Samenstelling

Cuvitru Shire Netherlands BV

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
200 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 5 ml, 10 ml, 20 ml, 40 ml

Bereid uit normaal, menselijk plasma en bevat ten minste 98% IgG en geringe hoeveelheden IgA (280 microg/ml). De subklassensamenstelling van het IgG benadert die van normaal plasma.

Gammanorm EuroCept bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
165 mg/ml
Verpakkingsvorm
ampul 10 ml, flacon 20 ml

Bereid uit normaal, menselijk plasma en bevat ten minste 95% IgG en geringe hoeveelheden IgA (82,5 microg/ml). De subklassensamenstelling van het IgG benadert die van normaal plasma. Bevat tevens: natrium 2,5 mg/ml.

GammaQuin Sanquin, CLB, divisie Producten

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
160 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 1 ml, 2 ml

Bereid uit normaal, menselijk plasma en bevat ten minste 90% IgG, geringe hoeveelheden IgA en IgM en sporen van andere plasma-eiwitten. De subklassensamenstelling van het IgG benadert die van normaal plasma. De injectievloeistof bevat ten minste 100 IE hepatitis A-antistof per ml. De 5 en 15 ml flacons voor de behandeling van immuundeficiënties zijn niet meer leverbaar. De flacons van 1 en 2 ml zijn nog wel leverbaar, maar alléén direct via Sanquin.

Hizentra CSL Behring bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
200 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 5 ml, 10 ml, 20 ml

Bereid uit normaal, menselijk plasma en bevat ten minste 98% IgG en geringe hoeveelheden IgA (50 microg/ml). De subklassensamenstelling van het IgG benadert die van normaal plasma. Bevat tevens L–proline.

HyQvia Baxter bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
25 ml, 50 ml, 100 ml, 200 ml, 300 ml, Geleverd met een flacon met injectievloeistof met recombinant humaan hyaluronidase (rHuPH20)

Bereid uit normaal, menselijk plasma en bevat ten minste 98% IgG, geringe hoeveelheden IgA (≤ 140 microg/ml). De subklassensamenstelling van het IgG benadert die van normaal plasma. Flacon hyaluronidase bevat tevens: 4,03 mg natrium per ml, dinatrium-EDTA.

Subcuvia Baxter bv

Toedieningsvorm
Injectievloeistof
Sterkte
160 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 5 ml, 10 ml

Bereid uit normaal, menselijk plasma en bevat ten minste 95% IgG, geringe hoeveelheden IgA (≤ 4,8 mg/ml). De subklassensamenstelling van het IgG benadert die van normaal plasma. Bevat tevens: natrium 1,4 mg/per ml.

Uitleg symbolen

Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Normaal immunoglobuline kan bij de genoemde indicaties worden voorgeschreven.

Indicaties

Intramusculair (IMIg)

  • GammaQuin:

    • profylaxe of mitigering mazelen binnen 1 week na expositie;
    • profylaxe of mitigering hepatitis A binnen 2 weken na expositie;
    • profylaxe hepatitis A bij reizen naar gebieden waar hepatitis A endemisch is.

Subcutaan (SCIg)

  • Cuvitru, Gammanorm, GammaQuin, Hizentra, HyQvia, Subcuvia:

    • primaire immunodeficiëntie-syndromen met tekortschietende productie van antilichamen;
    • hypogammaglobulinemie met recidiverende (bacteriële) infecties bij chronische lymfatische leukemie bij wie profylactische antibiotica niet werken of zijn gecontra-indiceerd;
    • hypogammaglobulinemie met recidiverende (bacteriële) infecties bij multipel myeloom;
  • Cuvitru, Gammanorm, Hizentra, HyQvia, Subcuvia:

    • hypogammaglobulinemie vóór en na allogene hematopoëtische stamceltransplantatie.
  • Hizentra:

    • chronische inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie (CIDP) als onderhoudstherapie na stabilisatie met intraveneus toegediende immunoglobulinen (IVIg).

Dosering

De doseringen bij substitutietherapie instellen afhankelijk van de farmacokinetische en klinische respons en serum IgG dalconcentraties. De onderstaande doseringen gelden als richtlijn.

Bij substitutietherapie wordt een dalspiegel IgG van 5–6 g/l nagestreefd.

Klap alles open Klap alles dicht

Ter preventie of mitigering van mazelen:

Volwassenen en kinderen:

GammaQuin, intramusculair: zo spoedig mogelijk (≤ 1 week na expositie) 0,25 ml/kg lichaamsgewicht. Bij een niet-geïmmuniseerd kind, dat tevens immuungecompromitteerd is en blootgesteld aan mazelen: 0,5 ml/kg.

Ter preventie of mitigering van hepatitis A:

Volwassenen en kinderen :

GammaQuin, intramusculair: 0,02 ml/kg lichaamsgewicht binnen 2 weken na expositie.

Ter preventie van hepatitis A bij reizigers:

Volwassenen en kinderen:

GammaQuin, intramusculair: naar gebieden waar hepatitis A endemisch is: Verblijf ≤ 1 maand: 0,02 ml per kg lichaamsgewicht, als leidraad kan dienen: bij een gewicht van < 50 kg: 1 ml en > 50 kg: 2 ml; verblijfsduur 1 maand–6 weken: 0,03 ml/kg, als leidraad kan dienen: bij een gewicht < 25 kg: 1 ml, 25–50 kg: 2 ml en > 50 kg: 4 ml; verblijfsduur 6 weken–3 maanden: 0,06 ml/kg, als leidraad kan dienen: bij een gewicht < 25 kg: 2 ml, 25–50 kg: 3 ml en > 50 kg: 5 ml. Bij verblijf in een endemisch gebied > 3 maanden wordt actieve immunisatie aanbevolen.

Primaire immunodeficientiesyndromen of secundaire hypogammaglobulinemie:

Volwassenen en kinderen:

Cuvitru: subcutaan als infusie in buik, dij, bovenarm, laterale heup: een oplaaddosis van ten minste 0,2–0,5 g/kg lichaamsgewicht kan noodzakelijk zijn, verdeeld over meerdere dagen met maximaal 0,1–0,15 g/kg/dag. Bij bereiken steady-state IgG waarden, regelmatig onderhoudsdoses toedienen om een cumulatieve maandelijkse dosis van 0,3–1,0 g/kg lichaamsgewicht te bereiken. Infusie direct starten na overbrengen naar injectiespuit en bij voorkeur toedienen in maximaal 2 uur. Bij toediening > 2 uur de vereiste dosis verdelen en op verschillende infuusplaatsen toedienen; na 2 uur vormen zich zichtbare deeltjes in gesiliconiseerde spuiten. Infusiesnelheid: starten met 10 ml/uur/infuusplaats. Bij goed verdragen de snelheid verhogen in intervallen van minimaal 10 minuten tot maximaal 20 ml/uur/infuusplaats voor de eerste 2 infusies. Bij volwassenen mogen doses van > 30 ml worden verdeeld. Bij zuigelingen en kinderen na elke 5–15 ml een andere infuusplaats kiezen.

Volwassenen en kinderen:

Gammanorm: subcutaan als infusie in buik, dij, bovenarm, laterale heup: een oplaaddosis van ten minste 0,2–0,5 g/kg lichaamsgewicht kan noodzakelijk zijn, mogelijk verdeeld over meerdere dagen met maximaal 0,1–0,15 g/kg/dag. Bij bereiken steady-state IgG waarden, regelmatig (ongeveer 1x/week) onderhoudsdoses toedienen om een cumulatieve maandelijkse dosis van 0,4–0,8 g/kg lichaamsgewicht te bereiken. Subcutane infusie met pomp (meerdere infusieplaatsen): start met 15 ml/uur/injectieplaats. Bij goed verdragen de infuussnelheid voor volgende infusies geleidelijk verhogen met 1–2 ml/uur/infusieplaats tot 25 ml/uur/infusieplaats. De maximale infusiesnelheid is 100 ml/uur voor alle infusieplaatsen samen. Bij volwassenen mogen doses van > 30 ml worden verdeeld. Het maximale infusievolume per infusieplaats mag niet groter zijn dan 25 ml voorafgaand aan de 10e infusie. Na de 10e infusie kan dit geleidelijk worden verhoogd tot 35 ml. Bij zuigelingen en kinderen na elke 5–15 ml een andere infuusplaats kiezen. Subcutane injectie met een spuit op één infusieplaats: de voorgestelde maximale infusiesnelheid is 1–2 ml/minuut. De wekelijkse dosering kan worden verspreid over 3 toedieningen om de andere dag. Bij volwassenen mag het maximale infusievolume per infusieplaats niet groter zijn dan 25 ml, bij kinderen niet groter dan 5–15 ml. Maximaal 120 ml/uur voor alle plaatsen samen. Intramusculair alleen in uitzonderlijke gevallen.

Volwassenen en kinderen:

GammaQuin: subcutaan als infusie in buik, dij, bovenarm, laterale heup : een oplaaddosis van ten minste 0,2–0,5 g/kg lichaamsgewicht kan noodzakelijk zijn. Bij bereiken steady-state IgG waarden, regelmatig onderhoudsdoses toedienen om een cumulatieve maandelijkse dosis van 0,4–0,8 g/kg lichaamsgewicht te bereiken. Infusiesnelheid: starten met 2–3 ml/uur/pomp, daarna eventueel verhogen t ot maximaal 25 ml/uur.

Volwassenen en kinderen:

Hizentra: subcutaan als infusie in buik, dij, bovenarm, laterale heup: pas zo nodig een oplaaddosis van 0,2–0,5 g/kg (1–2,5 ml/kg) lichaamsgewicht toe, zo mogelijk verdeeld over verschillende dagen; regelmatig onderhoudsdoses toedienen om een cumulatieve maandelijkse dosis van 0,4–0,8 g/kg (2–4 ml/kg) lichaamsgewicht te bereiken. Infusiesnelheid: starten met max. 20 ml/uur/infusieplaats. Verhoog eventueel bij goed verdragen tot 35 ml/uur/infusieplaats voor de volgende 2 infusies. Daarna verder verhogen afhankelijk van verdraagbaarheid. Bij volwassenen tot 50 ml/plaats geven. De infusieplaatsen minstens 5 cm van elkaar. Bij zuigelingen en kinderen na elke 5–15 ml een andere infuusplaats kiezen.

Volwassenen en kinderen:

HyQvia: subcutaan als infusie in het midden van de bovenbuik of in een dijbeen: altijd eerst de volledige dosis hyaluronidase–oplossing met een constante snelheid (1–2 ml/min per infusieplaats) toedienen. Hierna binnen 10 minuten op dezelfde infusieplaats (dezelfde naald) het immunoglobuline toedienen. Bij gebruik van twee infusieplaatsen de totale dosis van zowel het hyaluronidase als het immunoglobuline vóór toediening verdelen en de tweede infusieplaats aan de contralaterale zijde kiezen. Dosering immunoglobuline: bij niet eerdere behandeling met Ig 0,4–0,8 g/kg lichaamsgewicht/maand; deze (cumulatieve) maandelijkse dosis verdelen over de maand: geef bij de start een wekelijkse dosis en verleng behandelingsinterval geleidelijk tot maximaal een dosis om de 3 of 4 weken. Bij overstappen van IVIg: dezelfde dosis en hetzelfde interval aanhouden. Bij overstappen van andere SCIg: de eerste dosis 1 week na de laatste Ig behandeling geven en dezelfde dosis aanhouden. Interval aanpassen naar 3–4 weken. Infusiesnelheid: bij een lichaamsgewicht ≥ 40 kg: beginsnelheid 10 ml/uur/infuusplaats, bij goed verdragen met intervallen van 10 minuten te verhogen tot max. 240 ml/uur/infusieplaats voor de eerste twee infusies, bij de volgende infusies tot max. 300 ml/uur/infusieplaats; bij een lichaamsgewicht < 40 kg: beginsnelheid 5 ml/uur/infusieplaats, bij goed verdragen met intervallen van 10 minuten te verhogen tot max. 80 ml/uur/infusieplaats voor de eerste twee infusies, bij de volgende infusies tot max. 160 ml/uur/infusieplaats.

Volwassenen en kinderen:

Subcuvia: subcutaan als infusie in buik, dij, bovenarm, laterale heup: zo nodig een oplaaddosis toepassen: ten minste 0,2–0,5 g/kg lichaamsgewicht, het kan nodig zijn deze te verspreiden over meerdere doses (max. 0,1–0,15 g/kg per dag) gedurende één week; onderhoudsdosering 0,4–0,8 g/kg lichaamsgewicht als cumulatieve maandelijkse dosis, opgesplitst in meerdere doses. Infusiesnelheid: starten met 10 ml/uur/pomp, zonodig bij elke volgende infusie verhogen met 1 ml/uur/pomp, maximale toedieningssnelheid is 20 ml/uur/pomp. Na elke toediening van 5–15 ml veranderen van toedieningsplaats. Kan in uitzonderlijke gevallen intramusculair worden toegediend waarbij de maanddosis wordt verdeeld over wekelijkse of veertiendaagse doses om het te injecteren volume laag te houden.

CIDP

Volwassenen en kinderen:

Hizentra: subcutaan in buik, dij, bovenarm en/of laterale heup 0,2–0,4 g/kg lichaamsgewicht per week, start 1 week na de laatste IVIg-infusie. De eerste s.c. dosis kan 1:1 omrekening zijn van de oude IVIg dosis berekend als weekdosis. De wekelijkse dosis kan in meerdere doses per week worden toegediend. Verdubbel de wekelijkse dosis bij toediening om de twee weken. Onderhoudstherapie > 6 maanden is niet onderzocht, maar kan worden overwogen op basis van de respons en bewezen noodzaak. Infusiesnelheid: starten met max. 20 ml/uur/infusieplaats. Verhoog eventueel bij goed verdragen tot 35 ml/uur/infusieplaats voor de volgende 2 infusies. Daarna verder verhogen afhankelijk van verdraagbaarheid. Bij volwassenen tot 50 ml/plaats geven. De infusieplaatsen minstens 5 cm van elkaar. Bij zuigelingen en kinderen na elke 5–15 ml een andere infuusplaats kiezen. Overweeg voortzetting behandeling na 6 maanden; pas eventueel aan volgens respons en bewezen noodzaak.

Ouderen: er is geen dosisaanpassing nodig.

Toedieningsinformatie: bij i.m toediening langzaam, diep i.m. inspuiten. Bij i.m. toediening van volumina groter dan 5 ml, de dosis verdelen over meerdere injectieplaatsen.

Mogelijke complicaties kunnen vaak voorkómen worden door aanvankelijk langzaam te injecteren en patiënten tijdens de infusie zorgvuldig te bewaken; zie ook de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): reacties op de injectie–/infusieplaats (bv. pijn, erytheem, zwelling, jeuk, verharding, nodule, blauwe plek). Griepachtige ziekte waaronder nasofaryngitis. Hoofdpijn. Diarree, misselijkheid. Vermoeidheid. Huiduitslag. Musculoskeletale pijn (incl. artritis, spierspasmen, spierzwakte).

Vaak (1-10%): overgevoeligheid, myalgie, koorts, rillingen. Pijn op de borst. Duizeligheid. Somnolentie, vermoeidheid. Hypotensie, hypertensie, tachycardie. Buikpijn, braken. Migraine. Asthenie, lethargie, malaise. Jeuk, urticaria.

Soms (0,1-1%): branderig gevoel, warm of koud aanvoelen, blozen, bleekheid. Aseptische meningitis. Erytheem, maculopapuleuze huiduitslag. Tremor. Opgezette buik. Oedeem waaronder perifeer oedeem. Bronchospasmen, dyspneu. hyperhidrose. Rugpijn, artralgie, pijn in de ledematen. Verhoogd serumcreatinine. Positieve Coombs-test, anti-GAD-antistof positief.

Zelden: (0,01-0,1%): hemosiderinurie. Paresthesie.

Zeer zelden: (< 0,01%): anafylactische shock, trombo-embolische aandoeningen.

Verder zijn gemeld: Anafylactische reacties, plotselinge daling van de bloeddruk (ook bij niet-bekende overgevoeligheid). Hoest. Gezichtsoedeem. Allergische dermatitis, zweervorming op de plaats van infusie. Spierstijfheid.

Interacties

De immuunrespons op bepaalde vaccins met verzwakt levend virus, met name mazelen-, bof-, varicella- of rubellavaccin kan door immunoglobuline worden verzwakt. Na toediening van immunoglobuline vaccinatie met verzwakt levend virus uitstellen tot ten minste drie maanden daarna . Bij mazelen kan dit tot een jaar zijn; controleer eventueel antilichaamstatus.

Zwangerschap

Alleen IgG passeert de placenta.
Teratogenese: Onbekend. Langdurige klinische ervaring met immunoglobulinen wijst er op dat er geen schadelijke effecten op het verloop van de zwangerschap, bij de foetus en de neonaat zijn te verwachten.
Advies: Kan (voor zover bekend zonder gevaar, overeenkomstig het voorschrift) worden gebruikt.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: Ja (IgG).
Farmacologisch effect: Levert een bijdrage aan de overdracht van beschermende antistoffen aan de zuigeling.
Advies: Kan (voor zover bekend zonder gevaar) overeenkomstig het voorschrift worden gebruikt.

Contra-indicaties

  • intolerantie voor humane immunoglobulinen, vooral bij selectieve IgA-deficiëntie, waarbij anti-IgA-antistoffen zijn aangetoond;
  • Hizentra ook: hyperprolinemie type I of II;
  • HyQvia ook overgevoeligheid voor hyaluronidase.

Normaal immunoglobuline i.m. of s.c. is niet geschikt voor i.v.-toediening. Cuvitru en HyQvia niet intramusculair toedienen. De andere preparaten niet intramusculair toedienen bij ernstige trombocytopenie of andere stollingsstoornissen.

Waarschuwingen en voorzorgen

Niet toedienen bij gebleken overgevoeligheid voor bloedproducten wegens risico van een anafylactische reactie; indien toediening toch noodzakelijk wordt geacht, is nauwkeurige klinische controle aangewezen. Patiënten met IgA-deficiëntie kunnen anti-IgA-antistoffen en daardoor een anafylactische reactie ontwikkelen na toediening, omdat de preparaten IgA bevatten; alleen behandelen onder nauwlettend toezicht. Mogelijk kan premedicatie overgevoeligheids- en allergische reacties voorkómen. Informeer patiënt over vroege verschijnselen van anafylaxie/overgevoeligheid zoals urticuria, jeuk, beklemmend gevoel op de borst, piepende ademhaling en hypotensie.

Wees voorzichtig bij reeds bestaande risicofactoren voor trombotische voorvallen (zoals hoge leeftijd, langdurige immobilisatie, hypertensie, diabetes mellitus met een voorgeschiedenis van vaatziekte of trombotische episoden, trombofiele aandoeningen, ernstige hypovolemie, ziekten met een verhoogde bloedviscositeit); het gebruik van immunoglobulinen is in verband gebracht met arteriële en veneuze trombo-embolische voorvallen zoals myocardinfarct, beroerte, diepveneuze trombose en longembolie. Patiënten dienen voldoende gehydrateerd te zijn vóór het gebruik. Adviseer patiënten om direct contact op te nemen bij de eerste symptomen van een trombo-embolisch voorval zoals dyspneu, pijn op de borst, focale uitvalsverschijnselen, pijn in, of het opzwellen van, een ledemaat.

Aseptische meningitis syndroom (AMS) is gemeld na toediening van s.c. of i.v. immunoglobuline; er is meer kans op aseptische meningitis bij vrouwen en bij gebruik van hoge doses (2 g/kg); de symptomen ervan treden gewoonlijk op binnen enkele uren tot twee dagen na de behandeling en verdwijnen doorgaans (zonder restverschijnselen) binnen enkele dagen na staken van de behandeling. Informeer patiënt over eerste symptomen waaronder ernstige hoofdpijn, stijfheid van de nek, suf voelen, koorts, fotofobie, misselijkheid en braken.

Controleer op klinische symptomen van hemolyse; ook niet-intraveneuze IgG–producten kunnen bloedgroepantistoffen bevatten die kunnen dienen als hemolysinen.

Sommige bijwerkingen kunnen vaker optreden: bij hoge infusiesnelheid, bij patiënten met hypo- of agammaglobulinemie met of zonder IgA-deficiëntie, bij patiënten die voor het eerst humane normale immunoglobuline krijgen of bij wie een lange tijd verstreken is sinds de vorige infusie. Mogelijke complicaties kunnen vaak voorkómen worden door aanvankelijk langzaam te infunderen en de patiënt tijdens de infusie zorgvuldig te bewaken: nieuwe patiënten, patiënten die eerder een ànder immunoglobulineproduct hebben gekregen en patiënten bij wie een lange tijd verstreken is sinds de vorige infusie, tot één uur na de eerste infusie en andere patiënten tot ten minste 20 minuten na toediening. Wanneer een bijwerking optreedt de toedieningssnelheid verlagen of de infusie stopzetten, afhankelijk van de aard en ernst van de bijwerking.

Na injectie met immunoglobulinen kan de tijdelijke stijging van de titer van de passief overgedragen antistoffen in het bloed leiden tot fout-positieve resultaten bij serologisch onderzoek (bv. Coombs-test). Fout-positieve waarden kunnen ook (gedurende weken) optreden bij assays die afhankelijk zijn van de detectie van β-D-glucanen voor de diagnose van schimmelinfecties.

GammaQuin: niet onderzocht is of de werking ter preventie of mitigering van hepatitis A en mazelen bij deze toedieningsroute gegarandeerd is.

HyQvia: er kunnen zich niet-neutraliserende antistoffen ontwikkelen tegen recombinant humane hyaluronidase. Deze kunnen een kruisreactie aangaan met endogeen PH-20, aanwezig in testes, epididymitis en sperma. Klinische significantie hiervan is niet bekend.

Overdosering

Voor informatie over een vergiftiging met subcutaan of i.m toegediende immunoglobulinen neem contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

Immunoglobuline heeft een passief immuniserende werking. De werking bij primaire immunodeficiënties met gedocumenteerde (periodieke) infecties berust op suppletie van IgG. Toepassing als profylaxe of mitigering van hepatitis A en mazelen berust op passieve immunisatie. De antistoffen neutraliseren het virus voordat binding aan de target-cel plaatsvindt, waarna verdere eliminatie van het virus kan plaatsvinden.

Bij HyQvia wordt tevens een injectievloeistof met hyaluronidase bijgeleverd; dit is een enzym dat hyaluronzuur, een bestanddeel van de bindweefseltussenstof, afbreekt. Hyaluronidase faciliteert hierdoor na s.c. toediening de dispersie en absorptie en daarmee de biologische beschikbaarheid van IgG, door de doorlaatbaarheid van het lokale bindweefsel tijdelijk te veranderen. Door de natuurlijke, snelle regeneratie van hyaluronzuur is de interstitiële barrière binnen 24–48 uur hersteld.

De werkingsduur (o.a. bij preventie van hepatitis A) is afhankelijk van de dosering en het gewicht.

Kinetische gegevens

T maxi.m. 2–4 dagen, s.c. 2–6 dagen. Na 3–5 dagen wordt een evenwicht tussen de intra- en extravasculaire compartimenten bereikt.
Metaboliseringin de cellen van het weefselmacrofagensysteem.
T 1/2ca. 21 dagen, maar er zijn grote interindividuele verschillen.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

normaal immunoglobuline (im en sc) hoort bij de groep immunoglobulinen.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook