Geneesmiddelenoverzicht anti-epileptica

Deze hoofdrubriek bevat 10 rubrieken:

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Toon geneesmiddelen

Meer informatie over neuropathische pijn. Meer informatie over migraine, onderhoudsbehandeling volwassenen. Meer informatie over (dreigende) status epilepticus. Meer informatie over migraine, profylaxe bij kinderen. Meer informatie over slapeloosheid. Meer informatie over angststoornissen. Meer informatie over stoornissen bij het gebruik van alcohol. Meer informatie over epilepsie, onderhoudsbehandeling. Meer informatie over bipolaire stoornis. Meer informatie over ritmestoornissen. Een volledig overzicht van alle indicaties per geneesmiddel kunt u vinden in de geneesmiddelteksten.

anti-epileptica

Werking

Werkingsmechanisme

De anti-epileptica vormen een heterogene groep van geneesmiddelen die de neuronale gevoeligheid verminderen via verschillende aangrijpingspunten:

  • beïnvloeden direct spanningsafhankelijke kanalen, bijvoorbeeld blokkeren van natriumkanalen en verschillende typen calciumkanalen. Hierdoor neemt de overmatige depolarisatie van neuronen in de cerebrale cortex af;
  • versterken de remmende neurotransmitter gamma-aminoboterzuur (GABA);
  • remmen de exciterende neurotransmitter glutamaat;
  • binden aan het synaptische vesikel-eiwit 2A (SV2A).

De meeste middelen zijn op meerdere aangrijpingspunten werkzaam.

Effect

Bij de diverse effecten wordt tussen vierkante haken aangegeven welke van de hierboven beschreven mechanismen, voor zover bekend, een rol spelen.

Bij epilepsie:

  • onderdrukking van epileptische aanvallen door verhoging van de prikkeldrempel van neuronen van het centraal zenuwstelsel [beïnvloeding van spanningsafhankelijke natrium- en calciumkanalen, versterking van remmende neurotransmitter GABA, remming van de exciterende neurotransmitter glutamaat en binding aan SV2A].

Bij neuropathische pijn:

  • vermindering van de pijn [beïnvloeding van spanningsafhankelijke natrium- en calciumkanalen].

Bij gegeneraliseerde-angststoornis:

  • vermindering van angst [versterking van remmende neurotransmitter GABA en beïnvloeding van de spanningsafhankelijke calciumkanalen].

Bij migraineprofylaxe:

  • vermindering van het aantal migraine-aanvallen [mogelijk versterking van de activiteit van GABA].

Bij bipolaire stoornis en manie:

  • vermindering van de manische symptomen.

Meer details over de anti-epileptica:

Geneesmiddel

Indicaties en plaats

Barbituraten

fenobarbital

3e keusmiddel voor gegeneraliseerde en lokalisatiegebonden epilepsie; bij pasgeborenen is fenobarbital 1e keus bij neonatale convulsies

primidon

Benzodiazepinen

clonazepam

status epilepticus/couperen aanvalsexacerbatie; 3e keusmiddel voor lokalisatiegebonden en gegeneraliseerde epilepsie

diazepam

1e /2ekeus status epilepticus/couperen aanvalsexacerbatie

clobazam

2e keus 'add on'-middel voor lokalisatiegebonden en gegeneraliseerde epilepsie

nitrazepam

Syndroom van West en syndroom van Lennox

midazolam

1e keus status epilepticus/couperen aanvalsexacerbatie

Overige anti-epileptica

brivaracetam

'add on'-middel voor lokalisatiegebonden epilepsie

carbamazepine

1e keusmiddel voor lokalisatiegebonden epilepsie; 2e keusmiddel voor primair GTKA* (behalve bij patiënten die ook last hebben van gegeneraliseerde absences of myoklonieën)

ethosuximide

1e keusmiddel bij kinderen met absences

felbamaat

laatste keus 'add on'-middel voor Lennox-Gastautsyndroom

fenytoïne

2e -3e keusmiddel voor lokalisatiegebonden epilepsie

gabapentine

2e keus 'add on'-middel voor lokalisatiegebonden epilepsie

pregabaline

2e keus 'add on'-middel voor lokalisatiegebonden epilepsie

lamotrigine

1e keusmiddel voor lokalisatiegebonden epilepsie; 1e keusmiddel GTKA* zonder myoklonieën; als adjuvans voor Lennox-Gastautsyndroom

lacosamide

2e keusmiddel voor lokalisatiegebonden epilepsie

levetiracetam

1e keus lokalisatiegebonden epilepsie en GTKA*

oxcarbazepine

1e keusmiddel voor lokalisatiegebonden epilepsie en 2e keus voor GTKA* (behalve bij patiënten die ook last hebben van gegeneraliseerde absences of myoklonieën)

perampanel

2e keus 'add on'-middel voor lokalisatiegebonden epilepsie

retigabine

(= ezogabine)

laatstekeus 'add on'-middel voor lokalisatiegebonden epilepsie

rufinamide

2–3e keus 'add on'-middel voor Lennox-Gastautsyndroom

stiripentol

als 'add on'-behandeling bij clobazam en valproïnezuur voor GTKA* bij ernstige juveniele myoklonische epilepsie (syndroom van Dravet)

valproïnezuur

1e keusmiddel voor gegeneraliseerde en lokalisatiegebonden epilepsie (incl. absences)

vigabatrine

1e keusmiddel voor syndroom van West (in het bijzonder bij tubereuze sclerose); laatste keusmiddel voor lokalisatiegebonden epilepsie

topiramaat

2e keusmiddel voor lokalisatiegebonden en gegeneraliseerde epilepsie; als adjuvans voor Lennox-Gastautsyndroom

zonisamide

2e keusmiddel voor lokalisatiegebonden epilepsie

* gegeneraliseerde tonisch-klonische aanvallen.

Overzicht van de meest gebruikte anti-epileptica en indicatiesVergroot tabel

Typerende bijwerkingen

Relatief frequent:

  • vermoeidheid;
  • sedatie;
  • lethargie;
  • ataxie;
  • gastro-intestinale klachten, zoals misselijkheid en braken;
  • nystagmus;
  • milde overgevoeligheidsreacties, zoals huiduitslag en urticaria.

Minder frequent:

  • ernstige overgevoeligheidsreacties, zoals Steven-Johnsonsyndroom (SJS) en toxische epidermale necrolyse (TEN);
  • gedragsveranderingen;
  • stoornissen in de botstofwisseling, leidend tot osteopenie, osteroperose of fracturen.

Meer informatie

Gebruik van anti-epileptica gaat doorgaans gepaard met relatief veel bijwerkingen, die echter meestal mild zijn en vaak dosisafhankelijk. Vrijwel alle epileptica hebben in algemene zin een remmend effect op het centrale zenuwstelsel. De centrale bijwerkingen (zoals sedatie, lethargie, ataxie) en gastro-intestinale klachten treden met name in het begin van de behandeling op en komen frequenter voor bij gelijktijdig gebruik van meerdere anti-epileptica. Een geleidelijke, zorgvuldige dosisverhoging is van groot belang. Dit kan de ernst van de bijwerkingen aanzienlijk verminderen [1,2].

Overgevoeligheidsreacties geven regelmatig aanleiding tot staken van de therapie. Hierbij kunnen verschillende organen betrokken zijn, maar vaak is de huid aangedaan. Meestal is er sprake van milde huidracties, zoals huiduitslag of urticaria. Maar ook ernstige overgevoeligheidsreacties, zoals SJS en TEN zijn gemeld. Anti-epileptica met een aromatische ring in de chemische structuur geven het vaakst aanleiding tot deze huidreacties. Dit zijn o.a. lamotrigine, carbamazepine, oxcarbamazepine, fenobarbital en felbamaat [2].

Gedragsveranderingen (o.a. verhoogde irritatie, agressie, dyskinesie) worden regelmatig gezien, met name bij kinderen en bij patienten met reeds bestaande gedragsproblematiek [2].

Bij langdurig gebruik van, met name de enzyminducerende anti-epileptica, is er meer kans op verminderde minerale botdichtheid leidend tot osteoporose, osteopenie en fracturen. De oorzaak hiervan kan niet vanuit een enkel mechanisme worden verklaard. De enzym-inducerende anti-epileptica zouden door inductie van het CYP-450 enzymsysteem in de lever een versnelde afbraak van vitamine D kunnen bewerkstelligen. Valproïnezuur heeft mogelijk een direct negatief effect op de osteoblasten. Vermoedelijk spelen ook andere mechanismen een rol [3].

Literatuur

  1. J.M.A. Sitsen et al. Farmacologie. Vierde, herziene druk. Elsevier gezondheidszorg, Maarssen.
  2. Aronson JK, et al. (eds). Meyler's side effects of drugs. 16th ed. Amsterdam: Elsevier, 2016.
  3. K. Beerhorst et al. Anti-epileptica en het risico op osteoperose Tijdschr Neurol Neurochir 2010; 111: 239-44.

Kosten

Kosten laden…

Zie ook

Indicaties

Vergelijken

anti-epileptica vergelijken met een andere geneesmiddelgroep.