Samenstelling

Flebogamma DIF Lamepro bv

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
100 ml, 200 ml, 400 ml

De oplossing bevat 50 g eiwit per liter (5%), waarvan ten minste 97% bestaat uit IgG en geringe hoeveelheden IgA (< 0,05 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: sorbitol (5%).

Gammagard S/D Baxter bv

Toedieningsvorm
Poeder voor infusievloeistof
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
5 g met solvens 100 ml, 10 g met solvens 200 ml

Bevat na oplossing 50 g eiwit per liter (5%). De eiwitfractie bevat ten minste 90% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 3 microg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: humaan albumine, glycine, natriumchloride 8,5 mg/ml en glucose (maximaal 434 mg/g IgG).

Gamunex Lamepro bv

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
50 ml, 100 ml, 200 ml

De infusievloeistof bevat 100 g eiwit/liter (10%). De eiwitfractie bevat ten minste 98% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 0,084 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: glycine.

Intratect Twin Pharma

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
20 ml, 50 ml, 100 ml, 200 ml

De oplossing bevat 50 g eiwit/liter (5%). De eiwitfractie bevat ten minste 96% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 0,9 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: glycine.

Intratect Twin Pharma

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
10 ml, 50 ml, 100 m l, 200 ml

De oplossing bevat 100 g eiwit/liter (10%). De eiwitfractie bevat ten minste 96% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 2 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: glycine.

Kiovig Baxter bv

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
10 ml, 25 ml, 50 ml, 100 ml, 200 ml, 300 ml

De infusievloeistof bevat 100 g eiwit/liter (10%). De eiwitfractie bevat ten minste 98% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 0,14 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: glycine.

Nanogam Sanquin, CLB, divisie Producten

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
20 ml, 50 ml, 100 ml, 200 ml, 400 ml

De oplossing bevat 50 g eiwit/liter (5%). De eiwitfractie bevat ten minste 95% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 6 microgram/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: glucose-monohydraat (overeenkomend met glucose 50 g/l).

Octagam EuroCept bv

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
50 mg/ml
Verpakkingsvorm
50 ml, 100 ml, 200 ml

De oplossing bevat 50 g eiwit/liter (5%). De eiwitfractie bevat ten minste 95% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 0,2 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: maltose 100 mg/ml.

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
20 ml, 50 ml, 100 ml, 200 ml

De oplossing bevat 100 g eiwit/liter (10%). De eiwitfractie bevat ten minste 95% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 0,4 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: maltose 90 mg/ml.

Panzyga Octapharma GmbH

Toedieningsvorm
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
flacon 10 ml, 25 ml, fles 50 ml, 60 ml, 100 ml, 200 ml, 300 ml

De oplossing bevat 100 g eiwit/liter (10%). De eiwitfractie bevat ten minste 95% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 0,3 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: glycine, natrium 0,69 mg/ml.

Privigen CSL Behring bv

Toedieningsvorm
Infusievloeistof
Sterkte
100 mg/ml
Verpakkingsvorm
25 ml, 50 ml, 100 ml, 200 ml, 400 ml

De infusievloeistof bevat 100 g eiwit/liter (10%). De eiwitfractie bevat ten minste 98% IgG en geringe hoeveelheden IgA (≤ 0,025 mg/ml). De subklassensamenstelling komt vrijwel overeen met die van normaal plasma. Bevat tevens: L-proline.

Uitleg symbolen

Dit geneesmiddel is niet opgenomen in het geneesmiddelen vergoedings systeem (GVS).
'Over the counter', dit geneesmiddel is een zelfzorgmiddel.
Aan de vergoeding van dit geneesmiddel zijn bepaalde voorwaarden verbonden, die zijn vermeld op bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Extra aandacht wordt gevraagd voor onverwachte bijwerkingen. Meldt u dit via het meldformulier van het Lareb.

Advies

Normaal immunoglobuline i.v. kan bij de genoemde indicaties worden voorgeschreven.

Indicaties

Als substitutietherapie bij:

  • Primaire immunodeficiëntie syndromen met een verminderde productie van antilichamen (zoals aangeboren hypo- en agammaglobulinemie, gewone variabele immunodeficiëntie, ernstige gecombineerde immunodeficiëntie);
  • Secundaire immunodeficiëntie (zoals secundaire hypo-gamma-globulinemie) bij:

    • chronische lymfatische leukemie (CLL)met recidiverende bacteriële infecties, wanneer profylactische antibiotica faalde;
    • multipel myeloom (in de plateaufase) met recidiverende bacteriële infecties wanneer geen reactie is verkregen op pneumokokkenvaccinatie;
    • patiënten na een allogene hematopoëtische stamceltransplantatie.
  • Congenitale AIDS en daarbij recidiverende bacteriële infecties.

Als immunomodulerende therapie bij:

  • Idiopathische (primaire) trombocytopenische purpura (ITP) bij veel kans op bloedingen of vóór een operatieve ingreep ter correctie van het bloedplaatjesgehalte;
  • Ziekte van Kawasaki;
  • Guillain-Barrésyndroom;
  • Multifocale motorische neuropathie (MMN);
  • Chronische inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie (CIDP).

Dosering

Uitsluitend intraveneus toedienen. De dosis en het doseerschema hangen af van de indicatie, halveringstijd, ernst van de ziekte en de leeftijd van de patiënt. De genoemde doseringen gelden als richtlijn.

Flebogamma DIF niet geven aan kinderen van 0–2 jaar.

De infusiesnelheden zijn productafhankelijk; deze nauwkeurig opvolgen. Bij nieuwe patiënten, bij gebruik na een relatief lange tijd na de vorige infusie en bij gebruik van een ander i.v. IgG–product starten met een lage infusiesnelheid en de patiënt nauwgezet volgen tot een uur na de eerste infusie en andere patiënten tot ten minste 20 minuten na toediening.

Bij risicofactoren voor trombo–embolische ziekten of voor acuut nierfalen toedienen in een zo laag mogelijke dosering en met een zo laag mogelijke infusiesnelheid.

Vóór toediening zorgen voor een adequate hydratie en urineproductie.

Klap alles open Klap alles dicht

Primaire immunodeficiëntie:

Volwassenen en kinderen:

Aanvangsdosis: 400–800 mg/kg lichaamsgewicht eenmalig, gevolgd door 200–800 mg/kg lichaamsgewicht elke 3–4 weken om een IgG–dalconcentratie te bereiken van ten minste 5–6 g/l. Na aanvang van de therapie duurt het 3–6 maanden voordat een evenwichtstoestand ontstaat.

Secundaire immunodeficiëntie (bv. hypo-gamma-globulinemie):

Volwassenen en kinderen:

200–400 mg/kg lichaamsgewicht elke 3–4 weken om een IgG–dalconcentratie te bereiken van ten minste 5–6 g/l.

Substitutietherapie bij kinderen met congenitale aids en recidiverende bacteriële infecties:

Kinderen:

200–400 mg/kg lichaamsgewicht elke 3–4 weken.

Na allogene beenmergtransplantatie:

Volwassenen en kinderen:

In het algemeen: Flebogamma DIF, Gammagard, Gamunex, Intratect, Kiovig, Nanogam, Octagam, Panzyga, Privigen: 200–400 mg/kg lichaamsgewicht elke 3–4 weken om een IgG–dalconcentratie te bereiken > 5 g/l.

Bij de behandeling van infecties en profylaxe van graft–versus–hostreactie: Gammagard: 500 mg/kg lichaamsgewicht per week, vanaf dag 7 vóór de transplantatie tot 3 maanden na transplantatie. Bij aanhoudend tekort aan antilichamen: 500 mg/kg lichaamsgewicht per maand tot de spiegel van antilichamen normaal is.

Idiopathische trombocytopenische purpura:

Volwassenen en kinderen:

Acute aanval: 800–1000 mg/kg lichaamsgewicht op dag 1; deze dosis eventueel binnen 3 dagen eenmaal herhalen. Andere behandelingsmogelijkheid is 400 mg/kg lichaamsgewicht per dag gedurende 2–5 opeenvolgende dagen. De behandeling herhalen als een terugval optreedt.

Ziekte van Kawasaki:

Volwassenen en kinderen:

1,6–2,0 g/kg lichaamsgewicht in verdeelde doses gedurende 2–5 dagen óf 2,0 g/kg lichaamsgewicht in één dosis. De doseringen in combinatie met acetylsalicylzuur geven.

Guillain-Barrésyndroom:

Volwassenen en kinderen:

400 mg/kg lichaamsgewicht per dag gedurende 5 dagen.

Multifocale motorische neuropathie:

Volwassenen en kinderen:

Gammagard: 400 mg/kg lichaamsgewicht per dag gedurende 5 opeenvolgende dagen. Kiovig: begindosis: 2,0 g/kg lichaamsgewicht gedurende 2–5 opeenvolgende dagen. Onderhoudsdosis: 1,0 g/kg lichaamsgewicht elke 2–4 weken of 2,0 g/kg lichaamsgewicht elke 4–8 weken.

Chronische inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie:

Volwassenen en kinderen:

Gamunex, Privigen, Octagam: begindosis: 2,0 g/kg lichaamsgewicht in verdeelde doses gedurende 2–5 opeenvolgende dagen. Onderhoudsdosis: 1,0 g/kg lichaamsgewicht elke 3 weken, toegediend in 1 dag of verdeeld over twee doses van 0,5 g/kg lichaamsgewicht in 2 opeenvolgende dagen. Er is weinig ervaring bij kinderen.

Indien mogelijk de antecubitale venen gebruiken voor infusie van 10% oplossingen.

Bijwerkingen

Zeer vaak (> 10%): hypertensie. Hoofdpijn (incl. sinushoofdpijn, migraine). Misselijkheid, braken, diarree. Hoest. Huidaandoeningen incl. uitslag, jeuk, urticaria. Pijn in een ledemaat, rug, nek, gewricht, aangezicht. Koorts, rillingen, vermoeidheid, griepachtige ziekte (waaronder nasofaryngitis, griep, faryngolaryngeale pijn, blaarvorming in de orofarynx, beklemming van de keel).

Vaak (1–10%): tachycardie, palpitaties, hypotensie, hypertensie, (overmatig) blozen of zweten, opvliegers, hyperemie, nachtzweten. Dyspneu (incl. borstpijn en pijnlijke ademhaling), bronchitis, rinorroe. Buikpijn, dyspepsie. (Draai–)duizeligheid. Asthenie, malaise, rigor. Lymfadenopathie. Botpijn, spierpijn, -spasmen en -stijfheid. Conjunctivitis. Angst, slapeloosheid. Overgevoeligheidsreactie, jeuk, urticaria, dermatitis, erytheem. Hemolyse, (hemolytische) anemie, anisocytose (incl. microcytose), leukopenie. Verlaagde hematocrietwaarde en haptoglobine. Hyperbilirubinemie, verhoogde waarden van ALAT, ASAT, LDH. Zwelling en pijn op de toedieningsplaats.

Soms (0,1–1%): aseptische meningitis (zie ook de rubriek Waarschuwingen en Voorzorgen), somnolentie, paresthesie, dysesthesie, tremor, evenwichtsstoornis, geheugenverlies, spraakstoornis, smaakstoornis, prikkelbaarheid. Koud gevoel in de ledematen, hypothermie, oppervlakkige (trombo)flebitis. Pijn op de borst. (Verergering van) astma, bloedneus. Stomatitis, abdominale distensie. Angio-oedeem, erythemateuze huiduitslag, papuleuze huiduitslag, dermatitis, eczeem, koud zweet, blauwe plekken, fotosensibilisatie. Infecties zoals (chronische) sinusitis, infectie van de bovenste luchtwegen, infectie van de urinewegen, schimmelinfectie. Oogpijn, zwelling van het oog, fotofobie, maculopathie. Oorpijn, vloeistof in middenoor. Spierkrampen en spierzwakte (bij MMN). Anorexie. Thyroïdstoornis. Trombocytose. Verhoogde waarden van cholesterol, creatinine in het bloed, ureum en proteïnurie.

Zeer zelden (< 0,01%): transfusiegerelateerde acute longbeschadiging (TRALI; zie ook de rubriek Waarschuwingen en Voorzorgen). Trombo-embolische incidenten als: diepveneuze trombose, arteriële trombose, TIA, CVA, myocardinfarct. (Pseudo)hyponatriëmie.

Verder zijn gemeld: anafylactoïde of anafylactische reactie (incl. shock, meer kans bij IgA-deficiëntie of IgA-antistoffen). Cyanose, (niet–cardiogeen) longoedeem, longembolie. Trombocytopenie. Hepatitis. Nierfalen. Alopecia, oedeem.

Toediening tijdens een infectie leidt soms na enige uren tot een algeheel gevoel van malaise en verhoging van de lichaamstemperatuur tot 39–40°C. In de regel verdwijnt dit na 24 uur. Acute nierfunctiestoornis is gemeld, veelal bij patiënten met risicofactoren zoals reeds bestaande nierfunctiestoornis, hogere leeftijd (> 65 jaar), diabetes mellitus, hypovolemie, overgewicht en gebruik van nefrotoxische middelen.

Bij baby's en jonge kinderen met (nog niet gediagnosticeerde) fructose-intolerantie kan de hulpstof sorbitol aanleiding geven tot een soms fataal verlopende reactie.

Sommige typen bloedglucosemeter interpreteren de hulpstof maltose (in het preparaat Octagam) ten onrechte als glucose en kan gedurende ca. 15 uur na de infusie leiden tot onjuiste verhoogde bloedglucose–uitslagen met (soms) fatale hypoglykemieën tot gevolg.

Interacties

Immunoglobulinen kunnen de immuunrespons op levende virusvaccins (mazelen-, bof-, varicella- of rubellavaccin) verminderen. Vaccinatie tot ten minste drie maanden na de toediening van immunoglobuline uitstellen, bij mazelen kan dit tot een jaar zijn (afhankelijk van de dosis immunoglobuline). Als binnen 2 weken na vaccinatie met een levend virusvaccin toediening van een immunoglobuline noodzakelijk is, drie maanden (bij mazelenvaccin tot 1 jaar) daarna revaccineren.

Comedicatie met lisdiuretica vermijden in verband met de kans op acuut nierfalen vanwege onvoldoende hydratie van de patiënt. Ook comedicatie met nefrotoxische geneesmiddelen vermijden.

Zwangerschap

IgG passeert de placenta.
Teratogenese: Langdurige klinische ervaring heeft aangetoond dat er geen schadelijke effecten op het verloop van de zwangerschap, bij de foetus en bij het pasgeboren kind zijn te verwachten.
Advies: Kan worden gebruikt.

Lactatie

Overgang in de moedermelk: IgG gaat over in de moedermelk en levert zo een bijdrage aan de overdracht van beschermende antistoffen aan de pasgeborene.
Advies: Kan volgens voorschrift worden gebruikt.

Contra-indicaties

  • In het algemeen: Intolerantie voor humane immunoglobulinen, vooral bij selectieve IgA-deficiëntie waarbij anti-IgA-antistoffen zijn aangetoond.
  • Flebogamma DIF: fructose–intolerantie, kinderen tot 2 jaar.
  • Privigen: hyperprolinemie.

Waarschuwingen en voorzorgen

Niet toedienen bij selectieve IgA–deficiëntie (als enige afwijking).

Sommige bijwerkingen kunnen vaker optreden: bij hoge infusiesnelheid, bij patiënten met hypo- of agammaglobulinemie met of zonder IgA-deficiëntie, bij patiënten die voor het eerst humane normale immunoglobuline krijgen of bij wie een lange tijd verstreken is sinds de vorige infusie. Mogelijke complicaties kunnen vaak voorkómen worden door aanvankelijk langzaam te infunderen en patiënten tijdens de infusie zorgvuldig te bewaken: nieuwe patiënten, patiënten die eerder een ànder immunoglobulineproduct hebben gekregen en patiënten bij wie een lange tijd verstreken is sinds de vorige infusie tot een uur na de eerste infusie en andere patiënten tot ten minste 20 minuten na toediening.

Er is waarschijnlijk een verband met trombo-embolische aandoeningen. Wees daarom voorzichtig bij overgewicht en bij andere al aanwezige risicofactoren zoals hoge leeftijd, langdurige immobilisatie, hypertensie, diabetes mellitus, (een voorgeschiedenis van) trombotische incidenten, meerdere cardiovasculaire risicofactoren, ernstige hypovolemie, oestrogeengebruik, verhoogde bloedviscositeit, aanwezigheid van intravasculaire verblijfskatheters (bv. centrale lijn) en wanneer hoge doses of een hoge infusiesnelheid worden gebruikt.

Niet-cardiogeen longoedeem kan optreden na de behandeling en kan wijzen op een transfusiegerelateerde acute longbeschadiging (TRALI). TRALI wordt gekenmerkt door longoedeem, hypoxemie, ernstige ademnood, koorts bij een normale linkerventrikelfunctie. De symptomen treden doorgaans binnen 1–6 uur op. Controleer op pulmonale bijwerkingen, zo nodig behandelen met zuurstof en adequate ondersteuning van de ademhaling.

Ter preventie van acuut nierfalen bij alle patiënten vóór toediening zorgen voor adequate hydratie, bewaking van de urineproductie, bewaking van serumcreatinine-niveaus, vermijden van gelijktijdig gebruik van lisdiuretica. Bij patiënten met risicofactoren (bestaande nierinsufficiëntie, diabetes mellitus, hypovolemie, overgewicht, hoge leeftijd, sepsis, paraproteïnemie) de laagst haalbare infusiefrequentie en dosis gebruiken. Bij een verminderde nierfunctie, staken van de toediening overwegen.

Er is meer kans op aseptische meningitis bij gebruik van hoge doses (2 g/kg); de symptomen ervan treden gewoonlijk op binnen enkele uren tot twee dagen na de behandeling en verdwijnen (zonder restverschijnselen) binnen enkele dagen na staken van de behandeling. De liquor cerebrospinalis laat vaak pleiocytose zien, voornamelijk van granulocytaire oorsprong en daarnaast verhoogde eiwitconcentraties (tot enkele honderden mg/dl).

De i.v. IgG–producten kunnen bloedgroepantistoffen bevatten die kunnen dienen als hemolysinen; de patiënt controleren op klinische tekenen van hemolyse; indien aanwezig overwegen de behandeling te staken. Risicofactoren voor hemolyse zijn: hoge doses IgG, andere bloedgroep dan O, onderliggende ontsteking. Kinderen met de ziekte van Kawasaki hebben bij gebruik van hoge doses eveneens meer kans op hemolyse.

Niet toedienen bij gebleken overgevoeligheid voor bloedproducten vanwege de kans op een anafylactische reactie; indien toediening toch noodzakelijk wordt geacht, is nauwkeurige klinische controle aangewezen. Er is eveneens meer kans op anafylaxie bij patiënten met een IgA-deficiëntie die deel uitmaakt van een onderliggende primaire immunodeficiëntie of bij patiënten met anti-IgA-antistoffen.

De kans op overdracht van met bloed overdraagbare agentia kan niet geheel worden uitgesloten.

Na injectie met immunoglobulinen kan de tijdelijke stijging van de titer van de passief overgedragen antistoffen in het bloed leiden tot fout-positieve resultaten bij serologisch onderzoek (bv. Coombs-test, CMV-serologie en een verhoogde BSE) of bij de detectie van β-D-glucanen voor de diagnose van schimmelinfecties (dit kan weken aanhouden). Sommige typen bloedglucosemeter interpreteren de hulpstof maltose (in het preparaat Octagam) ten onrechte als glucose en kan gedurende ca. 15 uur na de infusie leiden tot onjuiste verhoogde bloedglucose–uitslagen met (soms) fatale hypoglykemieën tot gevolg.

Overdosering

Symptomen
Volumeoverbelasting en hyperviscositeit, vooral bij patiënten met hartfalen, nierinsufficiëntie of bij ouderen.

Neem voor meer informatie over een vergiftiging met intraveneus toegediende immunoglobulinen contact op met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum.

Eigenschappen

De voor intraveneuze toediening geschikte normale immunoglobulinepreparaten zijn bereid uit plasma van menselijke donoren en bevatten voornamelijk functioneel intacte immunoglobulinen G (IgG) met een breed spectrum aan antilichamen tegen infectieuze agentia. Bevat derhalve de IgG-antilichamen die aanwezig zijn in de normale populatie. Kan abnormaal lage IgG-niveaus herstellen tot normaal. Het werkingsmechanisme bij andere indicaties dan substitutietherapie is niet volledig verklaard, maar omvat immunomodulatoire effecten.

Kinetische gegevens

OverigNa i.v.-toediening direct en volledig beschikbaar met een relatief snelle verdeling over plasma en extravasculaire vloeistof.
Metaboliseringin de cellen van het reticulo–endotheliale systeem.
T 1/221–41 dagen (volwassenen), 40–45 bij kinderen en adolescenten.

Uitleg afkortingen

F biologische beschikbaarheid (fractie van de dosis die in de systemische circulatie verschijnt)
T max tijdsduur tot maximale bloedspiegel na toediening
V d verdelingsvolume (fictief volume waarin een geneesmiddel zich verdeelt over het lichaam)
T 1/2 plasmahalfwaardetijd (tijd die nodig is om een bepaalde plasmaconcentratie te halveren)
T 1/2el plasmahalfwaardetijd in de eliminatiefase, terminale halfwaardetijd

Groepsinformatie

normaal immunoglobuline (iv) hoort bij de groep immunoglobulinen.

normaal immunoglobuline (iv) vergelijken met een ander geneesmiddel

Zie ook