuur zijn gemeld.

Middelen die CYP3A4 sterk induceren, zoals efavirenz, nevirapine, sint-janskruid, carbamazepine, fenytoïne, fenobarbital, rifampicine en rifabutine, kunnen de plasmaspiegel van claritromycine (zelf ook substraat voor CYP3A4) doen afnemen tot subtherapeutische spiegels. De combinatie met rifabutine verhoogt daarnaast het risico op uveïtis. Etravirine kan de werkzaamheid van claritromycine tegen Mycobacterium avium-complex (MAC) verminderen; overweeg een alternatief voor claritromycine.

Controleer bij gebruik van een vitamine K-antagonist de INR en/of PT zorgvuldig. Wees ook voorzichtig als gelijktijdig DOAC's, zoals dabigatran en edoxaban (Pgp-substraten) of apixaban of rivaroxaban (CYP3A4 en Pgp-substraten) worden gebruikt, met name bij patiënten met een hoog risico op bloedingen.

Door gebruik van sommige HIV-proteaseremmers (o.a. atazanavir, ritonavir, saquinavir) en cobicistat kan de plasmaconcentratie van claritromycine toenemen, ook de plasmaconcentratie van de proteaseremmers kan toenemen.

Combinatie met bepaalde orale bloedglucoseverlagende middelen, nl. de sulfonylureumderivaten en repaglinide, kan leiden tot significante hypoglykemie; controleer de bloedglucosespiegel zorgvuldig.

Houd bij gebruik van zidovudine een interval van 4 uur tussen de inname van claritromycine en zidovudine aan, omdat bij HIV-geïnfecteerde volwassenen bij gebruik van tabletten is waargenomen dat de absorptie van zidovudine afneemt. Bij kinderen lijkt dit bij gebruik van de suspensie niet op te treden.

Zwangerschap

Teratogenese: Ruime ervaring bij de mens (> 1500 blootstellingen aan claritromycine in het 1e trimester) heeft geen eenduidige aanwijzingen voor een toegenomen kans op aangeboren afwijkingen door claritromycine laten zien. Een studie laat een licht verhoogd risico op spontane miskramen zien bij gebruik van claritromycine dan wel azitromycine tijdens de zwangerschap in vergelijking met geen of ander antibioticagebruik tijdens dezelfde periode (in het 1e en/of 2e trimester).

Advies: Kan worden gebruikt als de eventuele voorkeursmiddelen (bv. penicillinen, cefalosporinen) niet gebruikt kunnen worden.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja, in zeer kleine hoeveelheden. Een zuigeling die uitsluitend borstvoeding krijgt, krijgt ca. 1,7% van de dosis claritromycine binnen, aangepast aan het gewicht van de moeder.

Farmacologisch effect: In theorie is het mogelijk dat de darmflora van de zuigeling wordt beïnvloed. Dit kan hooguit leiden tot diarree, en mogelijk kan kolonisatie met gisten en schimmels optreden.

Advies: Kan desondanks waarschijnlijk veilig worden gebruikt.

Contra-indicaties

  • Ernstig leverfalen in combinatie met een nierfunctiestoornis;
  • Aandoening of stoornis die kan leiden tot QT-intervalverlenging, zoals:
    • hypokaliëmie of hypomagnesiëmie;
    • congenitale of bewezen verworven QT-intervalverlenging;
    • (een voorgeschiedenis van) ventriculaire aritmieën, waaronder 'torsade de pointes';
  • Het gebruik van andere geneesmiddelen die het QT-interval kunnen verlengen; zie de rubriek Interacties;
  • Overgevoeligheid voor macroliden.

Zie voor meer contra-indicaties de rubriek Interacties.

Waarschuwingen en voorzorgen

Resistentie: Kruisresistentie met andere macroliden kan optreden, evenals met lincomycinen zoals clindamycine. Aandachtspunten m.b.t. resistente verwekkers:

  • Bepaal bij de behandeling van milde tot matig ernstige huid- en weke deleninfecties, de gevoeligheid van de verwekker, gezien Staphylococcus aureus en Streptococcus pyogenes beide resistent kunnen zijn.
  • Houd rekening met de in sommige Europese landen hoge resistentiepercentages van Streptococcus pneumoniae bij de behandeling van infecties (zoals CAP) veroorzaakt door deze verwekker; bepaal dus ook de gevoeligheid van deze verwekker voor claritromycine.
  • Bij de behandeling van Helicobacter pylori gerelateerde recidiverende ulcus duodeni rekening houden met het ontstaan van resistente stammen van H. pylori.
  • Zie voor meer informatie over (mogelijk) resistente micro-organismen ook de rubriek Eigenschappen.

Wees voorzichtig bij leverfunctiestoornis. Onderzoek de leverfunctie indien zich snel relevante tekenen en symptomen ontwikkelen, zoals: anorexie, geelzucht, donkere urine, een bloedingsneiging, hepatische encefalopathie, asthenie, jeuk of een gevoelige buik. De leverfunctiestoornissen die kunnen optreden (verhoogde leverenzymwaarden, hepatocellulaire en/of cholestatische hepatitis, met of zonder geelzucht) kunnen ernstig zijn, en zijn meestal reversibel.

Wees ook voorzichtig bij een matig-ernstig tot ernstig verminderde nierfunctie en pas de dosering aan.

Er is een zeldzaam kortetermijnrisico op aritmie (incl. 'torsades de pointes'), myocardinfarct en cardiovasculaire sterfte aangetoond in verband met macroliden, in observationeel onderzoek. Uit epidemiologisch onderzoek naar het risico van ongewenste cardiovasculaire uitkomsten bij gebruik van macroliden, waaronder claritromycine, blijken variabele resultaten. Weeg dit bij het voorschrijven van claritromycine af tegen de voordelen van de behandeling.

Verlenging QT-interval: Dit is geassocieerd met het gebruik van claritromycine, door effecten ervan op de cardiale repolarisatie. Wees voorzichtig bij risicofactoren voor verlenging van het QT-interval zoals coronair vaatlijden, ernstig hartfalen, cardiale aritmie, geleidingsstoornissen, klinisch relevante bradycardie (< 50 slagen/min) en uiteraard ook bij comedicatie met geneesmiddelen die het QT-interval kunnen verlengen (zie ook Interacties). Ouderen kunnen gevoeliger zijn voor deze effecten op het QT-interval. Zie ook de rubriek Contra-indicaties.

Bij het optreden van ernstige diarree de diagnose pseudomembraneuze colitis overwegen; staak het gebruik als deze diagnose wordt vastgesteld en gebruik geen middelen die de peristaltiek remmen, omdat deze hierbij gecontra-indiceerd zijn. Diarree geassocieerd met Clostridioides difficile kan tot meer dan 2 maanden na gebruik van een antibioticum nog optreden.

Als de kans op ototoxiciteit toeneemt (zie ook de rubriek Interacties), de vestibulaire en auditieve functie gedurende en na afloop van de behandeling nauwlettend volgen.

Toename van de symptomen van myasthenia gravis is gemeld.

Het is mogelijk dat resten van tabletten in de ontlasting worden teruggevonden, vooral bij patiënten met anatomische of functionele gastro-intestinale stoornissen die zorgen voor verkorte passagetijd. Als er tabletresten worden gezien én er geen sprake is van verbetering van de klinische toestand, overstappen op een andere formulering (suspensie) of ander antibioticum.

Bij kinderen < 6 maanden is er volgens de fabrikant van de suspensie beperkt ervaring met een behandeling met claritromycine.

Hulpstoffen: Let op de sucrose, in sommige suspensies, bij diabetes mellitus, vanwege het suikergehalte.

Overdosering

Symptomen

Met name gastro-intestinale klachten. Bij één casus met een pre-existente bipolaire stoornis na inname van 8 gram: veranderde gemoedstoestand, paranoïde gedrag, hypokaliëmie en hypoxie.

Neem voor meer informatie over de symptomen en behandeling van een vergiftiging met claritromycine contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Claritromycine is een bacteriostatisch (tegen sommige species bactericide) werkend macrolide. Derivaat van erytromycine. Het remt de intracellulaire eiwitsynthese van gevoelige bacteriën door binding aan de 50S subunit van de ribosomen. Voor claritromycine is de AUC/MIC de belangrijkste PK/PD-parameter, omdat deze het best correleert met de effectiviteit van claritromycine.

Claritromycine werkt tegen een breed spectrum van aerobe, anaerobe, Gram-positieve, Gram-negatieve en zuurresistente bacteriën.

Gewoonlijk gevoelig zijn:

  • Gram-positief: Corynebacterium diphtheriae, Corynebacterium minutissimum, Cutibacterium acnes (voorheen Propionibacterium acnes), Listeria monocytogenes en Streptococcus groep F.
  • Gram-negatief aeroob: Bordetella pertussis, Legionella pneumophila, Moraxella catarrhalis en Pasteurella multocida.
  • Anaeroob: Bacteroides spp., Clostridium spp. (zoals Clostridium perfringens), Peptococcus (incl. P. niger) en Peptostreptococcus spp.
  • Overig: Borrelia burgdorferi, Chlamydia pneumoniae (TWAR), Chlamydia trachomatis, Chlamydophila psittaci, Mycobacterium avium, Mycobacterium chelonae, Mycobacterium fortuitum, Mycobacterium intracellulare, Mycobacterium kansasii, Mycobacterium leprae en Mycoplasma pneumoniae.

Een verworven resistentie kan een probleem zijn bij:

  • Gram-positief aeroob: Enterococcus spp., Staphylococcus aureus (meticilline sensitief; 'MSSA'; resistentie tot ca. 18% in de EU), Staphylococcus (coagulase negatief), Streptococcus pneumoniae (resistentie tot ca. 38% in de EU), Streptococcus pyogenes, Streptococcus groep A, B, C, G en andere Streptococcus spp.
  • Gram-negatief aeroob: Haemophilus influenzae en Helicobacter pylori (resistentie tot ca. 14% in de EU).
  • Anaeroob: Clostridioides difficile.

Vaak ongevoelig zijn:

  • Gram-positief aeroob: Staphylococcus aureus (MRSA of resistent tegen erytromycine).
  • Gram-negatief: Acinetobacter spp., Pseudomonas aeruginosa en niet-lactose fermenterende Gram-negatieve staafjes.
  • Anaeroob: Fusobacterium spp.

Inherent resistent zijn:

  • Gram-negatief aeroob: Enterobacteriaceae.
  • Overig: Mycobacterium tuberculosis, schimmels, virussen.

Kinetische gegevens

Resorptie voedsel heeft geen invloed op de mate van absorptie, wel op de snelheid; voedsel vertraagt de absorptie enigszins.
F ca. 50–55% door 'first pass'-effect. Bij een preparaat met gereguleerde afgifte 30% lager indien toegediend op een lege maag.
T max ca. 2 uur.
V d 2,9–5,7 l/kg.
Overig Er is penetratie in alle weefsels en vochten behalve in het CZS. De concentratie van claritromycine in de weefsels is enkele malen hoger dan in de circulatie, waarbij de hoogste concentraties worden aangetroffen in de lever en longen.
Metabolisering uitgebreid in de lever, o.a. via CYP3A tot o.a. de eveneens actieve 14-hydroxymetaboliet.
Eliminatie met feces (70–80%) en urine (20–30%, onveranderd); bij hogere doseringen toenemend meer met de urine (claritromycine). Hemodialyse en peritoneale dialyse hebben waarschijnlijk weinig invloed op de serumspiegels.
T 1/2el 2–5 uur (bij een dosis van 250 mg; 5 uur bij hogere doses), 5–6 uur (eveneens actieve 14-hydroxymetaboliet).
T 1/2el ca. 3 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd