Samenstelling

Zie voor hulpstoffen de productinformatie van CBG/EMA of raadpleeg een apotheker.

Dexamethason capsule/drank FNA Formularium der Nederlandse Apothekers

Toedieningsvorm
Capsule
Sterkte
10 mg, 15 mg, 20 mg, 25 mg, 30 mg, 35 mg, 40 mg

(Capsulae dexamethasoni FNA)

Dexamethason capsule/drank FNA (als di-Na-fosfaat) Formularium der Nederlandse Apothekers

Toedieningsvorm
Drank
Sterkte
1 mg/ml

(Mixtura dexamethasoni FNA)

Dexamethason injectie (als di-Na-fosfaat) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
4 mg/ml
Verpakkingsvorm
ampul 1 ml, 2 ml
Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
20 mg/ml
Verpakkingsvorm
ampul 1 ml

Dexamethason injectie (fosfaat als di-Na-zout) Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
4 mg/ml
Verpakkingsvorm
ampul 1 ml, 2 ml

Dexamethason tablet Diverse fabrikanten

Toedieningsvorm
Tablet
Sterkte
0,5 mg, 1,5 mg, 4 mg

Uitleg symbolen

XGVS Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
OTC 'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Bijlage 2 Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Aanvullende monitoring Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Behandeling van artrose bestaat primair uit oefentherapie. Bij mensen met artrose van de knie en overgewicht is gewichtsreductie aan te bevelen. Medicamenteuze therapie begint met intermitterend gebruik van paracetamol en/of een cutane NSAID, waarbij de voorkeur afhangt van de locatie van de artrose. Bij onvoldoende effect kan intermitterend een oraal NSAID worden toegepast (diclofenac, ibuprofen of naproxen). Incidenteel is een intra-articulaire injectie met een corticosteroïd mogelijk, als bovengenoemde middelen onvoldoende effectief of gecontra-indiceerd zijn. Overweeg in de tweedelijnszorg, afhankelijk van het aangedane gewricht (zie behandelplan), (offlabel) toepassing van duloxetine, predniso(lo)n, intra-articulair hyaluronzuur of eventueel tramadol.

Bij reumatoïde artritis gaat bij een overbruggingstherapie met systemische glucocorticoïden de voorkeur uit naar predniso(lo)n in lage tot intermediaire dosis, een hogere dosis met ‘step-down’-strategie of een intramusculaire injectie met methylprednisolon.

Geef bij een ernstige longaanval van astma bij volwassenen en kinderen (die ABCDE-stabiel zijn) salbutamol en eventueel bij volwassenen ook ipratropium. Geef tevens een orale predniso(lo)nkuur.

Start bij een minder ernstige longaanval van astma bij volwassenen een kortwerkende β2-sympathicomimeticum (SABA) of verhoog de dosis. Overweeg daarnaast te starten met inhalatiecorticosteroïde (ICS) of formoterol-ICS of verhoog de dosis. Overweeg een orale predniso(lo)nkuur op basis van eerdere ervaring.

Geef een ABCDE-stabiele patiënt met een ernstige COPD-longaanval salbutamol; bij onvoldoende verbetering ook ipratropium. Geef bij verbetering een orale prednisolonkuur; verhoog de dosering van de luchtwegverwijders en/of pas de toedieningsvorm aan. Geef indien nodig een antibioticumkuur.

Verhoog bij een minder ernstige longaanval de dosering van de luchtwegverwijders. Geef afhankelijk van de mate van dyspneu een orale prednisolonkuur.

Onderhoudsbehandeling van COPD met orale corticosteroïden wordt in de eerstelijnszorg afgeraden; orale corticosteroïden hebben een geringe toegevoegde waarde bij de behandeling van mannen (de meeste deelnemers in klinisch onderzoek waren mannen) met stabiel COPD, maar de voordelen wegen niet op tegen de nadelen zoals de bijwerkingen verhoogde bloedglucoseconcentratie, hypertensie, bijniersuppressie en osteoporose.

Bij de ziekte van Crohn zijn systemischwerkende corticosteroïden, bv. betamethason en predniso(lo)n, effectiever dan het lokaalwerkende budesonide, maar veroorzaken meer bijwerkingen. Als bij milde tot matige ziekteactiviteit na twee tot vier weken lokale behandeling geen meetbare verbetering optreedt, wordt de behandeling veelal omgezet naar een systemische.

Bij colitis ulcerosa zijn systemischwerkende corticosteroïden, bv. betamethason en predniso(lo)n, effectiever dan lokaalwerkende corticosteroïden, maar veroorzaken meer bijwerkingen.

De behandeling van volwassenen met COVID-19 met een mild beloop in de eerstelijnszorg, bestaat zo nodig uit symptoombestrijding met paracetamol (voorkeur) of een NSAID. Start bij een matig ernstig of zeer ernstig beloop in de tweedelijnszorg met dexamethason, naast optimale ondersteunende zorg en tromboseprofylaxe. Voeg tocilizumab toe bij een matig ernstig beloop bij CRP ≥ 75 mg/l en noodzaak tot hoge zuurstofsuppletie, of bij een zeer ernstig beloop binnen 24 uur na opname op de IC (indien niet eerder gestart).

Zie voor een advies bij de profylaxe van misselijkheid en braken bij behandeling van kanker: misselijkheid en braken bij chemo- en radiotherapie.

Indicaties

  • Reumatologische aandoeningen zoals geselecteerde gevallen of bijzondere vormen (zoals Felty- en Sjögren-syndroom) van reumatoïde artritis, incl. juveniele reumatoïde artritis, acuut reuma, lupus erythematodes disseminatus, polyarteriitis nodosa en andere vasculitiden, arteriitis temporalis, poly- en dermatomyositis.
  • Longaandoeningen zoals ernstige longaanval van astma of COPD, sarcoïdose, allergische longaandoeningen (bv. eosinofiele longinfiltratie), longaandoeningen ten gevolge van aspiratie, cryptogene fibroserende alveolitis.
  • Maag-darmaandoeningen zoals colitis ulcerosa en ziekte van Crohn, m.n. bij een acute aanval van de ziekte; en bepaalde vormen van hepatitis.
  • Hematologische afwijkingen zoals auto-immuun hemolytische anemie, immuungemedieerde trombocytopenie bij volwassenen en reticulo-lymfoproliferatieve aandoeningen.
  • Nieraandoeningen: nefrotisch syndroom, vooral indien onderdeel van lupus erythematodes.
  • Endocrinologische aandoeningen zoals acute bijnierschorsinsufficiëntie (ziekte van Addison), endocriene exophthalmus.
  • Oncologische aandoeningen zoals lymfatische leukemieën (m.n. acute vormen), maligne lymfomen (ziekte van Hodgkin, non-Hodgkin-lymfoom), de ziekte van Kahler, gemetastaseerd mammacarcinoom, hypercalciëmie ten gevolge van skeletmetastasen of de ziekte van Kahler.
  • Neurologische aandoeningen zoals acute exacerbatie van multiple sclerose; hersenoedeem optredend bij hersentumor, neurochirurgische ingreep of pseudotumor cerebri; ter voorbereiding op operatie van patiënt met verhoogde intracraniële druk door een hersentumor.
  • Oogheelkundige aandoeningen zoals choroïdoretinitis, iridocyclitis, neuritis optica en pseudotumor orbitae.
  • Huidaandoeningen zoals pemphigus vulgaris en parapemphigus, erytrodermie, Stevens-Johnsonsyndroom, mycosis fungoides, bulleuze dermatitis herpetiformis.
  • 'Coronavirus disease 2019' (COVID-19) bij volwassenen en kinderen ≥ 12 jaar, die minstens 40 kg wegen, die zuurstofsuppletie nodig hebben.
  • Diversen:
    • Als adjuvans bij heftige allergische en anafylactische reacties (anafylactische shock);
    • Als immunosuppressivum bij orgaantransplantatie;
    • Als adjuvans ter preventie van misselijkheid en braken bij cytostaticagebruik;
    • Suppressietest met dexamethason ter diagnose van het syndroom van Cushing;
    • Offlabel: matig-ernstige pseudokroep.
  • Lokale behandeling bij articulaire en peri-articulaire aandoeningen zoals synovitis bij artrose, reumatoïde artritis, posttraumatische osteoartritis, bursitis, epicondylitis, tendovaginitis.

Gerelateerde informatie

Doseringen

De doseringen van dexamethason injectie zijn afkomstig uit de productinformatie van verschillende handelspreparaten. Waar een behandelrichtlijn beschikbaar is, wordt alleen de dosering uit de richtlijn vermeld.

Klap alles open Klap alles dicht

In het algemeen

Volwassenen

Oraal: begindosering afhankelijk van de aandoening: 0,75–15 mg per dag in 2–4 doses. Veelal 1–2 mg/dag in 2–4 doses; in ernstige gevallen 8 mg/dag, soms meer. Bij voldoende resultaat geleidelijk de dagdosis verlagen en de toedieningsfrequentie verminderen tot één gift in de ochtend of één gift per 48 uur (alternerende therapie). Bij lagere doseringen zijn de schadelijke effecten over het algemeen acceptabel. Hoe dichter de onderhoudsdosering wordt benaderd, hoe voorzichtiger de onttrekking moet plaatsvinden. Dit ter verkleining van de kans op recidief en bijnierschorsinsufficiëntie.

Bij overschakelen van andere glucocorticoïden: zie voor mg-equivalenten tabel 1 in corticosteroïden, systemisch#werking.

Injectie systemisch (als di-Na-fosfaat): begindosering i.m. of i.v.: 0,5–24 mg/dag, in het algemeen i.m., i.v. of s.c.: 0,05–0,2 mg/kg lichaamsgewicht/dag. Voor acute, levensbedreigende situaties kunnen aanzienlijk hogere doses nodig zijn. Onder geleide van het klinisch beeld de dosering verminderen tot het laagst haalbare niveau of volledig afbouwen. Het afbouwen kan het best gebeuren door over te schakelen op een oraal glucocorticoïd met een kortere biologische halfwaardetijd zoals prednis(ol)on, bij voorkeur 's ochtends vroeg en om de andere dag.

Ernstige longaanval astma/COPD

Volwassenen

Volgens de NHG-Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties: injectievloeistof 4 mg/ml (als di-Na-fosfaat): i.m. (of i.v. in 2–3 min): 8–10 mg.

Acute respiratory distress syndrome

Volwassenen

Volgens de NVIC-richtlijn Acute Respiratory Distress Syndrome, module Corticosteroïden (2024): bij PaO 2/FiO 2 < 200 mmHg, binnen 24-72 uur starten met:

intraveneus: 20 mg/dag op dag 1-5, vervolgens 10 mg/dag op dag 6-10.

Acute ernstige dermatose, ernstige bloedziekte

Volwassenen

Injectievloeistof 4 mg/ml (fosfaat als di-Na-zout): begindosering i.v. 20-40 mg, afhankelijk van de ernst van de aandoening behandeling binnen de eerste paar dagen na start vervolgen met dezelfde of een lagere dagelijkse dosis en overstappen op orale behandeling.

Acute bijnierschorsinsufficiëntie (Addison-crisis)

Volwassenen

Injectievloeistof 4 mg/ml (fosfaat als di-Na-zout): instellen op therapie met i.v. 4-8 mg.

Hersenoedeem

Volwassenen

Injectievloeistof 20 mg/ml (als di-Na-fosfaat): begindosis: 50 mg i.v., vervolgens op dag 1 t/m 3: elke 2 uur 8 mg, op dag 4: elke 2 uur 4 mg, op dag 5 t/m 8: elke 4 uur 4 mg en vervolgens de dosering verlagen met 4 mg/dag.

Injectievloeistof 4 mg/ml (als di-Na-fosfaat): begindosis: 10–20 mg i.v., daarna zo nodig 6 mg i.m. of i.v. iedere 6 uur.

Injectievloeistof 4 mg/ml (fosfaat als di-Na-zout): begindosis: 8-10 mg (max. 80 mg) i.v., gevolgd door 16-24 mg (max. 48 mg) per dag in 3-4 (max. 6) doses i.v. gedurende 4-8 dagen.

De behandeling langzaam afbouwen. Langdurige toediening van lage doses kan nodig zijn tijdens radiotherapie en bij inoperabele hersentumoren.

Kinderen

Injectievloeistof 20 mg/ml (als di-Na-fosfaat): lichaamsgewicht < 35 kg: initieel 20 mg i.v., vervolgens op dag 1 t/m 3: elke 3 uur 4 mg; dag 4: elke 6 uur 4 mg; dag 5: elke 6 uur 2 mg en vervolgens de dosering verlagen met 1 mg/dag. Lichaamsgewicht > 35 kg: initieel 25 mg i.v., vervolgens op dag 1 t/m 3: elke 2 uur 4 mg; dag 4: elke 4 uur 4 mg; dag 5 t/m 8: elke 6 uur 4 mg en vervolgens de dosering verlagen met 2 mg/dag.

COVID-19, waarbij zuurstofsuppletie nodig is

Volwassenen en kinderen ≥ 12 jaar met een lichaamsgewicht ≥ 40 kg

Intraveneus (als di-Na-fosfaat, fosfaat als di-Na-zout) of oraal: 6 mg 1×/dag, gedurende max. 10 dagen.

Bij ouderen of mensen met een verminderde nier- of leverfunctie is geen dosisaanpassing nodig.

Als adjuvans bij anafylaxie

Volwassenen

Volgens de NHG-Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties: injectievloeistof 4 mg/ml (als di-Na-fosfaat): i.m. (of i.v. in 2–3 min): 4–8 mg. Dexamethason kan worden gegeven om een late reactie te voorkomen.

Kinderen

Volgens de NHG-Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties: injectievloeistof 4 mg/ml (als di-Na-fosfaat): i.m. (of i.v. in 2–3 min): 0,15 mg/kg lichaamsgewicht, max. 4 mg. Dexamethason kan worden gegeven om een late reactie te voorkomen.

Ter diagnose van het syndroom van Cushing (korte test)

Volwassenen

Oraal: 1 mg éénmalig om 23.00 uur 's avonds, daarna om 08.00–09.00 uur 's ochtends het cortisolgehalte bepalen.

Ter diagnose van het syndroom van Cushing (lange test)

Volwassenen

Diverse schema's zijn mogelijk. Oraal: dag 3 en 4: 2 mg/dag, dag 5 en 6: 8 mg/dag, dag 7 en 8: 16 mg/dag (4 mg elke 6 uur). Meet de uitscheiding van 17-OH-corticosteroïden gedurende 8 dagen (voor, tijdens en na de behandeling). Bepaal de cortisol- en ACTH-spiegel in de ochtend op dag 2, 5, 7 en 9.

Oraal: 0,5 mg elke 6 uur gedurende 48 uur. Daarna de in 24 uur met de urine uitgescheiden 17-OH-corticosteroïden bepalen.

Oraal: 2 mg elke 6 uur gedurende 48 uur. Daarna de in 24 uur met de urine uitgescheiden 17-OH-corticosteroïden bepalen.

Lokale behandeling van articulaire en peri-articulaire aandoeningen

Volwassenen

Injectievloeistof 4 mg/ml (als di-Na-fosfaat): intra-articulair: 2–4 mg in een groot of 0,8–1 mg in een klein gewricht; intrabursaal: 2–4 mg; in peesschede: 0,4–1 mg. De frequentie van deze injecties kan variëren van elke 3–5 dagen tot elke 2–3 weken. Maximaal vijf injecties per gewricht toedienen in het gehele leven vanwege het gevaar van aseptische botnecrose.

Injectievloeistof 4 mg/ml (fosfaat als di-Na-zout): intra-articulair of peri-articulair: 4 of 8 mg, in een klein gewricht is 2 mg voldoende, elke 3-4 weken, max. 3-4 infiltraties of injecties per gewricht.

Lokale behandeling van hand- en polsklachten

Volwassenen

Volgens de NHG-Standaard Hand- en polsklachten:

Injectievloeistof 4 mg/ml (als di-Na-fosfaat): bij carpale-tunnelsyndroom 1-4 mg in de peesschede en bij triggervinger en tendovaginitis van De Quervain 1 mg in de peesschede. Herhaal de injectie eventueel eenmalig bij geen effect na 4–6 weken. Indien de klachten recidiveren, herhaal de injectie dan alleen als het effect duidelijk aanwezig en langdurig was, en niet eerder dan 3-6 maanden na de laatste injectie.

Injectievloeistof 4 mg/ml (als di-Na-fosfaat): bij CMC-I-handartrose (incidenteel bij acute exacerbatie van lokale klachten die onvoldoende reageren op pijnstilling): 1 mg in de peesschede. Controleer het effect na 4-6 weken.

Offlabel-indicatie: pseudokroep

Kinderen

Volgens de NHG-Standaard Acuut hoesten (2024):

Oraal: drank 1 mg/ml (als di-Na-fosfaat): bij kinderen > 3 maanden eenmalig 0,15–0,6 mg/kg lichaamsgewicht, max. 15 mg. Bij onvoldoende effect zo nodig na 24–48 uur een tweede gift.

Buccaal (als de drank niet mogelijk is): injectievloeistof 4 mg/ml (als di-Na-fosfaat): bij kinderen > 6 maanden eenmalig 0,15–0,6 mg/kg lichaamsgewicht, max. 15 mg. Bij onvoldoende effect zo nodig na 24–48 uur een tweede gift. Dien toe via een spuitje in de wangzak. Pas op voor glassplinters in de vloeistof, die kunnen ontstaan na het breken van de ampul.

Bij verminderde nierfunctie is aanpassing van de dosering niet nodig.

Bij verminderde leverfunctie kan aanpassing van de dosering nodig zijn.

Toediening

  • Oraal, intraveneus, intramusculair of lokaal toedienen;
  • De injectievloeistof 20 mg/ml mag alleen intraveneus worden toegediend;
  • I.v.-injecties van hogere doseringen langzaam geven over een periode van 2-3 minuten.

Bijwerkingen

Vocht- en elektrolytenevenwicht: natrium- en vochtretentie, hartfalen bij daarvoor gevoelige patiënten, kaliumverlies, hypokaliëmische alkalose, hypertensie en verhoogde calciumuitscheiding.

Bewegingsapparaat: spierzwakte en spieratrofie (steroïdmyopathie), osteoporose met kans op compressiefracturen van de wervels of pathologische fracturen, aseptische botnecrose (vooral van de femur- en humeruskoppen), peesruptuur (vooral van de Achillespees), tendinitis. Intra-articulaire toediening: na herhaalde injecties kan pijnloze destructie van het gewricht gelijkend op artropathie van Charcot optreden.

Maag-darmstelsel: ulcus pepticum met meer kans op bloeding en (gemaskeerde) perforatie, pancreatitis, oesofagitis, misselijkheid en opgezette buik.

Huid: vertraagde wondgenezing, dunne kwetsbare huid, rode striae, erytheem van het gezicht, toegenomen transpiratie, verminderde respons bij huidtesten, acne, allergische reacties zoals urticaria en een versnelde groei van Kaposi-sarcoom (waarschijnlijk reversibel). Hypopigmentatie en atrofie op de plaats van injectie.

Hematologische effecten: petechiën en ecchymose, erytro- en granulocytose, lymfo- en eosinopenie, trombo-embolie.

Neurologische effecten: intracraniële drukverhoging met papiloedeem (pseudotumor cerebri), vooral bij kinderen tijdens of kort na snelle onttrekking, convulsies, vertigo en hoofdpijn.

Endocriene effecten: menstruatiestoornissen, erectiestoornis, hirsutisme, ontstaan van het Cushingsyndroom, belemmering van de groei bij kinderen, remming van hypothalamus-hypofyse-bijnierschorssysteem, met kans op bijnierschorsinsufficiëntie ten tijde van stress (zoals trauma, operatie en ziekte), verminderde glucosetolerantie, waardoor latente diabetes mellitus manifest kan worden.

Oog: papiloedeem, subcapsulaire lenscataracten, glaucoom, exoftalmie, retinopathie bij prematuren, chorioretinopathie, wazig zien.

Psychische reacties: variërend van euforie, slapeloosheid, angst, stemmingswisselingen, persoonlijkheidsveranderingen en ernstige depressie tot duidelijke verschijnselen van psychose. Ook kunnen bestaande emotionele instabiliteit en psychotische neigingen verergeren.

Stofwisseling: negatieve stikstofbalans door eiwitafbraak, gewichtstoename, centripetale vetzucht (gelaat, romp) versterkt door toegenomen eetlust (te beperken door dieetmaatregelen).

Overige: verhoogde gevoeligheid voor infecties (vooral bij hoge dosering). Overgevoeligheidsreacties (waaronder bronchospasmen, glottis-oedeem, urticaria en anafylaxie), hik. Hypertrofische cardiomyopathie bij premature zuigelingen. Tumorlysissyndroom bij de behandeling van hematologische maligniteiten (al dan niet in combinatie met andere chemotherapeutica).

Na langdurige therapie kan staken van de toediening van corticosteroïden een corticosteroïdonthoudingssyndroom tot gevolg hebben, begeleid door koorts, myalgie, artralgie en malaise; dit kan zelfs zonder tekenen van bijnierschorsinsufficiëntie optreden.

Bij een vroege behandeling (binnen 96 uur na de geboorte) met dexamethason in een startdosering van 0,25 mg/kg lichaamsgewicht 2×/dag bij prematuren met een chronische longziekte, zijn bijwerkingen op de lange termijn op de neurologische ontwikkeling gevonden.

Interacties

  • Vaccinatie met levende virussen bij gebruik van een immunosuppressieve dosering is gecontra-indiceerd. Toediening van geïnactiveerde virus- of bacteriële vaccins is mogelijk niet effectief;
  • Enzyminductoren, zoals carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne, primidon en rifampicine, kunnen de werking van corticosteroïden verminderen. De interactie is alleen relevant bij behandeling langer dan twee weken. Zowel bij starten als bij staken van de enzyminductor de corticosteroïddosering zo nodig bijstellen. Deze wisselwerking kan de dexamethasontest verstoren;
  • Wees voorzichtig bij gelijktijdige toediening van CYP3A4-remmers, zoals cobicistat, ketoconazol, itraconazol, ritonavir of macroliden, omdat een toename van systemische bijwerkingen van het corticosteroïd kan optreden;
  • Dexamethason is een matige induceerder van CYP3A4; hierdoor kan de werking van caspofungine, HCV-middelen en HIV-middelen afnemen;
  • Dexamethason kan de plasmaconcentratie van praziquantel verlagen;
  • (Fos)aprepitant kan de blootstelling aan dexamethason verhogen;
  • Efedrine kan de blootstelling aan dexamethason verlagen;
  • Oestrogenen kunnen het effect van corticosteroïden versterken;
  • De werking van zowel ciclosporine als corticosteroïden kan toenemen bij gelijktijdige toediening;
  • De respons op anticoagulantia kan veranderen, daarom de INR extra controleren;
  • Combinatie met lisdiuretica, thiazide-diuretica of amfotericine B kan leiden tot kaliumdepletie;
  • De toxische grens van digoxine kan eerder worden bereikt;
  • Gelijktijdig gebruik met NSAID's leidt tot een additief ulcerogeen effect;
  • De behoefte aan insuline of orale bloedglucoseverlagende middelen bij diabetici kan worden verhoogd;
  • De respons op somatropine kan verminderen;
  • De plasmaspiegel van isoniazide kan dalen;
  • De eliminatie van salicylaten kan worden versneld; bij het staken van de behandeling neemt de kans op salicylaatintoxicatie toe;
  • Hoge doses corticosteroïden kunnen neuromusculair blokkerende stoffen antagoneren en de kans op myopathie verhogen;
  • Bij combinatie met ACE-remmers is er meer kans op het optreden van veranderingen in bloedceltellingen;
  • Bij gelijktijdig oraal gebruik van fluorchinolonen is er meer kans op tendinitis en peesruptuur;
  • Wees voorzichtig bij combinatie met bupropion, omdat het risico op insulten mogelijk toeneemt;
  • Huidreacties veroorzaakt door allergietesten kunnen worden onderdrukt.

Zwangerschap

Dexamethason passeert de placenta; de foetale serumconcentratie is bijna 100% van de maternale concentratie.

Teratogenese: Bij dieren in hoge doses schadelijk gebleken (schisis). Bij de mens geen duidelijke aanwijzingen voor schadelijkheid.

Farmacologisch effect: Bij chronisch gebruik van corticosteroïden in hogere doseringen is intra-uteriene groeivertraging beschreven. Chronisch gebruik in het 3e trimester kan neonatale bijnierschorssuppressie veroorzaken; kenmerken hiervan zijn neonatale hypoglykemie, hypotensie, elektrolytverstoringen en verstoring van de immuunrespons.

Advies: Gebruik ontraden, tenzij strikt noodzakelijk.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Onbekend.

Advies: Kortdurend gebruik is waarschijnlijk veilig. Vermijd langdurig gebruik vanwege het ontbreken van ervaring, de sterke werking en de hogere biologische beschikbaarheid.

Contra-indicaties

Systemische therapie

  • ulcus ventriculi of ulcus duodeni;
  • acuut infectieus proces, vooral virusinfectie of systemische schimmelinfectie;
  • parasitaire infectie, tropische worminfectie;
  • zie ook de rubriek Interacties.

Lokale therapie

  • infectie van de plaats van aandoening, bv. septische artritis ten gevolge van gonorroe of tuberculose;
  • bacteriëmie of systemische schimmelinfectie;
  • instabiliteit van het gewricht;
  • hemorragische diathese (spontaan of als gevolg van anticoagulantia);
  • peri-articulaire calcificatie;
  • avasculaire osteonecrose;
  • peesruptuur;
  • Charcot-gewricht.

Injectievloeistof met benzylalcohol: prematuren en neonaten.

Waarschuwingen en voorzorgen

Bij langdurig gebruik regelmatig controles uitvoeren: o.a. bloedglucose, bloeddruk en lichaamsgewicht; daarnaast oogheelkundige controle vanwege het risico op cataract en glaucoom. Bij risicofactoren voor maagcomplicaties kan profylactisch gebruik van een maagbeschermer nodig zijn. Bij relatief hoge doses zijn voldoende kaliuminname en beperkte natriuminname van belang; monitor het kaliumgehalte in bloed.

Het risico op fracturen neemt toe, vooral bij langdurig gebruik van hogere doseringen. Besteed aandacht aan leefstijladviezen en inname van voldoende calcium en vitamine D3. Medicatie ter preventie van fracturen is geïndiceerd bij gebruik van glucocorticoïden met een verwachte duur > 3 maanden, afhankelijk van de dosis en de leeftijd. Zie de aanbevelingen in de NIV-richtlijn Osteoporose en fractuurpreventie, module Medicatie voor fractuurpreventie bij glucocorticoïden (2022).

Langdurige behandeling kan resulteren in onderdrukking van de HPA-as (steroïdgeïnduceerde bijnierschorsinsufficiëntie). Om acute adrenale insufficiëntie te voorkomen, de corticosteroïdbehandeling altijd geleidelijk afbouwen, verspreid over weken of maanden naargelang de dosis en de duur van de behandeling. Bij stress (operatie, trauma, infectie) tijdens en ook nog gedurende een halfjaar ná een langdurige behandeling, kan een tijdelijke dosisverhoging ofwel opnieuw behandelen met corticosteroïden noodzakelijk zijn.

Tijdens gebruik bestaat een verhoogde gevoeligheid voor infectie met maskering van de klinische verschijnselen van infectie en ontsteking. Bij een bacteriële infectie zo mogelijk eerst de verwekker bepalen en de infectie behandelen alvorens met de toediening van glucocorticoïden te beginnen. Latente infecties veroorzaakt door bijvoorbeeld Mycobacterium, Pneumocystis jiroveci, Strongyloides en Entamoeba histolytica kunnen manifest worden. Waterpokken en mazelen kunnen bij niet-immune patiënten een ernstiger en zelfs fataal beloop hebben; blootgestelde patiënten direct onder medische behandeling stellen.

Wees voorzichtig bij:

  • ernstige colitis ulcerosa met dreigende perforatie, abcesvorming, diverticulitis of recente darmanastomosen, vanwege het risico op darmperforatie;
  • peptisch ulcus in de voorgeschiedenis;
  • latente tuberculose;
  • eerder door glucocorticoïd teweeggebrachte myopathie;
  • leverfalen, nierinsufficiëntie;
  • hypothyroïdie;
  • diabetes mellitus;
  • hypertensie;
  • hartfalen;
  • recent myocardinfarct;
  • osteoporose (overweeg aanvullende behandeling);
  • epilepsie;
  • myasthenia gravis;
  • psychiatrische voorgeschiedenis, waaronder risico op suïcide;
  • glaucoom;
  • oculaire herpes vanwege een mogelijke perforatie van de cornea;
  • (vermoedelijke) feochromocytoom, omdat feochromocytoomcrisis is gemeld na toediening van systemische corticosteroïden.

Acute, gegeneraliseerde myopathie van oculaire en respiratoire spieren, eventueel leidend tot tetraplegie, is beschreven tijdens gebruik van hoge doses glucocorticoïden, meestal bij bestaande afwijkingen in de neuromusculaire transmissie (bv. myasthenia gravis) of bij gelijktijdige behandeling met neuromusculaire blokkers. Na staken van de behandeling kan het herstel enkele weken tot jaren duren.

Bij behandeling van hematologische maligniteiten (al dan niet in combinatie met andere chemotherapeutica) is tumorlysissyndroom (TLS) gemeld. Patiënten met veel kans op TLS nauwlettend controleren en passende voorzorgsmaatregelen nemen.

Bij ouderen is zorgvuldige observatie van belang omdat de gebruikelijke bijwerkingen (zoals osteoporose, hypertensie, hypokaliëmie, diabetes mellitus, gevoeligheid voor infecties en atrofie van de huid) bij hen tot levensbedreigende reacties kunnen leiden.

De groei en ontwikkeling van kinderen nauwlettend volgen bij langdurig gebruik van glucocorticoïden; om groeiremming te voorkomen streven naar een alternerende dosering.

Na toediening aan prematuren is hypertrofische cardiomyopathie gemeld. Daarom een passende diagnostische beoordeling en bewaking van de hartfunctie en -structuur uitvoeren.

Anafylactische reacties zijn voorgekomen bij behandeling met parenterale glucocorticoïden. Daarom vóór toediening de aangewezen voorzorgsmaatregelen nemen, in het bijzonder wanneer de patiënt eerder allergisch reageerde op een geneesmiddel.

Intra-articulaire toediening van glucocorticoïden vergroot het risico op articulaire infectie. Herhaald gebruik in gewichtdragende gewrichten kan leiden tot toename van degeneratieve verandering binnen het gewricht. Een mogelijke oorzaak is overbelasting van het aangedane gewricht na regressie van pijn of andere symptomen.

I.m.-injectie niet toepassen bij immuungemedieerde trombocytopenie.

Hulpstoffen

  • I.v.-toediening van benzylalcohol, in sommige injectievloeistoffen, is in verband gebracht met ernstige bijwerkingen en overlijden bij neonaten ('gasping'-syndroom); zie rubriek Contra-indicaties. Niet langer dan één week gebruiken bij kinderen jonger dan 3 jaar, vanwege stapeling. In grote hoeveelheden kan benzylalcohol zich ophopen in het lichaam en metabole acidose veroorzaken; wees voorzichtig tijdens zwangerschap, lactatie en bij een verminderde lever- of nierfunctie.
  • Wees voorzichtig met propyleenglycol, in drank FNA, bij zuigelingen < 4 weken, zeker in combinatie met andere middelen die propyleenglycol of alcohol bevatten.
  • Sulfiet, in sommige injectievloeistoffen, kan in zeldzame gevallen bronchospasmen geven.

Overdosering

Zie voor symptomen en behandeling de monografie corticosteroïden op vergiftigingen.info (zoek op stofnaam).

Eigenschappen

Gefluorideerd corticosteroïd met sterke glucocorticoïde eigenschappen; het mineralocorticoïde effect is te verwaarlozen.

Vanwege de lange biologische halfwaardetijd is dexamethason met name geschikt in gevallen waarin een continue glucocorticoïde werking is gewenst.

Kinetische gegevens

Overig dexamethason(di)natriumfosfaat (injectie) wordt na toediening snel gehydrolyseerd tot dexamethason.
Resorptie goed.
Metabolisering in de lever door vnl. CYP3A4 in o.a. 6β–hydroxydexamethason. Conjugatie van dexamethason.
Eliminatie met de urine en feces.
T 1/2el 3–6 uur.
Overig biologische halfwaardetijd = 36–72 uur.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd