Geneesmiddelenoverzicht antiretrovirale middelen, combinatiepreparaten

Deze hoofdrubriek bevat 1 rubrieken:

Meer informatie over HIV-infectie. Een volledig overzicht van alle indicaties per geneesmiddel kunt u vinden in de geneesmiddelteksten.

antiretrovirale middelen, combinatiepreparaten

Werking

Deze groep bestaat uit de combinatiepreparaten van:

  • 2 of 3 verschillende HIV-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers (abacavir, lamivudine, zidovudine; emtricitabine, tenofoviralafenamide of tenofovirdisoproxil);
  • een HIV-proteaseremmer (darunavir) en een CYP3A-remmer (cobicistat);
  • 2 HIV-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers en een HIV-integraseremmer (bictegravir of dolutegravir);
  • 2 HIV-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers, een HIV-integraseremmer (elvitegravir) en een CYP3A-remmer (cobicistat);
  • 2 HIV-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers en een HIV-non-nucleoside reverse-transcriptaseremmer (rilpivirine, efavirenz);
  • 1 HIV-non-nucleoside reverse-transcriptaseremmer (rilpivirine) en een HIV-integraseremmer (dolutegravir);
  • 2 HIV-proteaseremmers (lopinavir, ritonavir).

Werkingsmechanisme

HIV-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers (NRTI's):

  • remmen – na intracellulaire omzetting in een di- of trifosfaat – het HIV-reverse-transcriptase enzym en blokkeren de verlenging van de virale DNA-keten. Hierdoor wordt de HIV-replicatie geremd.
  • emtricitabine, lamivudine en tenofovir remmen – na intracellulaire omzetting in een di- of trifosfaat – ook het HBV-reverse-transcriptase enzym. Hierdoor wordt de HBV-replicatie geremd.

HIV-integraseremmers (INSTI's):

  • remmen het enzym integrase in de humane gastheer-T-cel;
  • verhinderen de integratie van de DNA-kopie van viraal RNA in het DNA van de gastheercel en daardoor vermenigvuldiging van het HIV.

HIV-non-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers (NNRTI's):

  • binden niet-competitief en direct aan het HIV-reverse-transcriptase-enzym;
  • blokkeren de RNA- en DNA-afhankelijke DNA-polymeraseactiviteit van het virus door ontregeling van het katalytische gedeelte van het enzym.

HIV-proteaseremmers (PI's):

  • remmen selectief het HIV-protease, een essentiële component in de replicatiecyclus van het HIV-virus;
  • blokkeren hierdoor rijping van infectieuze HIV-deeltjes.

Ritonavir is een HIV-proteaseremmer en wordt verder ook vanwege metabolisme-remmende eigenschappen (sterke CYP3A4-remmer) gebruikt als farmacokinetische versterker van andere HIV-proteaseremmers.

De CYP3A-remmer cobicistat:

  • remt selectief de CYP3A-subfamilie van enzymen. Hierdoor verhoogt het de systemische blootstelling van geneesmiddelen waarvan het werkzame bestanddeel voornamelijk wordt gemetaboliseerd door CYP3A.

Effect

Bij HIV-infectie, als onderdeel van een combinatie-antiretrovirale-therapie (cART):

  • vermindering van de virusconcentratie (HIV-1-RNA) in plasma (virologische respons);
  • toename van het aantal CD4-T-cellen;
  • herstel en behoud van de immunologische afweer;
  • vermindering van HIV-geassocieerde morbiditeit en mortaliteit.

De CYP3A-remmer (cobicistat) in de combinatiepreparaten versterkt de werkzaamheid van anti-retrovirale combinatietherapie bij een HIV-1-infectie.

Voor het combinatiepreparaat van emtricitabine met tenofovirdisoproxil (2 HIV-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers) tevens:

  • preventie van een HIV-infectie bij bewezen HIV-negatieve personen, in combinatie met andere maatregelen ter preventie van HIV-transmissie.

Meer informatie

Het humaan immunodeficiëntievirus (HIV) is een RNA-virus dat zich vermenigvuldigt in de CD4-positieve macrofagen en T-helper lymfocyten van het immuunapparaat van de mens. Hiervoor maakt het virus o.a. gebruik van virale enzymen, zoals reverse-transcriptase (voor de omzetting van viraal RNA naar viraal DNA), integrase (voor de insertie van viraal DNA in het genoom van de gastheercel) en protease (voor de omzetting van viraal mRNA naar viraal eiwit). Deze verschillende stappen vormen aangrijpingspunten van diverse geneesmiddelgroepen, als CCR5-antagonisten, HIV-fusieremmers, HIV-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers, HIV-non-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers, HIV-integraseremmers en HIV-proteaseremmers.

Bij de virusvermenigvuldiging ontstaan mutaties. Hierdoor worden virussen op den duur resistent tegen toegepaste behandeling. Door combinatie van antivirale middelen uit verschillende groepen met verschillende werkingsmechanismen en niet-overlappende resistentieprofielen wordt het HIV in meerdere fasen van de virale levenscyclus bestreden. Dit resulteert in een hoge virologische respons.

Typerende bijwerkingen

De specifieke bijwerkingen van deze combinatiepreparaten verschillen per preparaat, zie hiervoor daarom de desbetreffende geneesmiddelteksten.

In het algemeen kunnen tijdens de behandeling met cART echter worden gezien:

  • serumlipiden (cholesterol en triglyceriden), de bloedglucosespiegels en het gewicht kunnen toenemen;
  • bij ernstige immuundeficiëntie: ontstekingsreactie op asymptomatische of nog aanwezige opportunistische pathogenen welke tot ernstige ziektebeelden kunnen leiden, bv.:
    • CMV-retinitis;
    • focale en/of gegeneraliseerde mycobacteriële infecties;
    • Pneumocystis jiroveci-pneumonie;
    • reactivering van herpes-infecties.
  • bij ernstige immuundeficiëntie: auto-immuunziekten (zoals de ziekte van Graves of auto-immuunhepatitis), vaak pas vele maanden na aanvang van de behandeling;
  • bij bestaande leveraandoeningen is er meer kans op achteruitgang van de leverfunctie;
  • bij co-infectie met hepatitis B of C (HBV of HCV) is er meer kans op ernstige en potentieel fatale leverbijwerkingen. Indien een behandeling wordt gestaakt bij co-infectie met HBV kan een acute exacerbatie van hepatitis optreden. Bij gevorderde leverziekte of -cirrose wordt het staken van de behandeling afgeraden omdat dit kan leiden tot leverdecompensatie.
  • osteonecrose, waarbij gewrichten pijnlijk en/of stijf worden. Dit komt vooral voor bij langdurige blootstelling aan cART of gevorderde HIV-infectie.
  • bij hemofiliepatiënten die HIV-proteaseremmers gebruiken is toename (in ernst en/of frequentie) van spontane bloedingen (subcutane of musculaire hematomen, hemartrosen) opgetreden;
  • nefrotoxiciteit van sommige middelen is gemeld, zich bv. uitend in een proximale tubulopathie (zoals het syndroom van Fanconi).
  • lactaatacidose bij gebruik van nucleoside en nucleotide analoga (NRTI's; m.n. bij het gebruik van zidovudine, stavudine en didanosine; zie ook 'Meer informatie');
  • lipoatrofie (het verlies van subcutaan vet, het meest uitgesproken in het gelaat, op de ledematen en de billen, alleen bij de NRTI's zidovudine, stavudine en didanosine).

Meer informatie

Lactaatacidose: wordt meestal geassocieerd met ernstige hepatomegalie en hepatische steatosis. Vroege symptomen van hyperlactatemie omvatten misselijkheid, braken, buikpijn, malaise, verlies van eetlust, gewichtsverlies en respiratoire (snelle en/of zware ademhaling) of neurologische symptomen (incl. verzwakte motoriek). Lactaatacidose treedt gewoonlijk op na behandeling van een paar maanden. Ernstige (soms fataal verlopende) gevallen zijn in verband gebracht met pancreatitis, leverfalen/leversteatose en nierfalen. Daarom in dergelijke gevallen de behandeling staken bij optreden van symptomatische hyperlactatemie, metabole- of lactaatacidose, progressieve hepatomegalie of snel toenemende aminotransferasespiegels.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Indicaties

Vergelijken

antiretrovirale middelen, combinatiepreparaten vergelijken met een andere geneesmiddelgroep.